Ministerie VWS stelt onderzoek in naar fipronil-affaire

Den Haag, 7 augustus 2017 11:30 | Dionne Irving

Het ministerie van VWS zal grondig onderzoeken hoe de fipronil-affaire heeft kunnen gebeuren.

Dit meldt de minister in een kamerbrief.

Nadat de maatregelen die de NVWA nu neemt geëffectueerd zijn, gaat VWS onderzoeken hoe dit incident heeft kunnen gebeuren en hoe dit in de toekomst kan worden voorkomen. Op dit moment loopt er al een strafrechtelijk onderzoek.

 

Meer monsters komende tijd

In de brief geeft de minister ook een update van het gehele traject tot nu toe.

Op 3 augustus zijn van alle 180 onderzochte bedrijven de resultaten van de monstername bekend en zijn de ei-codes van de bedrijven waar fipronil in de eieren boven de norm is aangetroffen gedeeld op de website van de NVWA.

Op basis van deze resultaten halen de supermarkten de laatste eieren van de bedrijven waar fipronil boven de Europese norm (de MRL1) is aangetroffen direct uit de schappen. De consument kan de eieren die nog in de koelkast staan zelf controleren aan de hand van de lijst met ei-codes op de website van de NVWA.

Voor alle andere eieren geldt dat er geen aanleiding is consumenten af te raden deze te eten. De staatssecretaris van EZ heeft hierover afgelopen weekend contact gehad met zijn Duitse collega en heeft deze boodschap vandaag nogmaals expliciet met hem gedeeld.

Daarnaast neemt de NVWA ook de komende tijd regelmatig monsters in de supermarkten om eventuele nieuwe besmettingen met fipronil in eieren direct op te sporen. Daarmee doet de NVWA het maximale om de veiligheid van eieren te waarborgen.

Strikt handhaven

De minister gaat in de brief ook in op de kritiek op het handelen van de NVWA. Volgens sommigen moet de NVWA harder optreden in het belang van de voedselveiligheid, volgens anderen treden ze te hard op omdat er niet direct risico’s zijn voor de volksgezondheid.

Volgens de minister is het ‘essentieel voor de werking van ons voedselveiligheidssysteem dat de NVWA strikt handhaaft op de vastgestelde normen om zo de voedselveiligheid, en ook het publieke vertrouwen in dit systeem, te waarborgen.’