Voedingsgedrag in de eerste lijn

Deventer, 22 januari 2019 08:32 | Annemarie Delnoij

Elke dag maken we zo’n 200 voedingskeuzes per dag. Naast wát te eten horen hier ook de keuzes bij over waar te eten, op welk tijdstip en wanneer je beslist te stoppen met eten. Als ik dat lees dan verbaas ik me daar keer op keer over. Want zo druk ben ik daar zelf helemaal niet mee.

Dat komt omdat de meeste keuzes, ook bij mij, onbewust plaatsvinden of voortkomen uit ingesleten patronen en gewoontes. Een kleiner deel is eigenlijk maar een bewuste keuze. Daarom is het ook zo lastig om dit te veranderen. In de praktijk blijkt dat inderdaad het geval te zijn. Bewust omgaan met keuzes kan een mooi voornemen zijn en lukt vaak een tijdje heel goed. Enthousiast begint menig cliënt aan een nieuw voedingspatroon. Maar dan komt toch regelmatig de klad erin. Ook dat gebeurt meestal niet bewust maar is het gevolg van drukte op het werk of in het gezin, door de verleidingen waar we keer op keer aan worden blootgesteld of door vermoeidheid rondom het ‘bezig zijn met voeding’. Ook de stemmetjes in ons hoofd die constant niet helpende gedachtes laten horen zoals “ik kan het vast niet” of “ach laat ook maar”, zorgen ervoor dat we langzaamaan weer terugvallen in oude patronen. Maar ook cliënten die hun doelen wel halen, hebben hier mee te maken. Wat maakt dat het bij hen dan wel lukt? Ik vind het fascinerend!

Wilskracht naar de sportschool

Het is eigenlijk net alsof we onze wilskracht naar de sportschool sturen. Door onze wilskrachtspier te blijven trainen kunnen we steeds beter worden in het maken van gezonde keuzes. Vanaf het moment dat onze gezonde keuzes onbewust worden, zal dit minder belastend zijn voor onze zelfcontrole. Na een periode van terugval de draad weer oppakken is daarom mogelijk belangrijker in het veranderproces dan beginnen. Door deze fase heen gaan, de spier te blijven trainen, betekent dat er echte verandering plaatsvindt.

'Ik wil afvallen'

Gedragsverandering kan op meerdere manieren ondersteund worden in de eerstelijns praktijk. Vraag goed na wat de intrinsieke motivatie is van de cliënt. Wát maakt dat de cliënt zichzelf een doel stelt. Alleen ‘ik wil afvallen’’ is vaak niet wat de echte reden is. Vraag welke waardes daaraan ten grondslag liggen. Bijvoorbeeld, als iemand vrijheid heel belangrijk vindt kan het zijn dat strikte schema’s m.b.t. medicatiegebruik of het ervaren van klachten als beperkend in vrijheid wordt ervaren. Belangrijk hierin is om het de cliënt zelf te laten formuleren en geen oplossingen aan te dragen. Juist datgene dat uit de cliënt zelf komt zal bijdragen aan het succes. Daarnaast kan je hem of haar helpen door het herkennen van die stemmetjes die het zelfvertrouwen ondermijnen in de gesprekken die je met ze hebt en deze om te buigen in helpende gedachtes. Het gaat dus vaak net iets verder dan alleen te vragen ‘hoe groot is uw motivatie op een schaal van 1 tot 10’. Ik blijf het mooi vinden wat je hiermee kunt bereiken ook al realiseer ik me dat deze aanpak niet bij elke cliënt werkt. Daarom blijft het opstellen van haalbare concrete doelen altijd een gouden standaard wat mij betreft!