artikel

Redactioneel: Allergische reacties te temperen?

Algemeen

Ons lichaam doet soms rare dingen, zeker als er lichaamsvreemde stoffen (meestal in de vorm van eiwitten) binnenkomen. Het maakt dan bijvoorbeeld de antistoffen IgE of IgC aan, die erop uit gestuurd worden om de indringers onschadelijk te maken. Dat is goed en functioneel als het een echte boosdoener betreft, bijvoorbeeld een virus of een parasitaire worm. Bij allergische reacties daarentegen maakt het het lichaam niet uit of er iets gevaarlijks binnenkomt of niet.

Ons lichaam doet soms rare dingen, zeker als er lichaamsvreemde stoffen (meestal in de vorm van eiwitten) binnenkomen. Het maakt dan bijvoorbeeld de antistoffen IgE of IgC aan, die erop uit gestuurd worden om de indringers onschadelijk te maken. Dat is goed en functioneel als het een echte boosdoener betreft, bijvoorbeeld een virus of een parasitaire worm. Bij allergische reacties daarentegen maakt het het lichaam niet uit of er iets gevaarlijks binnenkomt of niet. De reactie op een onschuldig stukje pinda-eiwit, gras- of berkenpolletje varieert van mild tot ernstiger, met – in het laatste geval – allergiepatiënten als gevolg. Hoe meer antistoffen er vrijkomen, hoe erger doorgaans de klachten.

Hoeveel patiënten, van wie het immuunsystemen anders dan anders reageert op ‘ongevaarlijke’ voedseldeeltjes, weten we niet. En of hun aantal toeneemt, weten we eigenlijk ook niet. De berichten hierover zijn tegenstrijdig. Niet voor niets vroeg de minister van volksgezondheid de Gezondheidsraad (GR) een paar jaar geleden om uit te zoeken wat de omvang van het probleem voedselallergie in Nederland is. Met de aantallen in de hand is een volksgezondheidsprobleem – in ieder geval financieel – beter te managen. De GR-commissie, die deze maand het advies Voedselallergie uitbracht, gaat echter niet gedetailleerd in op de omvang van het probleem in Nederland, eenvoudigweg omdat het nog ontbreekt aan harde cijfers.

Hoe belangrijk is het eigenlijk de exacte aantallen te weten? ‘Als het een toenemend probleem is wel’, zegt hoogleraar derma-allergologie Carla Bruijnzeel-Koomen van het UMC Utrecht, die de GR-commissie voorzat. De belangrijkste waarneming is volgens haar echter dat er nu meer Nederlanders zijn die denken dat ze een allergie hebben, dan er – op basis van schatting – daadwerkelijk zijn. Er is veel ruis, niet alleen bij consumenten, maar ook in de verschillende lijnen van de hulpverlening. Een van de belangrijkste aanbevelingen van de commissie is dan ook om meer aandacht te geven aan een makkelijk toepasbare diagnostiek om voedselallergie uit te sluiten. ‘Als je mensen in een vroeg stadium kunt geruststellen, dan win je al een hoop’, aldus de hoogleraar.

Verder vindt zij het belangrijk om uit te zoeken hoe allergische patiënten ‘toleranter’ voor een allergeen gemaakt kunnen worden. In de klinische praktijk blijkt dat patiënten die allergisch zijn voor sommige voedingsmiddelen, door een progressieve blootstelling aan een allergeen, toch weer aan dat voedingsmiddel zouden kunnen wennen. Dat blijkt als ze een beetje onschuldig voedingsmiddel onder de huid krijgen toegediend. Hoe dat komt weet eigenlijk niemand, om welke eiwitten het precies gaat ook niet, maar het opent misschien wel perspectieven om de ‘overdreven’ reactie van het immuunsysteem op onschuldige stoffen te temperen. Nu nog afwachten waarop in het gezondheidsbeleid de accenten worden gelegd.

Reageer op dit artikel