artikel

Interview Louis Bolk Instituut *

Algemeen

Interview Louis Bolk Instituut *

Bij het Louis Bolk Instituut in Driebergen lopen meer dan 200 projecten die zijn gerelateerd aan een duurzame en biologische voedselproductie. Ze zijn gericht op bodemgezondheid, dieren- welzijn, plant- en veeteelt, maar ook op relaties tussen voeding en gezondheid. Onderzoekers Lucy van de Vijver en Machteld Huber kozen beiden voor het Louis Bolk Instituut in Driebergen. Binnen dit instituut wordt voedsel vanuit verschillende productiemethoden onderzocht. Beide onderzoekers willen graag de vraag beantwoord zien of voeding geproduceerd binnen een gezond systeem bijdraagt aan de gezondheid van de consument.

Na twaalf jaar bij TNO, en een promotieonderzoek op het gebied van  antioxidanten en hart- en vaatziekten, stapte Lucy van de Vijver over naar het Louis Bolk Instituut. ‘In die jaren werd vooral onderzoek gedaan naar toevoegingen van vitamines en hoe we producten nog gezonder konden maken. Ik dacht vooral in de gezondheid van producten zelf. Een wortel moet zo worden geproduceerd dat het een optimale bijdrage levert aan de gezondheid van mensen. Toen ik bij het Louis Bolk Instituut met specialisten gesprekken voerde over bodem en plantenteelt ging er een wereld voor me open. Ik ging toen pas inzien dat bij gezond eten méér komt kijken dan de producten alleen. De samenstelling van onze melk is bijvoorbeeld afhankelijk van het voer en de gezondheid van de koe. Daar had ik niet eerder bij stilgestaan.’

Hydrocultuur
Machteld Huber, opgeleid tot huisarts, koos ruim 25 jaar geleden al voor een deeltijdbaan bij het Louis Bolk Instituut. Haar interesse had onder meer te maken met haar persoonlijke gezondheidsklachten: die zetten haar aan het denken over wat er verder ontwikkeld zou kunnen worden om mensen gezond te houden en hun gezondheid te versterken. ‘Vanuit mijn onderzoekende natuur wilde ik meer te weten komen over de levensprocessen’, vertelt ze. ‘Het werk bij het Louis Bolk Instituut sprak me aan vanwege het multidisciplinaire karakter. Er wordt niet alleen gekeken naar de inhoudsstoffen van bijvoorbeeld een plant, maar ook naar de bodem en de interactie met de omgeving. Door de verhalen van collega’s raakte ik geïnteresseerd in parallelle fysiologische processen in de planten- en dierenwereld en bij mensen.’

In de tijd dat Huber begon werd er een vergelijkende studie gedaan naar de teelt van sla in de dan net opkomende hydrocultuur, naast een biologische slateelt in de volle grond. De aanleiding vormde een hydrocultuurteler die zich afvroeg of hij voor zijn sla een EKO-keurmerk kon krijgen, omdat hij met zijn gecontroleerde productieomstandigheden goed bezig was voor het milieu. De identieke slaplanten werden van zaadje tot eindproduct vergeleken. Het bleek dat de sla die was grootgebracht via hydrocultuur geen volledige levenscyclus kon doormaken. Er werd veel blad ontwikkeld en de plant bleef in een vegetatief stadium. De slaplant uit de grond daarentegen ontwikkelde zich tot een volwassen plant en kwam in een generatief stadium van rijping en tenslotte bloei- en zaadvorming. ‘Het deed mij denken aan de situatie van kankercellen die feitelijk in een ongedifferentieerd en vegetatief groeistadium zijn teruggekeerd’, zegt Huber. ‘Destijds werd in de farmaceutische industrie geëxperimenteerd met vitamine A-derivaten om kankercellen vanuit hun ongedifferentieerdheid weer te laten differentiëren naar gezonde cellen; differentiatietherapie. Kanker is immers een ontspoord systeem waarbij de celdifferentiatie is teruggetreden: de cel gaat in verhouding meer groeien en minder differentiëren. In vitro en bij ratten lukte het destijds om met vitamine A-derivaten kankercellen weer te laten differentiëren. Bij mensen werd dat effect niet gevonden. Mij ging het erom dat kankerprocessen blijkbaar bij te sturen of te beïnvloeden zijn via voedingscomponenten. Ik had de vraag, en die is nog steeds niet beantwoord, of het voor onze gezondheid verschil zou maken of we planten eten die in het vegetatieve stadium zijn blijven hangen of planten die ook een generatief stadium hebben gehad, met na groei ook rijping, wat een differentiatieproces is. Het gaat dus niet alleen om de voedingsstoffen, maar om de processen in de gehele plant, waar de inhoudsstoffen een uitdrukking van zijn. Als je daar zo naar kijkt, dan zie je meer verbanden. Zo heeft een plant die tijdens de productie sterk wordt opgejaagd, bestrijdingsmiddelen nodig, omdat hij zichzelf niet meer kan beschermen. Als je hem langzamer laat groeien, ontwikkelt hij zelf zijn natuurlijke weerstand. En dat is waar we ons hier mee bezighouden: heeft een plant of dier dat zich in een natuurlijk en ecologisch evenwicht heeft ontwikkeld, en dus een natuurlijke weerstand heeft, een betere voedingskwaliteit?’

Van de Vijver vult aan: ‘Als je naar de inhoudsstoffen kijkt van gedifferentieerde planten, dan zien we dat secundaire metabolieten, waaronder antioxidanten en polyfenolen die ten goede kunnen komen aan de gezondheid, in deze tweede fase van de plantontwikkeling ontstaan. Wanneer een product nog in de vegetatieve fase wordt geoogst, ga je juist deze stoffen missen, zoals mogelijk ook gebeurt bij een hydrocultuursla.’

Cohort
Beide onderzoekers zijn benieuwd naar de vraag of biologisch voedsel gezonder is dan niet biologisch geteeld eten, maar daarover kunnen ze kort zijn. Er is nog onvoldoende wetenschappelijk onderzoek verricht om deze vraag te beantwoorden. Dat werd ook beschreven in een recente metaanalyse van Standford University, waarin 237 studies werden beoordeeld naar de mogelijk verschillende gezondheidseffecten van biologische en reguliere voeding. Slechts 17 van de beschreven studies onderzochten effecten van de consumptie van biologische voeding op de gezondheid van de consument, waaronder slechts 3 met klinische uitkomstmaten. De overige studies beoordeelden alleen de samenstelling van de producten op verschillen in nutriënten en/of de aanwezigheid van contaminanten (1). De onderzoekers vonden een aantal verschillen, zoals hogere fosforniveaus, minder pesticide-residuen en minder antibioticaresistentie bij de biologisch geteelde producten, maar volgens de auteurs waren dit geen klinisch relevante verschillen. Wel oordeelden ze dat meer consumptiestudies nodig zijn om de gezondheidsvraag echt te kunnen beantwoorden.

Een andere overzichtsstudie naar de gezondheidsverschillen tussen biologische en niet-biologische voeding verscheen in Pediatrics (2). Hierin kwam onder meer naar voren dat biologische voeding meer vitamine C en fosfor bevat, maar dat dit niet direct leidt tot gezondheidsvoordelen. Ook werd opgemerkt dat de kans op blootstelling van de mens aan resistente bacteriën door biologische voeding kleiner is. ‘Naar aanleiding van dit soort studies zie je vaak krantenkoppen verschijnen dat biologisch niet gezonder is dan regulier eten, maar de hoofdconclusie, en wat dit soort studies eigenlijk zeggen, is dat we nog veel te weinig weten over de gezondheidseffecten’, zegt Van de Vijver. ‘Zo is naar voren gekomen dat je door biologische voeding minder blootstaat aan pesticideresten en antibioticaresistente bacteriën. Die aanwijzigingen vragen om vervolgonderzoek. Je zou eigenlijk een groot cohort moeten opzetten dat op lange termijn de verschillen gaat meten.’

Van de Vijver voerde zelf een onderzoek uit onder 566 respondenten die waren overgestapt van reguliere naar biologische voeding (2). Daarbij ging het niet om hun fysiologische welbevinden, maar om de perceptie die de deelnemers hadden van biologisch eten. ‘We kregen hier vaker de opmerking dat mensen zich beter gingen voelen door over te stappen op biologische voeding. Om dat beter in kaart te brengen, zijn we mensen hierover systematisch gaan ondervragen.’ Uit de studie kwam naar voren dat 70 procent vond dat hij of zij een betere weerstand had, 30 procent voelde zich mentaal beter en 24 procent had een beter gevoel in buik of maag. ‘Je kunt je natuurlijk afvragen of dat komt door de biologische voeding of dat ze zich bewuster en gezonder zijn gaan gedragen doordat ze meer met hun voeding bezig waren. Het geeft wel aan in welke richting we verder onderzoek zouden kunnen doen.’

Systeemdenken
Afgezien van de wetenschappelijke onderbouwing of biologisch nu wel of niet beter voor de gezondheid is, zijn er volgens Huber ook andere redenen om vaker voor biologische voeding te kiezen. De waarneming dat voor biologische productie soms meer grond nodig is, is maar een beperkt aspect. “De bodemvruchtbaarheid blijft op de lange termijn gehandhaafd en wordt zelfs beter en dat vind ik een belangrijker argument, stelt ze. ‘In de afgelopen jaren is de hydrocultuur alleen maar toegenomen en dat zal nog doorgaan. Ook is er een discussie gaande over een verdere intensivering van de landbouw. Maar de afzet van biologische producten blijft groeien, zelfs in de huidige economische crisis. Het gaat er niet om dat we op macroniveau separaat naar CO2-uitstoot of klimaat kijken. Belangrijk is om het brede spectrum te bekijken en voeding, gezondheid en landbouw te zien als onlosmakelijk verbonden delen. Op lange termijn is de biologische landbouw milieu- en diervriendelijker, er komen goede en lekkere producten vandaan, en het levert een afwisselender landschap op. Biologische boeren hebben meer biodiversiteit op hun bedrijf, dat goed is voor het ecosysteem en als consument weet je vaak beter waar je eten vandaan komt. Of het nu om klein- of grootschalige productie gaat, je staat dichter bij de oorsprong van je eten.’

Huber wijst nog op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor Integrale Duurzame Landbouw en Voeding dat eind 2011 uitkwam (3). ‘Een belangrijk aspect hierin is dat we pleiten voor een ontwikkeling van ‘keten-denken’, waar je je eigen vervuilende effecten vaak niet kent, naar kringloop-denken, waar je wordt geconfronteerd met wat je aanricht. De raad stelt het streven naar een ecologisch weerbaar en veerkrachtig systeem voor waarin er minder externe inputs nodig zijn. Verstoringen in dit systeem (bijvoorbeeld ziektedruk) worden dan binnen het systeem zelf opgevangen.’

Referenties
1. Are organic foods safer or healthier than conventional alternatives?: a systematic review. Smith-Spangler. CBrandeau MLHunter GEBavinger JC, et al. Ann Intern Med. 2012:4;157(5):348-66.
2. Organic foods: health and environmental advantages and disadvantages.
Forman J, Silverstein J; Committee on Nutrition; Council on Environmental Health; American Academy of Pediatrics.Pediatrics. 2012;130(5):e1406-15. doi: 10.1542/peds.2012-2579.
3. Health effects of an organic diet–consumer experiences in the Netherlands.
van de Vijver LP, van Vliet ME. J Sci Food Agric. 2012;92(14):2923-7.
4. Naar een integrale benadering van duurzame landbouw en gezonde voeding. Wetenschappelijke Raad voor Integrale Duurzame Landbouw en Voeding. Publicatie RIDL&V, december 2011.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 1/2 van januari/februari 2013 op bladzijde 8

Reageer op dit artikel