artikel

De passie van… Jaap Schrijver *

Algemeen

De passie van… Jaap Schrijver *

‘ik denk dat er meer op individueel niveau gewerkt moet gaan worden’

Hoe bent u in de voedingssector terecht gekomen?
Ik begon in 1965 met de studie Biochemie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Nadat ik deze studie in 1971 had afgerond, werd mij gevraagd om als onderzoeker te gaan werken op de afdeling Biochemie van de Medische Faculteit Rotterdam (nu bekend onder de naam Erasmus Universiteit Rotterdam). Daar heb ik onderzoek gedaan naar
het gebruik van bloedplaatjes bij het diagnosticeren van aangeboren stofwisselingsziekten.

Hierna startte ik in 1972 met een promotieonderzoek op de afdeling Ontwikkelingsbiochemie van de Universiteit van Groningen. Ik deed onderzoek naar de ziekte van Leigh, ook wel subacute necrotiserende encefalopathie genoemd. Dit is een zeldzame erfelijke aandoening waarbij de hersencellen worden aangetast. Na mijn promotie ben ik bij het toenmalige Centraal Instituut voor Voedingsonderzoek van TNO (CIVO–TNO) gaan werken. Ik kwam terecht op de afdeling Klinische Biochemie waar ik mij heb bezig gehouden met analyses van vitamines in voedingsmiddelen, bloed, weefsels en diervoeding. Mijn eerste voedingsonderzoek richtte zich op de vitaminestatus van bejaarden. Ik denk dat de overstap naar de voedingswereld toen echt tot stand is gekomen. Na twaalf jaar bij het CIVO ben ik in 1991 gaan werken voor de Verenigde Bedrijven Nutricia op het hoofdkantoor in Zoetermeer. Eén van mijn twee taken was het toezien op de juiste toepassing van de wetgeving (Europese Unie en Codex Alimentarius) op bijzondere voedingsproducten (voeding bedoeld voor kinderen onder de drie jaar en klinische voeding), afslankproducten, zuivelproducten, sportvoeding en voedingssupplementen. Mijn andere taak was een bijdrage leveren aan het verbeteren van de bestaande wetgeving en aan het ontwikkelen van nieuwe wetgeving. Eén van de mijlpalen is geweest dat wij als eerste een aantal nieuwe voedingsmiddelingrediënten (novel food ingredients) goedgekeurd hebben gekregen voor gebruik in voeding bedoeld voor zuigelingen vanaf de geboorte.

Wat houdt uw huidige werk in?
Toen ik in 2009 op 62-jarige leeftijd met vervroegd pensioen kon gaan, heeft Danone mij gevraagd te blijven werken. We spraken toen een 50% aanstelling af totdat ik 67 zou zijn geworden. Sinds 1 juni dit jaar ben ik dus met volledig pensioen. Wel ben ik nog als consultant actief m.b.t. wetgeving voor producten voor bijzondere voeding bedoeld voor kinderen onder de drie jaar. Momenteel wordt er op Europees niveau gewerkt aan een nieuwe wetgeving voor volledige zuigelingenvoeding (0-6 maanden) en opvolgzuigelingenvoeding (6-12 maanden) en wellicht binnenkort ook voor peutermelk (1-3 jaar). Ook op wereldwijd niveau (Codex Alimentarius) loopt een vergelijkbare activiteit.

Wat zou u nog onderzocht willen zien?

Graag zou ik zien dat er een betere onderbouwing van voedingsadviezen komt. Vanuit de epidemiologie werden en worden er aanwijzingen gevonden voor goede voeding en het voorkómen van ziekten, maar toch vallen veronderstelde relaties vaak nog door de mand. Ik zou graag willen weten wat waar is en wat dus nu echt een gezonde voeding is.

Ik denk dat er misschien meer op individueel niveau gewerkt moet gaan worden. Het is moeilijk voor consumenten om vanuit de Richtlijnen Goede Voeding een gezond voedingspatroon te kiezen. Ze hebben een duidelijke boodschap nodig. Ik hoop dan ook dat onderzoek naar hoe het lichaam met bepaalde voedingspatronen omgaat (bijv. bij een vleeseter, viseter versus vegetariër), kan leiden tot een meer individuele benadering.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 7/8 van juli/augustus 2014 op bladzijde 19

Reageer op dit artikel