artikel

De opkomst van voedingsgoeroes – vloek of zegen? *

Algemeen

De opkomst van voedingsgoeroes – vloek of zegen? *

Voedingswetenschappers en diëtisten maken zich grote zorgen over de hoeveelheid onjuiste informatie over voeding die in de media circuleert. Deze is soms afkomstig van mensen die zich ‘voedingsexpert’ noemen. Maar het ontbreekt hen aan kennis en opleiding om dit ook daadwerkelijk te zijn, vindt de voedingswetenschap. Is de opkomst van deze zogenaamde voedingsgoeroes een bedreiging of juist een zegen? Belanghebbenden (zie boven en kader) reageren aan de hand van zes stellingen.

1. Er moet wetgeving of een keurmerk komen om de wildgroei aan voedingsgoeroes te stoppen.
Stephan Peters: ‘Voedingsgoeroes zullen er altijd zijn. Het heeft weinig zin om dat aan te pakken met keurmerken en dergelijke. Bovendien, er is al een kwaliteitskeurmerk: diëtist. Diëtisten zijn dé specialisten op het gebied van gezond eten. Voor de prijs van een voedingsgoeroeboek heb je al bijna een diëtistconsult. Dat is beter besteed geld.’

Yneke Vocking is heel duidelijk: geen keurmerk. ‘Tegenwoordig heeft iedereen een eigen site. Daarop kun je goed je visie uitdragen aan je doelgroep. Een keurmerk voegt daar niet veel aan toe. Ik denk zelfs dat de gemiddelde consument keurmerken eerder wantrouwt dan gebruikt in zijn beslissing. En voor experts en/of goeroes wordt het keurmerk dan een stempel om te laten zien bij welk kamp hij hoort. Alsof het om een kennisoorlog gaat. Lijkt me onnodig en onwenselijk.’

Ingeborg Brouwer: ‘We hebben een registratie van ‘wetenschappelijk voedingskundigen’ bij de Nederlandse Academie van Voedingswetenschappen (NAV). Het moet duidelijker worden dat hier de mensen geregistreerd zijn die goed wetenschappelijk opgeleid zijn en daardoor weten waar ze het over hebben. Een ander keurmerk of wetgeving lijkt mij zinloos.

Er zijn immers genoeg wegen om die te omzeilen. Kijk maar eens hoeveel mensen met een medische opleiding, maar geen voedingskundige achtergrond, soms zelfs nauwelijks voedingskundige kennis, een mening verkondigen over wat goede voeding is. Je kunt dit alleen bestrijden door steeds weer geduldig te verkondigen hoe het echt zit en waarom dat zo is.’

Marianne Kramer staat ook niet popelen om een keurmerk. ‘Dit zou betekenen dat ook geformuleerd moet worden wat het keurmerk inhoudt en dat vergt veel communicatie-inspanningen. Deze zouden beter ingezet kunnen worden voor heldere informatie over de verschillende professionals die met voeding te maken hebben. Bovendien wordt met een keurmerk een scheiding gemaakt tussen “goed” en “fout”. Wij zijn van mening dat er geen “foute” voedingsmiddelen en adviezen zijn. Voor ieder persoon geldt een uniek advies, hij/zij verkeert in een unieke situatie en is daarom gebaat bij advies wat op dat moment voor hem/haar geschikt is.’

Chris Verburgh wil allereerst benadrukken dat hij geen voedingsgoeroe is maar arts en onderzoeker die voeding vanuit een ander gezichtspunt bekijkt dan de klassieke voedingsleer. ‘Bij een keurmerk hoort ook een instantie, ik vrees dat de voedingsindustrie die dan zal proberen te beïnvloeden. Ik pleit dan ook voor het opzetten van verschillende instituten die diverse wetenschappelijke disciplines vertegenwoordigen, het liefst internationaal. Een keurmerk alleen gebaseerd op de klassieke voedingswetenschap is te nauw.’

Willy Gilbert-Peek vindt dat er in ieder geval wel iets moet gebeuren. ‘Ik kan niet overzien of wetgeving of een keurmerk de oplossing zou zijn.’

2. Diëtisten en verschillende betrouwbare voedingsorganisaties moeten juist samenwerken met zelfbenoemde voedingsexperts om Nederland gezonder te maken.
Brouwer: ‘
Dit blijft een lastig punt. Het probleem is dat het bijna altijd gaat om aanpassingen in de voeding die wel een tijdje gemaakt kunnen worden, maar die op de lange termijn niet haalbaar zijn. We schieten er weinig mee op om mee te gaan met hypes. Het is gelukkig maar zelden zo dat de voorschriften van de zelfbenoemde experts tot gezondheidsproblemen zullen leiden. Als dat het geval is moeten we natuurlijk direct actie ondernemen en mensen wijzen op de gevaren.’

Verburgh vindt samenwerking belangrijk. ‘Officiële instanties zoals het Voedingscentrum moeten open staan voor nieuwe ideeën. De Schijf van Vijf is ook maar een model een benadering, ik ben benieuwd hoe ze hier mee verder gaan. Ook mijn voedingszandloper is niet in steen gebeiteld. Bij gefundeerde kritiek ben ik altijd bereid deze aan te passen.’

Het Voedingscentrum is te allen tijde bereid met andere partijen samen te werken, stelt Peters. ‘Ik denk dat de meeste goeroes hetzelfde doel hebben als het Voedingscentrum: Nederland gezonder maken. Dat is een gezamenlijk uitgangspunt. Dat is ook het uitgangspunt van de gesprekken die ik heb met partijen die met ons willen praten.’

Gilbert is nog niet zo overtuigd van een succesvolle samenwerking. ‘Het klinkt sympathiek, maar ik betwijfel of dit zou werken.’

Vocking acht dit wel mogelijk. ‘Diëtisten en voedingskundigen baseren hun verhaal grotendeels op de consensus die er is binnen de wetenschap. Maar wetenschap ontstaat vanuit nieuwsgierigheid. Vragen stellen. Kennis van de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen wordt nu vaak met enige arrogantie ingezet. Die houding leidt tot een verdediging van de consensus als vaststaand feit. En met verdedigen kom je niet verder in de discussie. Ik citeer Johan van Benthum (professor logica): “Wetenschap is een vorm van georganiseerde discussie, en de kracht van de wetenschap zit hem in de kwaliteit van die discussie. Het feit dat we steeds meningsverschillen bespreekbaar maken, daar halen we de vooruitgang uit.”’

Kramer reageert: ‘Hier is de BGN het mee eens. Iedereen heeft een bepaalde kracht en door uit te gaan van de eigen kracht en open te staan voor elkaars ideeën en mening, ontstaat er respect voor elkaar, kan men van elkaar leren en eventueel elkaar aanvullen.’

3.De opmars van voedingsgoeroes toont het falen van de voedingswetenschap en diëtetiek.
Zo simpel ligt dit niet, vindt Gilbert-Peek. ‘Ieder mens weet eigenlijk wel dat het leven niet in te delen is in zwart/wit, goed/fout, gezond/ongezond, maar zeer genuanceerd is. Alleen vinden veel mensen het prettig om duidelijke antwoorden te krijgen. Dat wordt vaak door goeroes geboden. Wetenschap en diëtetiek geven een genuanceerder beeld, wat meer past bij de werkelijkheid, maar die wordt vaak minder gewaardeerd.’

Vocking: ‘Het falen van de wetenschap zou in het feit schuilen dat we niet vooruit willen met zijn allen. Goede wetenschap zou het niet moeten hebben van goede marketing. Voedingswetenschap is niet exclusief iets wat op universiteiten wordt bedreven. Ik ben het met vele goeroes niet eens. Maar het maakt me wel nieuwsgierig hoe ze tot die visie zijn gekomen en welk mechanisme er oorzaak van is. En wat we daarvan kunnen leren. Ik ben ook vaak in de valkuil gestapt om in discussie te gaan met de insteek om eens even te bewijzen dat ze onzin verkondigen. Daar kom je geen stap verder mee. Het is veel interessanter om te laten zien waar je het wel over eens bent. Ook al voelen sommige goeroes zich daar ook niet comfortabel bij.’

Brouwer: ‘Met deze stelling ben ik het niet eens. Het probleem is dat mensen levenslang hun gedrag moeten aanpassen en dat is verschrikkelijk moeilijk. Dat lukt de goeroes ook niet. Het gaat steeds om hypes. Mensen gaan een tijdje mee met zo’n hype. Dan blijkt het toch lastig vol te houden en haken ze af.’

Kramer vindt het belangrijk de nuance te zoeken in al die voedingshypes. ‘Het feit alleen al dat de consument gehoor geeft aan allerlei hypes en deze opvolgt, laat zien dat hij openstaat voor bepaalde informatie. Wij vinden het een taak van de voedingswetenschap om heldere informatie over voeding te verstrekken. De BGN-gewichtsconsulent kan de cliënt informeren over gezonde voeding en voedselkeuze die past bij de persoon. Door de cliënt niet eenzijdig te informeren en door niet te denken in “goed en fout”, kan deze cliënt een voor hem passende keuze maken. Het nadeel van de hypes is dat het vaak gaat om extremen. Maar in de werkelijkheid is er altijd nuance. De consument krijgt vaak het halve verhaal te horen en raakt daardoor het spoor bijster.’

Peters: ‘Integendeel. Voedingsgoeroes hebben ontelbaar veel verschillen met elkaar, maar ze hebben één ding gemeen: ze verzetten zich tegen de Schijf van Vijf en de meeste diëtisten. Als al die verschillende goeroes, die het ook niet met elkaar eens zijn, zich allemaal tegen de Schijf van Vijf afzetten, geven ze aan dat de Schijf de standaard is. Dat is een mooi impliciet compliment.’

Verburgh is het deels eens met de stelling. Hij laakt de aanbevelingen gebaseerd op de klassieke voedingswetenschap. ‘Die helpen mensen met concrete problemen niet vooruit. De voedingswetenschap faalt op het vlak van gezondheid.’ Hij wijst op de stijging van het aantal diabetici en het probleem van overgewicht waarmee ook Nederland kampt. ‘Dat je je aan de Schijf van Vijf moet houden, meer moet bewegen en gevarieerd moet eten, weet iedereen wel. In mijn boek schrijf ik dat mensen minder brood moeten eten. Maar ik ben echt geen vijand van brood. Een klassieke diëtist zegt “volkorenbrood is gezond”. Maar als je hier zeven sneetjes van eet dan schiet je glycemische index (GI) omhoog: minder brood eten dus. Vaak maakt de consensus-wetenschap een knieval voor plaatselijke voedingsgewoontes.’

4.Voedingsgoeroes maken Nederland niet gezonder, ze bereiken juist het tegendeel.
Vocking: ‘
Wat ik de afgelopen jaren zelf zie is winst op alle terreinen. Gemiddeld Nederland was door dieetboekjesmiljonairs vooral gefocust op gewicht en afvallen. Wat de huidige boekenschrijvers hebben bereikt is aandacht voor voeding en gezondheid. Het gaat niet meer over de kilo’s maar over voedingswaarde. Niet vullen maar voeden. En dat is winst. We hebben dus meer goeroes nodig. De volgende stap zou moeten zijn dat we ook de mensen bereiken die het heel hard nodig hebben. Meer dan de goeroeboekenlezers. Frans Bauer of Melisa van der Meijde zou zich moeten opwerpen als leefstijlgoeroe. Ik denk dat SBS6 er wel een leuk tv-format van weet te maken. Zodat heel Nederland kan zien dat Frans of Melisa het lastig vinden om hun leefstijl om te gooien en op zoek gaan naar wat wel werkt voor hen. En daar mogen ze wat mij betreft best wat onzin-oneliners voor gebruiken.’

Gilbert-Peek gelooft niet dat ‘goeroes’ echt helpen Nederland gezonder te maken. ‘Ze leiden af van de kernboodschap, veroorzaken twijfels en schuldgevoelens en leiden zeker niet tot lange termijn gezondheidswinst.’

Brouwer sluit zich hierbij aan. ‘Al die verschillende boodschappen maken het voor de consument inderdaad niet gemakkelijker om te begrijpen wat nu gezond is en wat niet. Vroeger was dat probleem er ook al, alleen tegenwoordig wordt dit uitvergroot door het internet. Vroeger kon je als echte expert nog wel reageren op de enkele goeroe die op tv kwam, maar tegenwoordig waart er zoveel rond op het internet dat reageren niet meer doenlijk is.’

Het is niet de bedoeling van voedingsgoeroes om Nederland ongezonder te maken, is Peters overtuigd. ‘Dat is in ieder geval niet hun intentie. Het is wel verwarrend voor de consument.’

Verburgh: ‘Dat durf ik niet te zeggen. Als de adviezen van de goeroes in lijn zijn met de wetenschap is het goed.’ De arts herhaalt dat alleen uitgaan van voedingswetenschap te beperkend is.

5.Voedingsgoeroes bereiken doelgroepen die de voedingswetenschap en diëtetiek niet kunnen bereiken.

Gilbert-Peek: ‘Ze bereiken wel een andere doelgroep, maar of dat leidt tot een gezonder eetpatroon betwijfel ik.’

Peters: ‘Ik denk dat als je naar de afzetmarkt van de voedingsgoeroes kijkt, dat het vooral de hoogopgeleide gezonde mensen zijn. Die het eigenlijk qua gezondheid al goed doen. Hier komt mijn kritiek uit voort op het ‘voedingsdebat’ dat al een tijd gaande is. Het zijn blogs en boeken van voedselgoeroes voor, door en over elkaar. De grote vergeten groep, die absoluut niet bereikt wordt in dit debat, zijn juist de mensen die het het hardst nodig hebben: de laagopgeleiden in achterstandswijken. Die kunnen niets met dat debat. Als Voedingscentrum willen we onze energie vooral steken in die “vergeten groep in het voedseldebat”.’

Brouwer is ervan overtuigd dat de diëtiek en voedingsgoeroes dezelfde doelgroep(en) bereiken. Het probleem is dat mensen een magic bullet willen, maar die krijgen ze niet. Dat kunnen we niet veranderen. De meest succesvolle veranderingen in de voeding zijn die waarvoor mensen hun gedrag niet hoeven te veranderen. In Nederland zijn er weinig mensen met jodiumtekort, omdat ons zout en brood gejodeerd is. De inname van transvet is sterk verlaagd sinds begin jaren 90. Mensen kunnen dus dezelfde producten blijven gebruiken, maar door de verbeterde samenstelling eten ze gezonder.’

Kramer: ‘Dit vind ik een niet-onderbouwde stelling. Wat is dan de doelgroep van de goeroe en wat is die van de diëtist? Hoe weet je of dit wel of niet dezelfde doelgroep is? Is de doelgroep van de diëtist wel duidelijk geformuleerd en is de marketing en informatieverstrekking daar wel of niet op aangepast?’

Verburgh: ‘Dat kan. Sommige goeroes doen mensen nadenken over hun voeding en schudden ze wakker. Hun adviezen op blogs en internet moeten wel op wetenschap gebaseerd zijn en de gezondheid bevorderen.’

6.Diëtisten moeten net als de goeroes commerciëler worden en zich meer profileren.
Peters kan zich hier niet in vinden. ‘Ik zie vaak dat als diëtisten commerciëler gaan worden ze ook worden opgeslokt in het voedseldebat. De overgrote meerderheid van diëtisten die je niet in dat debat ziet, zijn de besten, want die zijn 100% met hun cliënten bezig. Daar heb ik groot respect voor. Ik denk dat de beroepsverenigingen van diëtisten hier een taak hebben: het profiel van de diëtist beter uitleggen. Daar is een mooie aanzet mee gemaakt met dieetditdieetdat van de NVD. Een prachtig initiatief dat we als Voedingscentrum ook graag ondersteunen. We hebben in Nederland zowat de beste diëtisten in Europa rondlopen met een hoog opleidingsniveau. Dat moet meer uitgedragen worden.’

Brouwer meent dat diëtisten vooral niet mee moeten gaan in voedingshypes. Ze moeten naar mijn mening vooral zorgen dat ze goed op de hoogte zijn van echte voedingskennis van echte experts en deze uitdragen. Diëtisten moeten aangeven dat zij evidence-based werken en vooral niet meegaan in de hypes.’

Gilbert-Peek: ‘Het is voor diëtisten belangrijk om uit te dragen wat hun meerwaarde is en daar aan vast te houden. Ik kom veel mensen tegen die aangeven genoeg te hebben van al die verwarrende berichten en blij zijn met mijn adviezen. Ik denk dat er een kentering gaat komen. Als je maar lang genoeg jezelf blijft, word je vanzelf bijzonder. Ik heb dit uit een tv-reclame, maar ik ben ervan overtuigd dat het klopt.’

Kramer: ‘Als voorzitter van de BGN kan ik hier niet over oordelen. Wat ik wel weet is dat ónze leden (BGN-gewichtsconsulenten, red.) bijna allemaal een eigen onderneming hebben. Zij hebben zich vanaf het begin moeten positioneren in de markt. Dat betekent dat ze helder moeten hebben wat hun markt is, wie hun doelgroep is, welke marketinginstrumenten zij gebruiken.’

Vocking: ‘Diëtisten moeten naar mijn idee blijven doen waar ze goed in zijn en waar ze zich in onderscheiden. Hun visie goed verwoorden en misschien nog meer coach worden dan ze nu al zijn. Voedingsgoeroes zitten vaak op productniveau. Havermout en sojamelk. Terwijl het uiteindelijk gaat om de hele leefstijl en het beklijven van nieuw en beter gedrag…’

Verburgh: ‘Ik denk dat dit geen goed idee is. Houd je aan de wetenschap zonder je in te laten met commercie. Anders krijg je ook commerciële belangen waar je rekening mee moet houden, bijvoorbeeld die van de voedingsindustrie. Ook diëtisten zijn hier niet immuun voor. Door de commerciële belangen die in de VS om voeding hangen, beschouwen ze een pizza daar als groente. In Nederland krijgen diëtisten informatie toegestuurd van voedingsbedrijven over bijvoorbeeld ontbijtgranen die boordenvol suikers zitten. En die moeten ze dan aanbevelen aan kinderen? Als ze zich profileren en ze maken mensen echt gezonder, dan is er niets aan de hand.’

Discussiepanel
Dr. Stephan Peters,
manager Kennis en Kwaliteit van het Voedingscentrum. In 2009 promoveerde hij aan de Universiteit van Utrecht op onderzoek naar de effecten van voeding op onvrijwillig gewichtsverlies bij kanker (cachexie). Sinds 2007 werkt hij bij het Voedingscentrum.
Ir. Yneke Vocking, voedingskundige en docent aan de Academie voor Leefstijl en Gezondheid.
Ze werkte vier seizoenen voor het programma De Afvallers van SBS6 en schreef voor De Telegraaf.

Dr. Kris Verburgh is arts en onderzoeker. Hij doet onderzoek aan het Center Leo Apostel for Interdisciplinary Research (CLEA) aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB). Verburgh publiceerde drie boeken waarvan De voedselzandloper, over de invloed van voedingsmiddelen op het verouderingsproces, het meest recente is.

Willy Gilbert-Peek, voorzitter van Diëtisten Corporatie Nederland (DCN). Gilbert heeft al ruim 28 jaar haar eigen diëtistenpraktijk en geeft daarnaast les op het DaVinci College in Dordrecht en het Albeda College.

Dr. Ir. Ingeborg Brouwer, voedingswetenschapper aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Haar onderzoeksgebieden zijn: vetzuren, voedingspatronen, voeding en depressie, foliumzuur en vitamine B12 en voeding en hartziekten.

Marianne Kramer, voorzitter Beroepsvereniging Gewichtsconsulenten Nederland (BGN). Gewichtsconsulent Kramer heeft haar eigen praktijk
‘Gewicht in Beweging’ waar ze mensen adviseert die gezond en verantwoord willen afvallen.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 10 van oktober 2014 op bladzijde 11

Reageer op dit artikel