artikel

‘Een advies kun je niet alleen vanachter je tafel schrijven’ *

Algemeen

‘Een advies kun je niet alleen vanachter je tafel schrijven’ *

Beweging dichter bij voeding brengen en voeding dichter bij beweging. Kortom, voeding en beweging in goede balans brengen, zowel bij (top)sporters als in het dagelijkse leven. Dat is in een notendop het doel voor veel studenten aan het Instituut van Sport en Bewegen aan de HAN Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Behalve een regulier programma biedt de opleiding een minor Sportvoeding aan, ook internationaal, waar veel instroom is van studenten van buiten de HAN.

In het gebouw van Sport en Bewegen in Nijmegen lopen de studenten in trainingskleding af en aan. Buiten valt een forse lentehagelbui, de sportvelden voor het onderwijsgebouw zijn leeg. ‘Als je hier gisteren was geweest, toen de zon scheen, had je kunnen zien hoe groepjes studenten voortdurend gebruikmaken van de velden’, zegt sportdiëtist Floris Wardenaar, die als hoofddocent verbonden is aan de afdeling Sport, beweging en voeding van HAN en vanuit zijn positie ook zitting neemt in het team Voeding van NOC*NSF.

Het instituut Sport en Bewegen huisvest drie hoofdopleidingen, de Academie voor Lichamelijke Opleiding, ALO (die hoofdzakelijk gymleraren opleidt); Sport en bewegingseducatie (onder andere gericht op het stimuleren van beweging bij moeilijk bereikbare groepen) en Sport en Gezondheidsmanagement (gericht op de implementatie van gezondheidsbeleid rond sport, bijvoorbeeld bij de overheid). Na de eerste twee basisjaren van deze opleidingen kunnen studenten zich anderhalf jaar specialiseren binnen hun beroepsprofiel. Daarnaast kunnen ze nog kiezen voor de minor voeding en beweging.

Behalve op onderwijs richt het HAN-instituut zich nog op twee andere poten. Enerzijds op onderzoek, waarin onder andere wordt samengewerkt met verschillende universiteiten. Om het onderzoek te stimuleren werden begin dit jaar twee lectoren aangesteld op het gebied van voeding, sport en gezondheid; Luc van Loon (Maastricht Universiteit) en Marian de van der Schueren (VU Amsterdam). Anderzijds is het instituut gericht op consultancy binnen het zogenoemde SENECA-project, een expertisecentrum voor sport, arbeid en gezondheid. In SENECA wordt bijvoorbeeld samengewerkt met NOC*NSF voor de (voedings)begeleiding van (top)sporters.

Onderzoekslijnen
‘We hebben een onderzoekslijn die zich richt op de effectiviteit van sportvoedingsinterventies, waarin we het effect van nitraat op sportprestaties onderzoeken’, licht Wardenaar toe. Het wordt samen met de groep van Luc van Loon in Maastricht uitgevoerd. ‘Het testen en meten van sporters gebeurt binnen ons team aan de HAN. In  een andere onderzoekslijn wordt gekeken naar de voedingsinname van wedstrijdsporters. Er is al veel bekend over de inname van niet-sporters via de VCP bijvoorbeeld, maar nog niet over hoe je de inname van sporters het beste meet.’ En aan dit laatste onderzoek is Wardenaar zelf verbonden door zijn promotieonderzoek aan Wageningen Universiteit. ‘Daarnaast zijn er nog enkele kleinere onderzoekslijnen die opleidinggerelateerd zijn’, vervolgt hij. ‘Bij de ALO bekijken onze studenten die opgeleid worden tot gymdocent tijdens hun stageperiode of ze op basis van de prestaties van leerlingen in de les kunnen voorspellen of er iets met hun voedingsstatus aan de hand kan zijn. We hopen dat als we vaak testen en de pool groot genoeg maken we correlaties kunnen aantonen. De hypothese is dat kinderen die over het algemeen een mindere kwaliteit voeding hebben ook meer naar de ondergrens van het presteren zitten. Het zou natuurlijk leuk zijn als we via beweging wat te weten komen over het voedingspatroon.’

Sportvoeding versus diëtetiek
Collega-docent Gert Vriend geeft les in verschillende jaren van de HAN-opleidingen en is ook coördinator van de minor Sport en Voeding waar jaarlijks zo’n honderd studenten aan meedoen. De belangstelling is groot. ‘Ik denk dat twee derde van de studenten voor deze minor van buiten ons instituut komt’, weet Vriend. ‘In Nederland is het de enige minor die alle facetten van voeding en beweging meeneemt. Deelnemers worden breed onderwezen, zowel als het gaat om de topsport of de breedtesport of om manieren om mensen gezond aan het bewegen te krijgen. ’ Wardenaar vult aan: ‘Het aantal masters op het gebied van sport en voeding is in Europa op een hand te tellen, onze minor is erop gericht advies te geven in de praktijk. Onze docenten werken voor een groot deel van hun tijd met topsporters of met talentengroepen.’

Evenals Wardenaar werd Vriend opgeleid als diëtist, in Nijmegen. In hoeverre is er overlap met de diëtistenopleiding daar?  Wardenaar: ‘Beide opleidingen hebben een andere aanvliegroute, wij kijken vanuit beweging naar voeding en zitten meer aan de preventieve kant, terwijl de diëtisten vanuit hun paramedische perspectief vanuit voeding naar beweging kijken en meer aan de curatieve kant zitten. We moeten wel goed blijven kijken naar onze positionering. ’ Vriend: ‘De samenwerking tussen beide opleidingen is goed en er komen vanuit de diëtetiekopleiding ook docenten in onze minor lesgeven. Logisch, want het draait hier om de combinatie van bewegen en voeding. Ik zie dat diëtisten zeer voedingsminded zijn, ook logisch, maar ik zie ook dat het beweegaspect in de praktijk nog te weinig wordt belicht. Als je mensen op weg wilt helpen naar een gezonde leefstijl, heb je eigenlijk meer inzicht in beweging nodig. In de minor wordt geleerd hoe je mensen een-op-een in hun voeding en beweging kunt begeleiden of hoe je groepen sporters kunt begeleiden. Hoe achterhaal je een probleem en welke stappen zet je daarin. We werken met veel casussen uit de praktijk. Hoorcolleges bieden we ook digitaal aan, waardoor we tijd hebben om vooral de praktijk aan bod te laten komen in het klaslokaal.’ Wardenaar vult aan: ‘Het is goed dat diëtisten gericht zijn op voeding, maar voor een goed advies moet je zien wat mensen in de praktijk doen, zeker als ze sporten. Een advies kun je niet alleen vanachter je tafel schrijven. In de nieuwe minor zullen we studenten aansporen hun eigen casussen te laten maken en onderzoeken.’

Baanmogelijkheden
Vriend denkt dat er in de nabije toekomst voor afstudeerders meer mogelijkheden zijn om aan een baan te komen. ‘Een minor op het gebied van voeding en beweging geeft meerwaarde. Veel mensen hebben overgewicht of leven ongezond. Ook zijn er steeds meer sporters die op allerlei manieren beter willen worden. Als je mensen op lange termijn wilt begeleiden naar een gezonder bestaan, dan moet je voeding en beweging combineren.’

Twee studenten vertellen
Nienke Maas (23) is vierdejaars student Sport, Beweging en Voeding aan de HAN. Ze begon eraan omdat ze sporten erg leuk vond. ‘Ik heb ook aan de ALO gedacht, maar het lesgeven sprak me niet zo aan. In deze opleiding dacht ik iets te kunnen gaan betekenen voor de mensheid door middel van sporten, wat ik zo leuk vond. Ik heb in mijn opleiding de kant van voeding gekozen en zou na mijn studie wel als leefstijlcoach aan de slag willen.’

Kiki Swanenburg (24) is eveneens vierdejaars student Sport Beweging en Voeding. ‘Ik was voor ik aan deze opleiding begon zes dagen in de week aan het sporten – voetballen en tennissen – alleen op vrijdag was ik vrij. Een opleiding met sport lag me na de middelbare school iets te veel voor de hand. Ik wilde ook wat meer uit mijn VWO halen, dus ben communicatiewetenschappen gaan studeren, maar na een paar maanden kwam ik erachter dat ik toch in de richting van sport mijn studie moest gaan zoeken.  Of in ieder geval een studie moest doen die ik leuk vond. Of ik er later ook mijn werk van ga maken, is nog even de vraag.’

De studenten studeren samen af en onderzoeken momenteel het effect van voedingsinterventies op het welzijn van ouderen. Kiki: ‘Onlangs is er door de HAN een voedingsrichtlijn opgesteld voor jeugdige topsporters. Wij zijn die aan het vertalen naar de doelgroep ouderen volgens het principe van sense of coherence, wat betekent dat we kijken naar het gevoel van samenhang. Mensen die een hoge sense of coherence hebben, blijken vaker te bewegen en aan de beweegnorm te voldoen of aan de Richtlijnen goede voeding. Ze zijn meer in staat hun leven gezond in te richten.’

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 5/6 van mei/juni 2015 op bladzijde 22

Reageer op dit artikel