artikel

Koolhydraten en suikers, de grote boosdoeners? (deel 1)

Algemeen

Koolhydraten en suikers, de grote boosdoeners? (deel 1)

Koolhydraten zijn samen met vet belangrijke energiebronnen in onze voeding. De plaats van koolhydraten in een gezonde voeding ligt echter onder vuur.

Datzelfde geldt voor suikers. Zijn ze werkelijk zo ongezond als sommigen beweren? Is er voldoende wetenschappelijk bewijs om de aanbevelingen inzake koolhydraten en suikers drastisch te herzien?

De discussie over de gezondheidseffecten van vetten, koolhydraten en suikers is als een klepel die heen en weer slingert. Nu is het ene nutriënt en dan weer een ander de oorzaak van overgewicht en hieraan gerelateerde chronische aandoeningen. Verschillende dieettrends volgen elkaar op. Er zijn enerzijds diëten waarbij koolhydraten van vetten gescheiden moeten blijven (bijvoorbeeld Montignac) en anderzijds diëten die veel vet en weinig koolhydraten als gezonder beschouwen (zoals Atkins). Dat de slinger nooit helemaal tot stilstand is gekomen, is een teken dat er nog geen algemene consensus is over de ideale verdeling tussen de macronutriënten. Voor zover die überhaupt bestaat. De discussie over de rol van koolhydraten en (toegevoegde) suikers woedt momenteel in volle hevigheid.

Huidige aanbevelingen

Voedingsaanbevelingen vormen de wetenschappelijke basis voor een efficiënt voedings- en gezondheidsbeleid en een effectieve voedingsvoorlichting. Voedingsaanbevelingen zijn gericht op een adequate voorziening van alle essentiële voedingsstoffen en op de preventie van chronische aandoeningen zoals overgewicht, hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en bepaalde vormen van kanker. Het opstellen van voedingsaanbevelingen wordt voorafgegaan door een grondige literatuurstudie van de meest recente onderzoeksresultaten. Op dit moment zijn meerdere nationale instanties, waaronder die van Nederland en België, en internationale instanties, zoals de EFSA, de nutritionele aanbevelingen aan het herevalueren. Het aandeel dat koolhydraten en suikers optimaal leveren aan de energie-inname maakt hiervan zeker deel uit. Totdat de nieuwe aanbevelingen worden gepubliceerd, vormen de bestaande richtlijnen de beste basis voor een degelijk voedingsadvies.

De wijze waarop de aanbevelingen voor koolhydraten en suikers in de verschillende landen zijn uitgedrukt, is niet uniform, wat de vergelijking soms bemoeilijkt (tabel 1). Wereldwijd ligt de aanbevolen verhouding tussen de macronutriënten binnen de volgende grenzen: 45-55 energieprocent (en%) koolhydraten, 30-40 en% vetten en 10-20 en% eiwitten (1). De meeste instanties formuleren aparte aanbevelingen voor verteerbare koolhydraten en voedingsvezels (uitgedrukt in gram/dag). Sommige instellingen, zoals de WHO (World Health Organisation), beschouwen voedingsvezels als een deel van de totale aanbevolen hoeveelheid koolhydraten. Omdat voedingsvezels weliswaar niet worden verteerd in de dunne darm, maar wel energie kunnen leveren na fermentatie in het colon, ligt de WHO-aanbeveling voor koolhydraten in en% hoger dan bij andere instanties (2).

Oorspronkelijk werden de aanbevelingen voor koolhydraten zo opgesteld dat hun aandeel in de energieaanbreng voldoende groot was om het aandeel van vetten en eiwitten binnen aanvaardbare grenzen te houden. Meer en meer evolueren de aanbevelingen, ook die voor koolhydraten, echter naar optimale hoeveelheden met minimum- en maximumgrenzen.

Vrije of toegevoegde suiker

Er is een vrij brede consensus dat complexe koolhydraten de voorkeur krijgen boven toegevoegde, enkelvoudige suikers. Daarom worden steeds vaker ook specifieke aanbevelingen opgesteld voor suikers. De manier waarop deze aanbevelingen worden geformuleerd is ook hier niet eenduidig (1,6).

De term suiker staat in eerste instantie voor mono- en disacchariden. De Amerikaanse, Scandinavische en Belgische aanbevelingen bevatten richtlijnen voor zogenaamde toegevoegde suiker. Mono- en disacchariden die van nature in voedingsmiddelen aanwezig zijn, worden hierin niet meegeteld. De oorspronkelijke WHO-richtlijn (2003) omschreef vrije suikers als mono- en disacchariden die door de producent, de kok of de consument worden toegevoegd aan voeding of dranken tijdens het bereidingsproces voor consumptie. In de nieuwe WHO-richtlijn gepubliceerd in 2014, werden in de omschrijving van vrije suikers ook de suikers van nature aanwezig in honing, siroop en vruchtensap en -concentraat toegevoegd. Deze nieuwe definitie stuitte op heel wat kritiek. Veel voedingsdeskundigen zijn van oordeel dat de aanbeveling op die manier voor verwarring kan zorgen. Waarom worden suikers in fruitsap beschouwd als vrije suikers en suikers in fruit of melk niet? Men vreest dat een niet duidelijk omschreven definitie ertoe kan leiden dat de richtlijn niet goed wordt begrepen. Bovendien beveelt de WHO aan om de inna- me van vrije suikers, indien mogelijk, te beperken tot 5 en%. Een beperking van 10 en% vrije suikers (of toegevoegde suiker), zoals nu aangegeven is in de Belgische voedingsaanbevelingen, is voor ons huidige voedingspatroon al streng. Een verdere beperking tot 5 en% is daarom mogelijk weinig realistisch (7,8).

Consumptie van toegevoegde suikers in Nederland

Recent werd de consumptie van toegevoegde suikers in Nederland berekend aan de hand van de nieuwe gegevens van de Nederlandse Voedselconsumptiepeiling (VCP) van het RIVM. Deze resultaten werden gepubliceerd door het Wageningen University and Research Centre als Nederlandse Voedselconsumptiepeiling 2007-2010; onderdeel van de Nederlandse Voedselconsumptiepeiling; uitgevoerd door RIVM, Bilthoven; (2012-33), auteurs: Diewertje Sluik, Linde van Lee en Edith JM Feskens. De gegevens werden als volgt samengevat: ‘Toegevoegde suikers zijn gedefinieerd als alle mono- en disacchariden die tijdens de productie en bereiding van voedingsmiddelen worden toegevoegd. Alle ongeraffineerde suiker, witte en bruine suiker, honing, siroop en stroop vallen onder toegevoegde suikers. Van nature aanwezige mono- en disacchariden in onbewerkte producten en sappen, fruitconcentraten en brood vallen niet onder de term, evenmin als lactose in zuivelproducten. Op basis van deze definitie is een waarde voor toegevoegde suikers toegekend aan alle producten gerapporteerd in de VCP 2007-2010.

Met behulp van de Multiple Source Method (MSM) is de gebruikelijke dagelijkse inneming voor alle personen berekend. De gebruikelijke inneming van toegevoegde suikers was gemiddeld 71 g/d, de mediane inneming lag op 64 g/d en omgerekend bedroeg de consumptie 26 kg per jaar. De gemiddelde hoeveelheid energie uit toegevoegde suikers bedroeg 12 en%. Iets meer dan de helft van alle geconsumeerde mono- en disacchariden was toegevoegd, te weten 55%. Mannen hadden gemiddeld een hogere inneming van toegevoegde suikers dan vrouwen en jongeren een hogere inneming dan de ouderen. Mannen van 19-50 jaar hadden een gemiddelde inneming van 81 g/d (mediaan 74 g/d) en vrouwen van 19-50 jaar van 63 g/d (mediaan 57 g/d). De inneming onder mannen was het hoogst in de leeftijdscategorie 14-18 jaar (gemiddeld 106 g/d, mediaan 100 g/d) en bij vrouwen was dit onder meisjes van 9-13 jaar het hoogst (gemiddeld 92 g/d, mediaan 90 g/d). Het overgrote deel van bevolking (71%) had een energie-inneming uit toegevoegde suikers van 10 en% of meer; 83% had een inneming lager dan 20 en%.

Bij jongens en meisjes van 7-18 jaar was frisdrank veruit de belangrijkste bron (30% voor jongens en 26% voor meisjes), gevolgd door zuivelproducten, cake en koek. Bij mannen van 19-69 jaar leverde frisdrank ook de hoogste bijdrage (26%), gevolgd door suiker, honing en jam. Bij vrouwen van 19-69 jaar vormde frisdrank de hoogste bijdrage (18%), gevolgd door cake en koek.’

Feiten over koolhydraten en suiker

In de populaire pers en op het internet verschijnen veel foute interpretaties. Om de vele misverstanden die circuleren te counteren, volgen hier de feiten waarover een algemene consensus bestaat binnen de voedingswetenschappen (1,4,6,10).

  1. Koolhydraten komen voor in veel verschillende vormen. Ze worden meestal ingedeeld volgens de ketenlengte, de chemische samenstelling van de monomeren (koolhydraatbouwstenen of monosacchariden) en de manier waarop de monomeren met elkaar zijn verbonden. De drie belangrijkste groepen zijn suikers (mono- en disacchariden met respectievelijk 1 en 2 monomeren), oligosacchariden (3-9 monomeren) en polysacchariden (10 of meer monomeren).
  • Glucose (=dextrose), fructose
    (=vruchtensuiker) en galactose zijn
    monosacchariden.
  • Disacchariden kunnen uit twee dezelfde of twee verschillende
    soorten monosacchariden zijn
    opgebouwd.
  • Maltose bestaat uit twee glucosemoleculen.
  • Saccharose of sucrose (het gewone tafelsuiker, kristalsuiker of kortweg
    suiker) is een disaccharide opgebouwd
    uit een glucose- en een
    fructosemolecule (dus in een 50/50-
    verhouding).
  • Het disaccharide lactose (melksuiker) bestaat uit een
    galactose- en een glucosemolecule.
  • Het belangrijkste polysaccharide is zetmeel dat bestaat uit lange ketens
    van glucose-eenheden.
    Glucosepolymeren komen niet alleen
    voor in planten. Glycogeen is een
    glucosepolymeer dat voorkomt in
    dierlijk weefsel zoals vlees.
  • Kristalsuiker is afkomstig uit een natuurlijke plantaardige bron. Er is geen verschil in de samenstelling tussen rieten bietsuiker. In beide gevallen gaat het om hetzelfde disaccharide bestaande uit een glucose- en een fructosemolecule. De suiker wordt gezuiverd en alle andere stoffen worden verwijderd zodat er uiteindelijk alleen nog puur sucrose overblijft. Wij spreken dan van geraffineerde suiker. De chemische samenstelling van de suiker verandert niet door extractie en zuivering.
  • Fruit en fruitsappen zijn natuurlijke bronnen van suiker. Honing bestaat voor 80% uit suiker. Daarnaast zijn ook siropen (visceuze oplossingen van hoge concentraties suiker in water), stropen en ingedikte sappen rijke bronnen van suiker.
  • Suikers leveren energie (4 kcal/gram), maar staan ook in voor de zoete smaak. De consument vindt zoet lekker. Voedingsproducenten voegen graag suiker toe om de aantrekkelijkheid en de verkoop van hun producten te stimuleren. Kristalsuiker of geconcentreerde oplossingen van suiker zoals siropen en stropen zijn erg zoet en heel goedkoop. Dat maakt het gebruik ervan in levensmiddelen en dranken extra aantrekkelijk. Ook thuis wordt suiker vaak aan het eten toegevoegd, bijvoorbeeld tafelsuiker of stroop op een pannenkoek.
  • Dit is het eerste deel van een artikel over koolhydraten en suikers. Het tweede deel, dat verder ingaat op de gezondheidseffecten van koolhydraten en suikers, verschijnt in editie 5 (2016) van Voeding NU.

    Reageer op dit artikel