artikel

Eiwitrijke tussendoortjes voor lagere bloedglucosepieken

Algemeen

Eiwitrijke tussendoortjes voor lagere bloedglucosepieken

Diabetes type 2 wordt gekenmerkt door een verstoorde bloedglucoseregulatie. Vooral na een maaltijd bereikt de bloedglucose hoge pieken bij patiënten met diabetes type 2. Deze bloedglucosepieken worden ook wel postprandiale hyperglycemie genoemd. Niet alleen diabetesmedicatie, maar ook de juiste voeding kan een grote bijdrage leveren aan het terugdringen van postprandiale hyperglycemie. In dit artikel beschrijven de auteurs hoe eiwitrijke tussendoortjes kunnen worden ingezet tegen postprandiale hyperglycemie.

Aangezien postprandiale hyperglycemie (afbeelding 1) een sterke risicofactor is voor diabetescomplicaties, is het belangrijk deze te bestrijden. Darmhormonen spelen een belangrijke rol bij de bloedglucoseregulatie. De laatste 10 tot 15 jaar is er steeds meer bewijs gekomen voor de rol van darmhormonen, ook wel incretines genoemd, bij het reguleren van de postprandiale bloedglucoseconcentraties.

De meest in het oog springende incretines zijn GLP-1 (glucagon-like peptide 1) en GIP (gastric inhibitory polypeptide). Deze incretines worden uitgescheiden door endocriene darmcellen wanneer macronutriënten in de darm worden waargenomen.

Het effect van deze incretines op de regulatie van postprandiale bloedglucoseconcentraties is drieledig (afbeelding 2):

• Incretines stimuleren de secretie van insuline en remmen de secretie van glucagon.

• Incretines remmen de maaglediging.

• Incretines stimuleren het gevoel van verzadiging en remmen de eetlust.

Effecten van incretines

Incretines zijn van invloed op de secretie van insuline en glucagon door de alfa- en betacellen van de pancreas. Insuline is een belangrijk hormoon om de glucoseopname in verschillende lichaamscellen te bevorderen. Het wordt uitgescheiden door de betacellen van de alvleesklier wanneer deze een stijging van de bloedglucoseconcentratie waarnemen. Hierdoor leidt een stijging van de bloedglucoseconcentratie na een maaltijd tot een hogere secretie van insuline. Dit proces wordt in grote mate versterkt door GLP-1 en GIP (2). Op deze manier zorgen de incretines ervoor dat de betacellen snel kunnen anticiperen op een stijgende bloedglucoseconcentratie, waardoor postprandiale hyperglycemie wordt voorkomen of beperkt blijft. In tegenstelling tot insuline zorgt glucagon juist voor een stijging van de bloedglucosespiegel door stimulatie van de glucoseproductie door de lever. Personen met diabetes type 2 hebben vaak een te hoge glucagonspiegel, waardoor de ontwikkeling van hyperglycemie wordt bevorderd. GLP-1 remt de secretie van glucagon en is daarmee dus een belangrijke factor bij de preventie van hyperglycemie.

Maaglediging en verzadiging

Naast de effecten op de insuline- en glucagonsecretie, hebben incretines ook invloed op de snelheid van de maaglediging. Incretines remmen namelijk de secretie van maagzuur en beïnvloeden de werking van de pylorus, waardoor de maaglediging wordt vertraagd (2). Hierdoor worden nutriënten, waaronder koolhydraten, langzamer afgegeven aan het bloed waardoor de stijging van postprandiale bloedglucoseconcentraties beperkt blijft. Het positieve effect van de incretines op de postprandiale glucoseconcentraties wordt dus niet alleen verklaard door een verhoogde insulinesecretie, maar ook door een vertraagde maaglediging.

Tot slot heeft GLP-1, maar ook andere darmhormonen waaronder PYY en CCK, een belangrijke functie bij het gevoel van verzadiging na een maaltijd (2). De secretie van deze darmhormonen tijdens en

na een maaltijd onderdrukt de eetlust die wordt aangestuurd vanuit de hypothalamus. Op deze manier leveren de darmhormonen dus ook een belangrijke bijdrage aan de regulatie van het lichaamsgewicht.

Bij personen met diabetes type 2 is de werking van incretines verminderd (3). Dit heeft als consequentie dat de betacellen minder effectief reageren op een stijgende bloedglucoseconcentratie en dat glucagonsecretie minder effectief wordt geremd. Vanzelfsprekend worden ook de maaglediging, het gevoel van verzadiging en de eet- lust minder goed gereguleerd. Een verminderde productie of wer- king van incretines kan hierdoor bijdragen aan het ontstaan van postprandiale hyperglycemie bij diabetes type 2.

Medicatie

Het belang van incretines bij de bloedglucoseregulatie blijkt ook uit het feit dat diabetesmedicatie op basis van GLP-1 (bijvoorbeeld liraglutide of exenatide) leidt tot een verbetering van de glycemische waarden bij personen met diabetes type 2 (4). Daarnaast gaat het gebruik van deze medicatie ook vaak gepaard met een afname van het lichaamgewicht bij personen met overgewicht en diabetes type 2, wat op den duur ook weer ten goede komt aan de bloedglucoseregulatie.

Eiwitrijk tussendoortje

De secretie van incretines door endocriene darmcellen wordt niet alleen gestimuleerd door glucose, maar ook door eiwit (afbeelding 2). Wanneer eiwitten worden geconsumeerd zonder koolhydraten, zal de secretie van incretines toenemen, terwijl de bloedglucose niet stijgt. Aangezien de incretineconcentratie gedurende enkele uren verhoogd blijft, kan het lichaam tijdens de volgende (koolhydraatrijke) maaltijd nog steeds profiteren van de effecten van deze darmhormonen. Daarnaast leiden de aminozuren uit voedingseiwit ook tot een directe stimulatie van de insulinesecretie (afbeelding 2).

Op deze manier kan de inname van een eiwitrijk tussendoortje voor een maaltijd ervoor zorgen dat de koolhydraten uit de maaltijd beter verwerkt worden en de stijging van de bloedglucose beperkt blijft. Dit concept is geïllustreerd in afbeelding 3, waarin duidelijk te zien is dat een eiwitrijk voorafje 30 minuten voor een maaltijd leidt tot een toename van postprandiale GLP-1 en insulineconcentraties, terwijl de postprandiale hyperglycemie beperkt blijft.

Deze bevindingen worden bevestigd door verschillende onderzoeken die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd. Zo hebben Engelse onderzoekers laten zien dat de inname van een kleine yoghurtsnack twee uur voor een koolhydraatrijke maaltijd leidt tot een afname van postprandiale hyperglycemie bij personen met diabetes type 2 (5).

In twee andere onderzoeken is aangetoond dat de inname van een portie wei-eiwit een half uur voor een koolhydraatrijke maaltijd leidt tot een sterke verbetering van de postprandiale glucoseconcentraties (6,7). Ook de inname van een gekookt ei en kaas een half uur voor een koolhydraatrijke maaltijd laat een duidelijke verbetering zien van de postprandiale glucoseregulatie (8). Er zijn zelfs aanwijzingen dat de inname van extra eiwit tijdens de maaltijd leidt tot een verbeterde postprandiale glucoseregulatie (9).

Het effect van deze strategie lijkt echter kleiner dan wanneer het tussendoortje enige tijd voor de maaltijd wordt ingenomen. De consumptie van een eiwitrijk voorafje 15 tot 30 minuten voor een maaltijd lijkt daarom de meest effectieve en praktische strategie om te profiteren van de effecten van de incretines op de darmhormonen en de bloedglucoseregulatie.

Haalbare strategie

Wat het meest gunstige type eiwit is om de postprandiale bloedglucoseregulatie te verbeteren is nog niet geheel duidelijk, net zomin als de optimale eiwitdosis. Bij recente onderzoeken is gebruikgemaakt van wei-eiwit (~50 gram eiwit), gekookt ei met kaas (~30 gram eiwit) en yoghurt met sojabonen (~10 gram eiwit). Aangezien alle eiwitbronnen en -hoeveelheden effect blijken te hebben op de bloedglucoseregulatie, lijkt het vooral van belang een haalbare strategie te kiezen. Een haalbare strategie voor personen met diabetes type 2 is bijvoorbeeld om 15 tot 30 minuten voordat de rest van het ontbijt wordt geconsumeerd een schaaltje kwark, een glas yoghurtdrank of karnemelk, of een gekookt eitje met een glas melk te nemen.

Een eiwitdosis ter verbetering van de bloedglucoseregulatie bij diabetes type 2 lijkt het meest effectief bij het ontbijt. Personen met diabetes type 2 blijken na het ontbijt namelijk de hoogste mate van postprandiale hyperglycemie te ervaren (afbeelding 1). Dit kan deels verklaard worden door het feit dat de incretine- en insulineconcentraties bij aanvang van het ontbijt lager zijn dan bij aanvang van de lunch of avondmaaltijd.

Conclusie

Incretines spelen een belangrijke rol bij de postprandiale bloedglucoseregulatie. De werking van incretines is echter verminderd bij personen met diabetes type 2. Door een strategische toepassing van eiwitrijke tussendoortjes voor een maaltijd kan de secretie van incretines worden verhoogd. Dit zorgt ervoor dat postprandiale bloedglucoseconcentraties beter gereguleerd worden. Met name bij het ontbijt kan optimaal geprofiteerd worden van het nuttigen van een eiwitrijk voorafje.

Referenties

1. Van Dijk JW, et al. Postprandial hyperglycemia is highly prevalent throughout the day in type 2 diabetes patients. Diabetes Res Clin Pract. 2011:93(1);31-7
2. Drucker DJ, The biology of incretin hormones. Cell Metab. 2006:3(3);153-65
3. Holst JJ, Vilsboll T & Deacon CF. The incretin system and its role in type 2 diabetes mellitus. Mol Cell Endocrinol. 2009:297(1-2);127-36
4. Deacon CF, Mannucci E & Ahren B. Glycaemic efficacy of glucagon-like peptide-1 receptor agonists and dipeptidyl peptidase-4 inhibitors as add-on therapy to metformin in subjects with type 2 diabetes-a review and meta analysis. Diabetes Obes Metab. 2012:14(8);762-7
5. Chen MJ, Jovanovic A & Taylor R. Utilizing the second-meal effect in type 2 diabetes: practical use of a soya-yogurt snack. Diabetes Care. 2010:33(12);2552-4
6. Jakubowicz D, et al. Incretin, insulinotropic and glucose-lowering effects of whey protein pre-load in type 2 diabetes: a randomised clinical trial. Diabetologia. 2014:57(9);1807-11
7. Ma J, et al. Effects of a protein preload on gastric emptying, glycemia, and gut hormones after a carbohydrate meal in diet-controlled type 2 diabetes. Diabetes Care. 2009:32(9);1600-2
8. Trico D, et al. Mechanisms through which a small protein and lipid preload improves glucose tolerance. Diabetologia. 2015:58(11);2503-12
9. Manders RJ, et al. Co-ingestion of a protein hydrolysate with or without additional leucine effectively reduces postprandial blood glucose excursions in Type 2 diabetic men. J Nutr. 2006:136(5);1294-9

Reageer op dit artikel