artikel

Ondervoeding bij ouderen: een zorg voor allen

Algemeen

Ondervoeding bij ouderen: een zorg voor allen

Hoewel het paradoxaal lijkt in een omgeving waarin eten in overvloed is, wordt geschat dat in Nederland een op de drie ouderen die thuiszorg ontvangen ondervoed is. Ondanks de toenemende aandacht voor dit probleem, bereikt dit onderwerp niet altijd de doelgroepen waar het telt: de ouderen zelf en de zorgprofessionals om hen heen.

Ondervoeding heeft vaak te maken met een tekort aan energie en eiwit en leidt onder andere tot spierverlies en daarmee het dagelijks functioneren. Uit ons onderzoek waar we specifiek naar eiwit hebben gekeken, blijkt dat lekkere, eiwitverrijkte maaltijden bijdragen aan het verhogen van de eiwitinname van ouderen. Maar dit soort maaltijden hebben geen nut als ze niet tijdig worden ingezet.

Uit een eerder onderzoek volgt namelijk dat ouderen zich niet bewust zijn van het risico op ondervoeding, zelfs niet als ze minder eten of afvallen. Weer anderen vallen niet af, maar verliezen wel spiermassa, waardoor ondervoeding nog moeilijker te herkennen is.

Als ouderen zelf niet aan de bel trekken, ligt de signaleringstaak bij de zorgprofessionals rondom deze ouderen. Dit signaleren blijkt echter onvoldoende te gebeuren, doordat deze professionals het onduidelijk vinden wie hiervoor verantwoordelijk is en welke procedures gelden. Zo geven huisartsen aan dat ze nog eerder de ontlasting van hun patiënten bespreken dan hun voeding.

Sommige wijkverpleegkundigen vertellen dat ze geen tijd hebben om op voeding te letten, terwijl anderen wel in de gaten houden of cliënten afvallen. Daarop geven diëtisten aan dat zij door deze aanpak te laat worden ingeschakeld. Bij ouderen met zichtbaar gewichtsverlies is ondervoeding namelijk moeilijker te behandelen.

Deze negatieve situatie is te voorkomen. In Nederland zijn door de Stuurgroep Ondervoeding uitstekende richtlijnen ontwikkeld voor het screenen en behandelen van ondervoeding bij ouderen. Het probleem ligt bij de ontoereikende naleving van deze richtlijnen, waardoor deels te voorkomen gezondheidsproblemen toch optreden. Bij effectief screenen met de daarvoor ontwikkelde praktische hulpmiddelen (zoals de SNAQ65+) kunnen ook zorgprofessionals tijdig ingrijpen. Aandacht voor voeding zou daarom onder de primaire zorgtaken moeten vallen. Hiervoor is het cruciaal dat zorgorganisaties erkennen dat voeding onlosmakelijk verbonden is met zorg en welzijn.

Reageer op dit artikel