artikel

Halvering milieu-impact is mogelijk

Algemeen

Halvering milieu-impact is mogelijk

Hoe kunnen we gelijktijdig zowel de voedingskundige kwaliteit als de ecologische duurzaamheid van voedingspatronen optimaliseren? Dat is de hoofdvraag in het in maart gepubliceerde proefschrift van Corné van Dooren. Uit zijn onderzoek blijkt dat consumenten eenvoudig voedselkeuzes kunnen maken die zowel aan voedingskundige als aan duurzaamheidseisen voldoen. Dit artikel komt uit de printuitgave van Voeding Nu 4.

Om de hoofdvraag van het onderzoek te kunnen beantwoorden, is eerst het concept van duurzame voedingspatronen geoperationaliseerd en gekwantificeerd met behulp van Nederlandse voorbeelden. Daarna zijn kwantitatieve modellen ontwikkeld om voedingskundige kwaliteit en duurzaamheid te combineren en te optimaliseren.

Meten van voedingspatronen

Om die gelijktijdige optimalisatie te bereiken, is het nodig ecologische duurzaamheid en voedingskundige kwaliteit te meten met geaccepteerde methoden. Een aantal kwesties hebben ervoor gezorgd dat de ecologische grenzen van de veerkracht van de aarde overschreden zijn. Juist deze vraagstukken hebben te maken met de productie van voedsel (afbeelding 1). Om de ecologische duurzaamheid van voedingspatronen te meten, blijken met name broeikasgasemissies en landgebruik representatieve en goed toepasbare indicatoren, omdat daar geaccepteerde meetmethoden en voldoende data voor zijn. Bij het meten van de voedingskundige kwaliteit van voeding worden vaak bestaande indexen gebruikt voor nutriëntendichtheid, zoals de NRF9.3 of de DHD-index. In de media worden meestal alleen de uitkomsten van dit soort analyses vermeld voor nutriënten die een negatief effect hebben op de gezondheid, zoals natrium, verzadigde vetten en toegevoegde suikers. Het proefschrift laat zien hoe de benadering verbreed kan worden door ook positieve effecten mee te nemen in de analyses. Daarvoor zijn plantaardige eiwitten, essentiële vetzuren en voedingsvezels geselecteerd als indicatoren voor voedingskundige kwaliteit. Genoemde indicatoren zijn gebruikt om het huidige doorsnee voedingspatroon in Nederland te vergelijken met vooraf gedefinieerde patronen, te weten een dieet volgens de Richtlijnen goede voeding en een flexitarisch, vegetarisch, veganistisch en mediterraan dieet. Vegetarisch en veganistisch scoren het best op duurzaamheid en mediterraan op gezondheid; flexitarisch scoort goed op beiden. In alle gevallen blijkt dat een hogere voedingskundige kwaliteit direct resulteert in meer ecologische duurzaamheid.

Lineair programmeren

Lineair programmeren is in dit onderzoek een beproefd hulpmiddel gebleken om gelijktijdig de voedingskundige kwaliteit en de ecologische duurzaamheid van voedingspatronen te optimaliseren. Deze methode om optimaliseringsproblemen aan te pakken, is in twee voorbeeldvoedingspatronen toegepast. De uitkomsten laten zien hoe elementen uit de FAO-definitie voor duurzame voedingspatronen kunnen worden gekwantificeerd (zie kader). Daarbij zijn natuurlijke en menselijke hulpbronnen geoptimaliseerd en is ervoor gezorgd dat de patronen voedingskundig volwaardig zijn, met maar de helft van de milieu-impact van het huidige voedingspatroon. Door extra randvoorwaarden toe te voegen, is het bovendien mogelijk deze milieuvriendelijke voedingspatronen cultureel acceptabel en betaalbaar te maken, in lijn met de FAO-definitie. De toepassing van het lineair programmeren heeft de volgende inzichten opgeleverd:

• Een geoptimaliseerd, traditioneel voedingspatroon van de Lage Landen (Low Lands Diet) blijkt net zo gezond, maar duurzamer dan het traditionele mediterrane voedingspatroon; • Een duurzaam voedingspatroon hoeft niet duurder te zijn. Het is mogelijk voor een tweepersoonshuishouden een gezonde, duurzame boodschappenmand samen te stellen voor minder dan € 40 per week; • Lineair programmeren maakt het mogelijk voedingspatronen te modelleren via een multidisciplinaire aanpak (voedingskundig, economisch, milieukundig), hetgeen kan resulteren in richtsnoeren voor duurzamer, goedkoper en acceptabeler voedingspatronen dan bestaande, vooraf gedefinieerde voedingspatronen.

Synergie tussen gezond en duurzaam

Een analyse van zowel vooraf gedefinieerde als geoptimaliseerde voedingspatronen laat zien dat er ook op productniveau een synergie is tussen voedingskundige kwaliteit en ecologische duurzaamheid. Het blijkt mogelijk, zowel op het niveau van producten als van voedingspatronen, de milieu-impact (vooral de invloed op klimaat en landgebruik) kwantitatief te relateren aan voedingskundige kwaliteit. Daarvoor is voor dit onderzoek een index ontwikkeld die deze synergie beschrijft. Hierbij is gebruikgemaakt van zeven indicatoren voor voedingskundige kwaliteit. De index kreeg de naam Sustainable Nutrient-Rich Foods-index (SNRF-index). Op basis van deze SNRF-index is het voor consumenten en zorgprofessionals mogelijk voedingsmiddelen in te delen in vier productgroepen (afbeelding 2): 1. Producten met veel natrium, verzadigd vet en/of toegevoegde suikers t.o.v. de aanvaardbare dagelijkse hoeveelheden (rood: SNRF <-1); 2. Dierlijke producten met een gemiddelde voedingsstoffendichtheid (wit: -1 tot 0); 3. Plantaardige producten met een gemiddelde voedingsstoffendichtheid, die veel energie leveren (bruin: 0 tot 1); 4. Plantaardige producten met een hoge voedingstoffendichtheid, die weinig energie leveren (groen: >1). Met de SNRF-index is het ook mogelijk producten te rangschikken in kleurgroepen. Dit kan consumenten en gezondheidsinstituten helpen bij het onderbouwen van keuzes en adviezen voor gezonde, duurzame voedingspatronen. De index moet daarvoor wel eerst nog beter gevalideerd worden. Op grond van de index kan gezegd worden dat gezonde, meer duurzame voedingspatronen, zoals het Low Lands Diet, het mediterrane voedingspatroon, het nieuwe Scandinavische voedingspatroon en het pesco-vegetarische voedingspatroon, over het algemeen vooral uit producten uit de bruine en groene groep en in mindere mate uit producten uit de witte groep bestaan. Producten uit de rode groep komen heel weinig voor in deze voedingspatronen.

Functionele eenheid

Een functionele eenheid is een maat voor de functie van een systeem, zoals de levenscyclus van een voedingsmiddel, waaraan de milieu-impact gerelateerd kan worden. Bij milieuonderzoek wordt vaak de impact per kilogram berekend en vergeleken. Vanuit gezondheidsperspectief ligt het echter voor de hand de milieu-impact van voedingsmiddelen te vergelijken op basis van energiegehalte (kcal), of nog relevanter, op basis van voedingsstoffendichtheid. Op basis van deze laatste wordt in dit onderzoek daarom een nieuwe functionele eenheid voorgesteld: de Nutrient Density Unit (NDU). Granen en andere koolhydraatrijke producten uit de bruine groep hebben bijvoorbeeld de laagste milieu-impact per kcal, maar groenten, fruit, peulvruchten en paddenstoelen uit de groene groep hebben de laagste impact per NDU. De functie, en daarmee de gekozen functionele eenheid, bepaalt uiteindelijk de rangorde van de milieuimpact van producten. Het draait bij eten immers niet alleen om volume of calorieën, maar vooral om het binnenkrijgen van voldoende voedingsstoffen.

Verbeteringen in de praktijk

Als laatste stap in dit onderzoek is de praktische toepassing van de resultaten getoetst met behulp van een consumentenonderzoek (inclusief de Voedselfrequentievragenlijst). Dit is gedaan met als doel de verschillen in de voedselconsumptie van bestaande Nederlandse bevolkingsgroepen te achterhalen en te kijken welke aspecten in de voeding van specifieke groepen verbeterd kan worden op het gebied van gezondheid en duurzaamheid. De subgroepen zijn bepaald op basis van geslacht, leeftijd, opleiding, werk, inkomen, sociaaleconomische status en sociale milieus (Motivaction indeling). Het blijkt dat verbetering vooral mogelijk is door de verlaging van de vleesconsumptie en de metabolische energie-inname. Uit een kwantitatieve analyse van de voedingspatronen van alle subgroepen kunnen vier strategieën worden afgeleid (afbeelding 3). Deze strategieën kunnen bepaalde bevolkingsgroepen helpen om gelijktijdig gezonder en duurzamer te gaan eten: 1. Snacks vervangen door fruit als tussendoortje; 2. Kaas bij de lunch of de avondmaaltijd vervangen door groente; 3. Vlees voor een deel vervangen door vis; 4. Minder alcohol en meer water drinken, om zo minder energie binnen te krijgen. Als milieuwinst het belangrijkste doel is, dan is een vijfde strategie mogelijk: 5. Halvering van de vleesporties. De huidige niet-duurzame voedingspatronen van bepaalde bevolkingsgroepen vragen om toegespitste transitiestrategieën: de ene groep eet te veel vlees, een andere groep snackt te vaak en een derde groep drinkt te veel alcohol. Het advies is dus om een doelgroepspecifieke aanpak toe te passen.

Jonge, werkende mannen

Het stimuleren van gezondere en meer duurzame voedingspatronen vraagt om effectieve voorlichtingstrategieën, afgestemd op de context en het huidige voedingspatroon van de specifieke doelgroep. Een vijfde van de Nederlandse bevolking eet al op een gezonde, duurzame manier. In deze groep vindt men bijvoorbeeld relatief veel oudere vrouwen zonder betaald werk, ‘post-materialisten’ en mensen met traditioneler opvattingen. Het vijfde deel aan de andere kant van het spectrum bestaat voor een groot deel uit (jonge) werkende mannen. Deze groep is geïdentificeerd als de belangrijkste, en misschien ook moeilijkste, doelgroep om het algehele voedingspatroon te verbeteren: daar is de meeste winst te halen. Door bovengenoemde modellen en strategieën toe te passen op de groepen met een bovengemiddelde klimaatimpact is het mogelijk de impact van het Nederlandse voedingspatroon aanzienlijk te verlagen, terwijl juist de voedingskundige kwaliteit verbetert.

Vier stappen

De inzichten uit dit onderzoek dragen bij aan de kennis die de consument nodig heeft voor het maken van goed onderbouwde voedselkeuzes. Tegelijk kunnen de resultaten bijdragen aan de ontwikkeling van consumentenvoorlichting en toekomstige voedingsrichtlijnen, die zowel rekening houden met voedingskundige kwaliteit als ecologische duurzaamheid. Zo zijn diverse inzichten al toegepast in de nieuwe Vlaamse Voedingsdriehoek. Een volgende stap kan zijn dat de Gezondheidsraad met aanbevelingen komt voor de consumptie van meer plantaardige producten en minder vlees. Daarnaast zou de Raad de minst milieubelastende keuzes binnen productgroepen moeten stimuleren. Het goede nieuws is dat door aanpassingen binnen het voedselpatroon een halvering van de milieu-impact van voedselconsumptie mogelijk is. Dit kan vooral worden bereikt door een combinatie van vier stappen: een lagere energie-inname, een transitie van een dierlijk naar een meer plantaardig voedingspatroon, het vervangen van snacks en dranken met een grote klimaatimpact door gezondere opties. Nu ligt de focus vaak vooral op het eten van minder vlees, maar ook de ander stappen blijken substantieel.

 

Wat goed is voor het milieu, is goed voor de mens? Wie ecologisch eet, eet doorgaans gezonder. De Gezondheidsraad pleit in de recente Richtlijnen goede voeding voor een meer duurzaam voedingspatroon: vaker kiezen voor plantaardige producten in plaats van producten uit dierlijke bron. Maar hoe doe je dat in de praktijk? Sommige zorgprofessionals hebben al veel ervaring met het integreren van adviezen over duurzaamheid. Zij adviseren een groter aandeel plantaardige voeding aan hun cliënten in hun praktijk. Hoe doe jij dat? Zijn jouw adviezen voedingskundig verantwoord? Op de Voeding Nu-bijeenkomst Plantaardige en duurzame voeding vertellen de sprekers hoe je het beste adviseert over een duurzame en gezonde voeding. Meld je nu aan voor de bijeenkomst en workshop plantaardige voeding.

Reageer op dit artikel