artikel

Strategieën voor verhoging groenteconsumptie van kinderen

Algemeen

Strategieën voor verhoging groenteconsumptie van kinderen

Nederlandse kinderen eten te weinig groente. Een van de oorzaken is dat kinderen een lage voorkeur hebben voor groente (1), zeker in vergelijking met andere voedingsmiddelen. Maar iets lekker vinden, kun je leren! Dit artikel komt uit de printuitgave van Voeding Nu 4.

Van de twee- en driejarigen komt slechts één op de vijf kinderen in de buurt van 50 gram groente per dag, terwijl de aanbevolen hoeveelheid 50 tot 100 gram per dag is (2).

Ook de laatste voedselconsumptiepeiling in Nederland laat zien dat er wat betreft groenteconsumptie bij kinderen nog behoorlijk wat werk aan de winkel is: 95% van de 4-12-jarige kinderen eet minder dan de aanbevolen hoeveelheid groente per dag (3).

Strategieën

Voedselvoorkeuren worden al op jonge leeftijd aangeleerd (4). Onderzoek heeft ook laten zien dat herhaald proeven (7-15x) een effectieve manier kan zijn om de waardering voor een onbekende groente te verhogen (5). In het EU-project HabEat kwam dit ook als een belangrijke boodschap naar voren (6). In dit Europese project werd de effectiviteit van drie strategieën om de groenteconsumptie te stimuleren met elkaar vergeleken: herhaalde blootstelling, energie-smaak conditionering (nieuwe smaak combineren met energie, zoals vet of koolhydraten) en smaak-smaak conditionering (nieuwe smaak combineren met een lekkere, bekende smaak, vaak zoet). Uit de HabEat-studies kwam consequent naar voren dat herhaalde blootstelling een robuust mechanisme is; het toevoegen van energie of een zoete smaak is niet nodig om een nieuwe groentesmaak te leren waarderen, maar kan wel aanmoedigen een hapje van die onbekende groente te proeven (7,8,9).

Studies naar het effect van herhaald proeven zijn vaak uitgevoerd met slechts één groente als doelgroente en vaak werden ze uitgevoerd door de onderzoekers zelf of in de thuissituatie door de moeder een-op-een met haar kind. Er is weinig bekend over het feit of dit herhaald proeven ook effectief is als er meerdere groentesoorten gebruikt worden en of het werkt in de dagelijkse praktijk van bijvoorbeeld een kinderdagverblijf waar verschillende kinderen samen eten. Deze vragen zijn onderzocht in het onderzoeksproject Veggie Time van de WUR dat deel uitmaakte van de publiek-private samenwerking Meer groente en fruit voor iedereen (TU 1310-086). De partners binnen dit project waren GroentenFruit Huis, Van Gelder groente & fruit en Partou kinderopvang.

Wat goed is voor het milieu, is goed voor de mens? Wie ecologisch eet, eet doorgaans gezonder. De Gezondheidsraad pleit in de recente Richtlijnen goede voeding voor een meer duurzaam voedingspatroon: vaker kiezen voor plantaardige producten in plaats van producten uit dierlijke bron. Maar hoe doe je dat in de praktijk? Op de Voeding Nu-bijeenkomst Plantaardige en duurzame voeding vertellen de sprekers hoe je het beste adviseert over een duurzame en gezonde voeding. Meld je nu aan!

Drie onbekende groentesoorten

Vier locaties van kinderopvang Partou deden mee aan het onderzoek. Twee locaties vormden de interventiegroep; de andere twee de controlegroep. Op basis van de Voedselconsumptiepeiling (1) waren vooraf drie groenten uitgekozen die relatief weinig gegeten worden door Nederlandse kinderen: pompoen (zoete smaak), courgette (neutrale smaak) en rettich (bittere smaak). Alle vier locaties begonnen met een nulmeting van vier weken: kinderen kregen de drie onbekendere groentesoorten aangeboden: één soort per keer. Er werd per groentesoort gemeten of de kinderen daadwerkelijk van de groente proefden en hoeveel zij er vervolgens van aten. De pedagogisch medewerksters deelden de groenten uit aan elk kind en namen ze in als de kinderen klaar waren. Het onderzoeksteam woog de bakjes voor en na het aanbieden buiten het zicht van de kinderen om de groenteconsumptie te bepalen. Vervolgens kregen de kinderen op de interventielocaties vijf maanden lang de drie onbekende groentesoorten aangeboden als snack in de middag. Om verveling te voorkomen, werd elke soort aangeboden in twee productvormen: pompoen geblancheerd en als crackersmeersel, courgette geblancheerd en als soep, en rettich rauw en als crackersmeersel. De kinderen mochten elke keer zelf weten hoeveel zij van de groente aten. Er werd een liedje gedraaid – speciaal voor het onderzoek gemaakt – om het eetmoment herkenbaar en gezellig te maken. Pedagogisch medewerkers aten zelf ook van de groente en nodigden de kinderen uit om te proeven. Tijdens deze periode registreerden de pedagogisch medewerksters voor ieder kind of het de groente geproefd had en hoeveel hij/zij gegeten had (small, medium, large).

Gedurende deze vijf maanden handhaafden de twee controlelocaties hun normale procedures rondom eten en drinken. Na afloop van deze periode deden alle vier locaties weer mee aan de nameting, waarbij wederom het aantal kinderen dat proefde en de hoeveelheid groente die elk kind at per groentesoort gemeten werd.

Positief effect

De inname van pompoen steeg van circa 20 naar 35 gram in de interventiegroep, terwijl de inname in de controlegroep gelijk bleef. Voor rettich steeg de inname in beide groepen, maar de inname in de interventiegroep steeg significant meer (van 10 naar 25 gram). Voor beide groenten was er dus een significant positief effect van herhaald proeven. De inname van courgette bleef stabiel: rond 20 gram. De resultaten voor het willen proeven van de groenten (willingness to taste) wezen in dezelfde richting: een positief effect voor pompoen en rettich, geen effect voor courgette. Het onderzoek laat zien dat herhaald proeven van onbekendere groenten in de dagelijkse praktijk van het kinderdagverblijf effectief kan zijn om de groenteconsumptie van jonge kinderen te verhogen. Bovendien leren zij andere groentesmaken kennen en daar kunnen ze hun leven lang voordeel van hebben. Courgette bleek bij deze groep kinderen thuis regelmatig op het menu te staan en dit zou kunnen verklaren waarom er geen effect voor courgette gevonden is. Daarnaast heeft courgette een relatief neutrale smaak, wat ook bij kan hebben gedragen aan het uitblijven van een toename in de consumptie (10).

Of het aanbieden van twee productvormen per groente effectiever is dan het aanbieden van één productvorm kan niet gezegd worden. Wel lijkt het gebruiken van meerdere productvormen het gemakkelijker te maken om het principe van herhaald proeven vasthoudend (10-15x) toe te passen. Dezelfde groente (zelfde smaak) kan dan in verschillende vormen aangeboden worden, wat tot minder verveling kan leiden. De voorkeur voor een productvorm zal ook per kind verschillen. Tijdens het Veggie Time-onderzoek aten de kinderen meer van het pompoensmeersel en de courgettesoep in vergelijking met de geblancheerde varianten.

Groentemoment op kinderdagverblijf

De inname bij de nulmeting (10-20 gram) geeft aan dat het invoeren van een groentemoment op het kinderdagverblijf potentie heeft. Uitgaande van een huidige consumptie van 38 gram bij deze doelgroep (voornamelijk gegeten bij de warme maaltijd), maakt dat 10-20 gram extra groente in de middag een welkome aanvulling is. Er is echter wel meer onderzoek nodig om te bestuderen wat de gevolgen zijn van deze extra groente-inname in de middag op de groenteconsumptie tijdens de avondmaaltijd. De kinderdagverblijven van Partou kenden al een groente-eetmoment waarbij bekende snackgroenten zoals tomaat, komkommer en paprika aangeboden werden. Dat maakte de implementatie van Veggie Time eenvoudiger dan wanneer een groente-eetmoment nog niet op het programma had gestaan. De pedagogisch medewerkers waren blij verrast over hoe gewillig de kinderen waren om te proeven en hoe goed kinderen van deze leeftijd nieuwe smaken kunnen leren waarderen. Een mooi nevenresultaat van het onderzoek.

Wat te doen met bekende groenten?

Herhaald proeven is dus met name een effectieve strategie bij onbekendere groentesoorten. Maar op een gegeven moment kennen kinderen de meeste groentesoorten wel. Gezien de lage groenteconsumptie bij alle leeftijdsgroepen, rijst dan de vraag welke strategieën je moet toepassen bij oudere kinderen als de meeste groentesoorten al bekend zijn? Hier is binnen het HabEat-project ook onderzoek naar gedaan. Er is onderzocht of een rolmodel effectief is om de consumptie van rauwe worteltjes te verhogen (11). Dit onderzoek werd uitgevoerd bij kleuters op school. De tv-idolen Ernst & Bobbie traden op als rolmodellen (in een leuk filmpje over worteltjes en groente). Kinderen hebben het filmpje herhaaldelijk gezien terwijl zij worteltjes mochten eten. Er was ook een controlegroep. Deze kinderen hebben het filmpje met de rolmodellen niet gezien gedurende het onderzoek. De verwachting was dat de consumptie in de interventiegroep zou toenemen. Direct na afloop van het onderzoek was dat echter niet het geval. Negen maanden na de start van het onderzoek is er een follow-up-meting uitgevoerd. In de interventiegroep werden nu wel meer worteltjes gegeten, terwijl de controlegroep geen stijging vertoonde. Dit is een nieuwe bevinding die in vervolgonderzoek bevestigd zal moeten worden. Deze resultaten suggereren dat effecten van interventies met enige vertraging kunnen optreden, juist bij kinderen die zich sprongsgewijs ontwikkelen. Ook geeft het aan dat het leren waarderen van groente bij kinderen een kwestie van volhouden is. Blijven aanbieden, in een positieve context, het goede voorbeeld geven, creatief zijn met de bereidingswijze en het kind betrekken bij het kopen, laten groeien en klaarmaken van groenten zijn daarbij belangrijke ingrediënten.

Referenties

1. Nicklaus S, Boggio V, Chabanet C, & Issanchou SA. Prospective study of food preferences in childhood. Food Quality and Preference. 2004;15:805-818.
2. Ocké MC, Van Rossum CTM, Fransen HP, et al. Voedselconsumptiepeiling bij peuters en kleuters 2005/2006. 2008. Bilthoven: RIVM.
3. Van Rossum CTM, Beukers M, De Boer EJ, et al. The diet of the Dutch: Results of the first two years of the Dutch National Food Consumption Survey 2012-2016. 2016. Bilthoven: RIVM.
4. Skinner JD, Carruth BR, Wendy B, & Ziegler PJ. Children’s food preferences: a longitudinal analysis. J Am Diet Assoc. 2002;102:1638-1647.
5.Maier AS, Chabanet C, Schaal B, et al. Effects of repeated exposure on acceptance of initially disliked vegetables in 7-month old infants. Food Quality and Preference. 2007;18:1023-1032.
6. https://www.habeat.eu/

7. Hausner H, Olsen A, & Møller P. Mere exposure and flavour–flavour learning increase 2–3 year-old children’s acceptance of a novel vegetable. Appetite. 2012;58:1152-1159.
8. Caton SJ, Ahern SM, Remy E, et al. Repetition counts: repeated exposure increases intake of a novel vegetable in UK pre-school children compared to flavour–flavour and flavour–nutrient learning. British Journal of Nutrition. 2012;109:2089-2097.
9. De Wild VWT, De Graaf C, & Jager G. Effectiveness of flavour nutrient learning and mere exposure as mechanisms to increase toddler’s intake and preference for green vegetables. Appetite. 2013;64:89-96.
10. Van Stokkom VL, Teo PS, Mars M, et al. Taste intensities of ten vegetables commonly consumed in the Netherlands. Food Research International. 2016;87:34-41.
11. Zeinstra GG, Kooijman V, & Kremer S. My idol eats carrots, so do I? The delayed effect of a classroom-based intervention on 4–6-year-old children’s intake of a familiar vegetable. Food Quality and Preference. 2016;62:352-359.

Reageer op dit artikel