artikel

Rli-rapport Duurzaam en gezond uitgelicht: Wanneer gaat plantaardig eten in de versnelling?

Algemeen

Rli-rapport Duurzaam en gezond uitgelicht: Wanneer gaat plantaardig eten in de versnelling?

Als het aan de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) ligt, dan is het antwoord op de gestelde vraag: per direct. In zijn op 3 april gepresenteerde adviesrapport Duurzaam en gezond: Samen naar een houdbaar voedselsysteem, roept de Rli op haast te maken met het eten van minder dierlijke en meer plantaardige eiwitten. Dit artikel komt uit de printuitgave van Voeding Nu 4.

Dat de verhouding tussen beide moet veranderen omwille van klimaat en gezondheid, is nauwelijks nieuws nadat PBL, WRR, Gezondheidsraad en RIVM deze boodschap regelmatig lieten horen in de voorbije jaren. Opzienbarend is vooral dat volgens de Rli de omdraaiing van de verhouding tussen onze consumptie van dierlijke en plantaardige eiwitten veel sneller gerealiseerd moet worden dan we tot voor kort voorzagen.

De Rli schuift de tijdshorizon van 2050 maar liefst 20 jaar naar voren: in 2030 moeten niet langer vlees en zuivel de boventoon voeren in ons consumptiepatroon, maar groente en fruit.

Wat goed is voor het milieu, is goed voor de mens? Wie ecologisch eet, eet doorgaans gezonder. De Gezondheidsraad pleit in de recente Richtlijnen goede voeding voor een meer duurzaam voedingspatroon: vaker kiezen voor plantaardige producten in plaats van producten uit dierlijke bron. Maar hoe doe je dat in de praktijk? Op de Voeding Nu-bijeenkomst Plantaardige en duurzame voeding vertellen de sprekers hoe je het beste adviseert over een duurzame en gezonde voeding. Meld je nu aan!

Transitie terug in de tijd

Met dit opvoeren van de tijdsdruk is de toon van urgentie gezet. Maar de grootte van de opgave wordt evenzeer aangezet. Immers, de huidige eiwitverhouding in het Nederlandse eetpatroon is behoorlijk “scheef” en in het voordeel van dierlijk eiwit.

De Rli zegt dat de verhouding dierlijk/plantaardig in een nu gebruikelijk eetpatroon doorgaans uitkomt op minder dan driekwart tegen meer dan een kwart. De Voedselconsumptiepeiling komt uit op een vergelijkbare verhouding van 70/30 (1).

Als we helemaal volgens de Schijf van Vijf zouden eten, dan komt het aandeel van de plantaardige eiwitconsumptie boven de 40% uit. Zo’n 60/40-verhouding is eveneens te vinden in de Transitieagenda Biomassa en voedsel (2), waarbij de ambitie wordt uitgesproken dat deze huidige verhouding richting 2050 wordt omgedraaid naar 40/60, met 2025 als tussenstap waarin 50/50 wordt gerealiseerd.

En op het moment dat de inkt van genoemde transitieagenda nauwelijks droog is en de nieuwe Schijf van Vijf maatschappelijk aan het landen is, schakelt de Rli door naar een 40/60 verhouding in dierlijke/plantaardige consumptie in 2030 (1).

Niet minder dan twee decennia eerder dus. Dit betekent dat er iets meer dan een decennium de tijd is om deze omslag te maken. Wat de Rli betreft zijn we over ruim 10 jaar terug bij een 40/60-verhouding die we zo’n 60 jaar geleden voor het laatst gekend hebben (3).

We moeten dus als het ware een versnelde transitie terug in de tijd maken om – paradoxaal genoeg – op de toekomst vooruit te lopen. Een eiwittransitie bovendien die vooralsnog weinig ondersteuning vindt in de harde feiten.

Dat wil zeggen, de consumptietrends gaan niet erg de goede kant op als we zien dat de vleesconsumptiecijfers allerminst scherp dalen en tegelijkertijd de overgrote consumentenmeerderheid niet in de buurt komt van de aanbevolen hoeveelheid dagelijks te consumeren groente en fruit. 

Rli serieus nemen

Toch zouden we de Rli-bevindingen als aanzet en aansporing moeten nemen om het onrealistische te realiseren; om de noodzaak van eiwittransitie en verandering in het consumptiepatroon serieus (ter hand) te gaan nemen. De Rli geeft immers een belangrijk signaal af: alleen al vanwege de ondertekening van het Klimaatakkoord van Parijs, met bijbehorende verplichting tot reductie van de uitstoot van broeikasgassen, is het nodig dat we onze eetgewoonten aanpassen.

Dus zelfs als we redenen van gezondheid en voedselzekerheid evenals dierenwelzijn niet aanvoeren, is het geboden meer plantaardig te gaan eten. De Rli is hierin serieus te nemen, omdat deze optiek in overeenstemming is met wat andere Nederlandse adviesraden en kennisinstellingen hebben gezegd en ook met de conclusie die in talrijke wetenschappelijke studies is getrokken.

De nadruk die de Rli legt op de vraagkant haakt evenzogoed aan bij een andere en breed gedeelde opinie in het moderne onderzoek dat consumentengedrag als belangrijke factor in veranderingsprocessen betitelt: eetpatronen moeten veranderen. 

Het nieuwe normaal: ‘vergroenten’

Het is algemeen bekend dat dit laatste gemakkelijker gezegd is dan gedaan. De Rli verwijst naar een aantal opties om gedrag te beïnvloeden (1). Zo brengt deze Raad naar voren dat de hulp van de Schijf van Vijf is in te roepen om mensen te laten zien hoe ze (meer) duurzaam en gezond kunnen eten.

De inzet van koks als ambassadeurs van gezond en groen eten komt aan de orde, evenals de mogelijkheid de consumptie van vlees, zuivel en eieren te ontmoedigen door er accijns of hogere btw op te heffen. Consumenten kunnen ook geholpen zijn bij herkenbare duurzaamheidslogo’s als het Beter Leven Keurmerk, dat zich, blijkens de jaarlijks stijgende consumentenvraag, na tien jaar goed heeft gevestigd in de Nederlandse levensmiddelenmarkt.

De Rli heeft er ook oog voor dat kook- en voedselvaardigheden in het algemeen kunnen bijdragen aan het maken van gezonde en duurzame keuzes. Hetzelfde geldt voor aanpassingen in de voedselomgeving door bijvoorbeeld bepaalde keuzes (op het menu) anders te presenteren of bepaalde reclames en aanbiedingen te extensiveren (bijvoorbeeld ten aanzien van het prijsstunten met vlees door retailers en de grote reclamebudgetten voor de promotie van vlees).

Challenges

Behalve prijsprikkels of verandering in de inrichting van supermarkt, menukaart of de menu-opties in kantine of ziekenhuis, is ook te wijzen op challenges. Hier gaat het bijvoorbeeld om vleesloos tot 18.00 uur, vleesloze dagen (Meat free Monday, donderdag veggiedag), vleesvrije periodes van een week (Week zonder vlees) of een maand (Veganuari), of nog langer (40 dagen vastentijd).

Via dergelijke challenges kunnen mensen ervaren hoe het is om een tijdje geen vlees te eten. Een voordeel hiervan is ook dat dergelijke uitdagingen in een positieve sfeer verlopen zonder moreel verwijt en zedenprekerij, maar wel kunnen bijdragen aan bewustwording van nadelige aspecten van de overmatige consumptie van vlees voor mens, dier en milieu.

Een positieve benadering zal voor veel mensen meer effect hebben op gedragsverandering dan inspelen op ‘schuld en boete’. Een ander voordeel is dat er on- en/of offline sprake is van een ‘groepsgebeuren’, waardoor deelnemers samen en in samenspraak met elkaar hun voedselconsumptiepatroon kunnen vergroenen en ‘vergroenten’. 

Minder verspilling

Hoe lekker, leuk en verrassend plantaardig eten kan zijn, is uiteraard medeafhankelijk van de productkwaliteit van plantaardige vleesvervangers of de innovaties in andere nieuwe eiwitten van nu en straks (insecten, peulvruchten, zeewier, kweekvlees). Hoe beter en aantrekkelijker dit productaanbod is, des te meer faciliteert het de vestiging van een meer plantaardig dieet als het nieuwe normaal.

Maar met dit plantaardige dieet zijn we er eigenlijk nog niet als we het hebben over duurzaam en gezond eten. Want duurzaam en gezond eten gaat ook over minder eten – niet alleen van eiwitten maar van voeding in bredere zin. Voor wie vindt dat het ‘vergroen(t)en’ van ons voedselpakket al wel problematisch genoeg is, komt er zo mogelijk een nog ongemakkelijker waarheid bij: duurzame en gezonde voedselkeuzes gaan ook over ‘consuminderen’.

Omdat we in een wereld leven waarin we meer gecharmeerd zijn van méér dan van minder, zal het niet eenvoudig zijn deze waarheid geaccepteerd te krijgen. Laten we toch een begin van een poging doen. Als startpunt nemen we voedselverspilling. Dit geldt als een belangwekkend thema in de verduurzaming van het voedselsysteem, dat bovendien onomstreden is. Die geaccepteerde voedselverspilling vormt het haakje om consuminderen mee naar boven te halen.

Het geval wil namelijk dat overconsumptie ook een vorm van verspilling is. De consumptie boven de voedingsrichtlijnen is een vergelijkbare bron van verspilling als de voedselverspilling die we tegenwoordig zo ernstig nemen, zo stelt recent onderzoek (4). Dit betekent dat er allerminst reden is deze voedselverspilling via overeten minder belangrijk te achten dan de salonfähige voedselverspilling die gaat over eten dat consumenten verkwisten en zodoende in de afvalbak belandt.

Anders gezegd, het eten dat te veel door de mond gaat zou net zo’n volwaardig onderwerp van (beleids)aandacht mogen zijn als eten dat de mond niet bereikt.

Opvolging

We hebben waarschijnlijk nog wel even te gaan voordat het zover is. Want ondanks het kraakheldere signaal dat de Rli laat horen, geldt ook voor dit rapport dat duurzaam en gezond wordt vertaald in termen van vermindering van (dierlijke) eiwitten en niet in de zin van algemene overconsumptie.

Dit doet overigens niets af aan de duidelijkheid van het Rli-advies. Het is te hopen dat het opvolging krijgt. Met een korte tijdslijn tot 2030 dringt de tijd om snelheid te maken met de standaardisering van het plantaardige dieet.

Referenties


1. Rli. Duurzaam en gezond: Samen naar een houdbaar voedselsysteem. 2018. Den Haag: Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur.
2. Transitieagenda Biomassa en voedsel (2018).
3. De Bakker E & Dagevos H. Vleesminnaars, vleesminderaars en vleesmijders: Duurzame eiwitconsumptie in een carnivore eetcultuur. 2010. Den Haag: LEI Wageningen UR.
4. Alexander P, et al. Losses, inefficiencies and waste in the global food system. Agricultural Systems. 2017. 153;190-200.

 

Reageer op dit artikel