artikel

Vleesconsumptie in Nederland: Gedrag gedraagt zich anders dan gedacht

Algemeen

Vleesconsumptie in Nederland: Gedrag gedraagt zich anders dan gedacht

Gedragsverandering is geen eenvoudige zaak, vooral niet als het om gedrag gaat met diepe wortels in de eetcultuur. Een waarheid als een koe, die desalniettemin kan verrassen. Dit is het geval met het huidige vleesconsumptiegedrag in het Nederland. De onlangs verschenen nota Vleesconsumptie in Nederland en de nieuwste Voedselconsumptiepeiling werpen hier licht op (1,2). Dit artikel komt uit de printuitgave van Voeding Nu 8.

Gezien de berichtgeving in de media over plantaardige vleesvervangers, vegetarisme of flexitarisme en de maatschappelijke belangstelling daarvoor, ligt het voor de hand te denken dat Nederland tamelijk massaal afscheid aan het nemen is van het stukje vlees. Een gedachte die zich gemakkelijk laat ondersteunen door het supermarktaanbod, met tal van alternatieven voor vlees, en de dalende verkoopcijfers van vlees in de retail. Er staan ook steeds meer en aantrekkelijker plantaardige productvarianten op het menu van het betere restaurant tot in de snackbar. Het lijkt erop dat we in Nederland volop bezig zijn te ‘vegetariseren’. Ruggensteun hiervoor is eveneens te vinden in de marktanalyses die door banken worden gemaakt, waarin vertrouwen wordt uitgesproken over de groei van vleesvervangende producten. Of in de beleidsaanbeveling die adviesorganen de voorbije jaren bij herhaling hebben gedaan om de balans tussen dierlijk (vlees, vis, zuivel, eieren) en plantaardig (groenten, fruit, noten, peulvruchten) voedsel meer naar de plantaardige kant door te laten slaan. Ons eetpatroon zal dan beter overeen gaan stemmen met de Schijf van Vijf, die voorziet in een gelijke verhouding tussen beide bronnen, en het verschil verkleinen tussen de geconsumeerde hoeveelheid vlees van de gemiddelde Nederlander en de Richtlijnen goede voeding.

Vleesminderen

Het beeld van een vleesminderend Nederland rijst ook op uit verschillende surveys naar flexitarisme, waarin veel Nederlanders aangeven meerdere dagen in de week geen vlees te eten (tijdens de hoofdmaaltijd). Afhankelijk van gehanteerde definities voor flexitarisme scoren dergelijke studies hoge percentages, variërend van 40% tot (ver) voorbij de helft, als het gaat om consumenten die aangeven meerdere dagen in de week een vleesloze warme maaltijd te eten. De ondervraagde 4313 deelnemers aan de nieuwste Voedselconsumptiepeiling 2012-2016 (VCP) laten bij navraag weten wel vaak (6 dagen per week) vlees of vleeswaren te eten, thuis of buitenshuis. Deze populariteit van vlees onder de deelnemers gaat echter samen met een licht dalende vleesconsumptie in vergelijking met de vorige VCP (2007-2010). De cijfers over de jaren 2012-2016 laten een verschil van 8 gram per dag (=8%) zien ten opzichte van de cijfers in de VCP 2007-2010, wat neerkomt op een verschil van bijna 3 kg totaal/ per jaar. Op jaarbasis komt de VCP 2012-2016 gemiddeld uit op circa 36 kg geconsumeerde hoeveelheid vlees. Bij de bottom-up-benadering, zoals gehanteerd in de VCP, wordt bij deelnemers van 1-79 jaar (of hun ouders) nagevraagd wat de afgelopen 24 uur gegeten en gedronken is. Deze dataverzameling op persoonsniveau gebeurt in de VCP op twee verschillende dagen. Bij de top-down-benadering, zoals in de nota Vleesconsumptie, wordt uitgegaan van gegevens over vleesverbruik op nationaal niveau (slachtingen op nationaal niveau; import en export en voorraadmutaties; bestemd voor menselijke consumptie).

Ondanks dat de databronnen dus zeer verschillend zijn, wijkt de hoeveelheid van zo’n 36 kg uit de VCP 2012-2016 niet bijzonder veel af van de ruim 38 kg die in de nota Vleesconsumptie wordt genoteerd¹. Ook de beperkte daling in vleesconsumptie in de jongste VCP 2012-2016 ten opzicht van de VCP 2007-2010 correspondeert met gegevens in de nota in de overeenkomstige tijdvakken. Uitgaande van gegevens over vleesverbruik, is het verschil 1,4 kg (karkasgewicht – ongeveer de helft van het karkasgewicht wordt geconsumeerd) tussen de periodes 2007-2010 (gemiddeld 78,5 kg) en 2012-2016 (gemiddeld 77,1 kg) per jaar per hoofd van de bevolking. Zoals tabel 1 laat zien, volgt de stabilisering in de vleesverbruikcijfers sinds 2016 op een dalende trend tussen 2010-2015.

tabel 1 vn 8

Daden bij het woord

De huidige belangstelling voor vleesvermindering, in de maatschappij en in de media, evenals het aantal mensen dat tot de flexitariërs gerekend mag worden, wekken de indruk dat een sterkere afname in de vleesconsumptie meer voor de hand zou liggen dan bovengenoemde studies aangeven. Welke logica zou er schuil kunnen gaan achter de contradictie tussen enerzijds de aanwijzingen dat vleesmindering maatschappelijk ‘leeft’ en anderzijds de stabilisering van het vleesverbruik zoals de verzamelde consumptiecijfers laten zien? Ondanks dat we deze discrepantie (h)erkennen sinds het begin van de jaren ’10, moeten we gissen naar de juiste antwoorden. Hieronder volgt een aantal suggesties.

Oorzaken van verschil

Ten eerste kan er sprake zijn van een verschil tussen woord en daad. Consumenten geven desgevraagd aan vlees te minderen, maar doen dit misschien in werkelijkheid minder dan gedacht of gewenst. Verschil tussen zeggen en doen is een van de meest notoire problemen van gedragswetenschappelijk onderzoek. Bij zelfrapportage bestaat de kans dat mensen hun gedrag anders schatten of interpreteren dan het in feite is, of dat ze sociaal wenselijk antwoorden. Een andere beperking van deze vorm van onderzoek is dat wat mensen zeggen (intentie) weliswaar als gedragsvoorspeller wordt gezien, maar dat de verklarende variantie niet altijd overtuigend is. Andere factoren, zoals de sociale omgeving, zijn al dan niet behulpzaam om woord en daad parallel te laten lopen. Zo zal het in een gezin waar men gewend is vlees op tafel te zetten om daar met graagte van te eten, minder eenvoudig zijn de intenties om de vleesconsumptie te verminderen in gedrag om te zetten. In sociale settings waar vlees eten de (sociale) norm is, slinken de kansen op support voor het eten van minder vlees en zal het uitoefenen van sociale druk om vlees te minderen sneller ‘drammerig’ en/of ‘betuttelend’ worden gevonden. In huishoudens of groepen waar flexitarisme meer ingeburgerd is, zijn de kansen groter dat er sprake is van enige sociale druk op groepsleden om de vleesconsumptie daadwerkelijk te beperken. Eenzelfde fenomeen doet zich voor op individueel niveau: naarmate men zelf minder vlees eet, voelt men des te sterker de morele verplichting, ten opzichte van zichzelf en anderen, om het eten van vlees te matigen.

Over het algemeen is de eetcultuur in Nederland ‘vleesrijk’ en is er weinig sprake van (uitgeoefende en ondervonden) sociale druk om minder vlees te eten. Hoewel de voedingsomgeving als sturende factor in gedrag zeker veranderd is in het gemakkelijker maken van de vleesloze keuze, moeten we niet vergeten dat vlees overvloedig wordt aangeboden en aangeprezen (vlees wordt bijvoorbeeld graag in de aanbieding gedaan door retailers omdat het een klantentrekker is). De ambivalentie tussen zeggen en doen laat zich dan mogelijk deels begrijpen vanuit de aanzienlijke (individuele en collectieve) ambivalentie die tot op heden bestaat ten opzichte van het eten van vlees.

Veel of weinig vlees

De hierboven aangestipte zelfversterkende effecten tussen gedrag en overtuiging of tussen gedrag en groepsdruk, zouden ook van invloed kunnen zijn op de tweede mogelijke oorzaak voor het verschil tussen de belangstelling voor en de werkelijke daling van vleesconsumptie: de gewoontes van consumenten zijn uit elkaar aan het groeien voor wat betreft de consumptie van vlees. De hoeveelheid vlees die de ‘mediagenieke’ flexitariërs minder eten, is nauwelijks terug te zien in de consumptiecijfers, omdat deze niet opweegt tegen die hoeveelheid die door de aan vlees verknochte consumenten wordt gegeten. Mensen die aangeven dagelijks vlees te eten bij de warme maaltijd, zijn vaak ook de mensen die tijdens het ontbijt en/ of de lunch meer vleeswaren consumeren. Andersom: mensen die bij het warme eten minder vaak vlees eten, nuttigen ook minder vaak vleeswaren.

Het vleesconsumptiepatroon van ‘veeleters’, die alle maaltijden (ontbijt, lunch, diner) graag vlees op het bord hebben, zou de minderende vleesconsumptie van flexitariërs (ruimschoots) kunnen overtreffen en daarmee bijdragen aan de instandhouding van hoge vleesconsumptiecijfers. Een 2018-survey vanuit het Voedingscentrum laat in dit kader een tweedeling zien tussen mensen die bewust proberen minder vlees te eten en mensen die hier helemaal niet mee bezig zijn. De VCP laat een fors verschil tussen mannen en vrouwen zien, wat suggereert dat zich relatief veel mannen onder de verstokte vleeseters bevinden en veel vrouwen onder de fervente flexitariërs. Uit de verdeling in afbeelding 1 is ook af te leiden dat er verschil is te maken tussen ‘grote’ en ‘kleine’ vleeseters.

afbeelding 1 vn 8

Compensatiegedrag

Een derde suggestie betreft de mogelijkheid van compensatie: na een dag zonder of minder vlees, wordt de volgende dag(en) extra veel vlees gegeten. Een van de redenen waarom gedragsverandering zo lastig is, is dat mensen vaak en snel het idee hebben dat ze iets moeten ‘opgeven’; er is dan dus sprake is van een gevoel van verlies. Verlies is een van de gedragsresultaten die we het liefste willen vermijden. Geen wonder dus dat wanneer mensen een verlies ervaren, ze dat willen compenseren. Verminderde vleesconsumptie is in verband te brengen met dit gedragsfenomeen. Niet dat mensen massaal en ruiterlijk zullen toegeven dat ze na een vleesloze dag extra behoefte hebben aan vlees, maar ander ‘groen’ gedrag leert ons dat we in de praktijk onszelf – hoe onbewust misschien ook – zulk ‘compensatiegedrag’ gunnen. Na iets ‘goeds’ gedaan te hebben geven we onszelf permissie een ‘slechte’ keuze te maken. In psychologietaal hebben we het dan over het licensing effect of self-licensing.

Hoe interessant deze suggestie ook is, op basis van de nota Vleesconsumptie in Nederland of de VCP 2012-2016 is er, gezien het abstractieniveau en de aard van deze onderzoeken, verder niets over te zeggen. In nader onderzoek naar deze mogelijke oorzaak van de discrepantie tussen consumptie en vermeende trend, zou ook aan de orde moeten komen of en door welk alternatief vlees vervangen wordt op een vleesloze dag en hoeveel en welk soort vlees gegeten wordt na een vleesloze periode. Beide vormen van ‘compensatie’ zijn nog nauwelijks onderzocht.

Verwachting en verlaging

Gedrag is grillig. Ook omdat het niet altijd in overeenstemming is met verwachtingen. Op basis van de stevige interesse die er tegenwoordig is voor vleesminderen, plantaardig eten en de steeds groter wordende groep flexitariërs, is substantiële en scherpe verlaging in de huidige vleesconsumptie te veronderstellen. Maar dit vermoeden vindt weinig weerklank in de nieuwe VCP en de recente vleesverbruikscijfers. Vleesconsumptiegedrag gedraagt zich dus anders dan gedacht.

¹ De cijfers kruipen nog dichter bij elkaar als de dagelijks geconsumeerde hoeveelheid vlees van 9-69-jarigen uit de VCP wordt vergeleken met de uitkomst van 38,3 kg/365 dagen: in beide gevallen zo’n 104 gram per dag.

Referenties

  1. Dagevos H, Verhoog D, Van Horne P, & Hoste R. Vleesconsumptie per hoofd van de bevolking in Nederland, 2005-2017. Wageningen Economic Research. http://library.wur. nl/WebQuery/wurpubs/fulltext/464580
  2. RIVM. Wat eet en drinkt Nederland: Resultaten van de Voedselconsumptiepeiling 2012-2016. 2018. Bilthoven: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. https:// www.wateetnederland.nl/
Reageer op dit artikel