artikel

Danseres en diëtiste Karin Lambrechtse: ‘Je moet afvallen, anders halen we je uit de voorstelling’

Algemeen

Danseres en diëtiste Karin Lambrechtse: ‘Je moet afvallen, anders halen we je uit de voorstelling’

Ze trainde als tiener in de topsporthal met Epke Zonderland in Heerenveen, als turnster, maar stapte al vrij snel over naar jazzdans sport waarin ze Nederlands kampioene werd. Toen ze een voorstelling van het Nederlands Danstheater (NDT) zag, was ze vrijwel meteen verkocht aan dans. Dit artikel komt uit de printuitgave van Voeding Nu 1.

‘Dat raakte me zo, ik vond dans mooier dan sport, waarin het vooral gaat om winnen en de beste zijn. Ik wilde een verhaal vertellen aan een publiek.’ Als 38-jarige danst ze nog steeds en is ze gaan werken als dans- en sportdiëtiste.

Eigenlijk was het Karins eerdere bedoeling naar het conservatorium te gaan. Ze speelde dwarsfluit, maar door een noodlottige beet van een huisdier in haar lip kon ze dat niet meer. Het conservatorium viel af, creatieve uitlaatklep vond ze in dans. ‘Ik was toen al een jaar of zestien’, vertelt ze op een terras in Arnhem, de plaats waar ze woont en werkt. ‘Een aantal docenten had me al voor mijn leeftijd gewaarschuwd.’ Maar toch, ze deed auditie voor de dansacademie in Arnhem, werd aangenomen en begon daar aan de docentenopleiding voor dansers, maar vanwege haar drang om uitvoerend danser te worden, stapte ze over naar die richting.

Eenmaal klaar met haar studie in 2003 kon ze snel aan de slag bij Introdans in Arnhem. ‘Dat was best ongelofelijk’, blikt Karin terug. Naast het Nationaal Ballet en het Nederlands Dans Theater, is Introdans een van de drie grootste, door de overheid gesubsidieerde dansgezelschappen van Nederland. ‘Dat betekende dagelijks trainen van tien tot vijf en vaak ’s avonds nog het theater in, twee tot vijf voorstellingen per week. Ik heb het elf jaar gedaan en het was fantastisch. Samen met twaalf dansers stond ik op Broadway in New York en reisden we onder andere naar Indonesië.’

Te dik

KL12Tijdens haar danscarrière bij Introdans, waar ze in 2013 stopte, verdiepte ze zich al in haar voeding. ‘Thuis waren wij vroeger al veel met voeding bezig’, zegt ze. ‘Mijn ouders waren een soort geitenwollensokkentypes, heel milieubewust; het eten kwam uit de tuin of van de boer, dus aandacht voor voedzaam eten was me niet vreemd.’

Het belang van voeding begon nog meer te leven toen ze bij Introdans op het matje werd geroepen. ‘Je doet het heel goed hoor’, zeiden ze, ‘je hebt een contract, maar we vinden je wel te dik (ik was 1.73 en 59 kilo). Daar schrok ik van en ik was er natuurlijk niet blij mee. Dan was het: “afvallen of we halen je uit de voorstelling”. Na zo’n opmerking gaat de deur dicht en sta je er alleen voor. Als danser word je niet beoordeeld op je CV of competenties, maar puur op hoe je lichaam eruit ziet en je danstechniek. Dat is heel persoonlijk en best hard.’

Er zat dan ook maar één ding voor haar op, afvallen, en daarin zocht ze haar eigen weg. Daarbij keek ze naar de voedingspraktijk in de sportwereld, waar ze vanuit haar wedstrijdervaring al enigszins mee bekend was. ‘Ik vergelijk professioneel dansen weleens met topsport, al zijn de gebruiken in deze sectoren nogal verschillend’, licht Karin toe. ‘Als je goed gecast wordt in een voorstelling, ben je iedere dag heel intensief bezig. Je verbrandt wel drie- tot vierduizend kilocalorieën per dag. Maar anders dan in veel sporten, heeft dansen veel meer een stop-and-go-karakter. Je bent tien minuten heel intensief bezig en dan weer een poosje niet. Veel sporters kunnen tussendoor eten of drinken, maar voor een danser die op het podium staat, is dat meestal niet mogelijk. Je kunt niet even achter het decor duiken om bijvoorbeeld wat water te gaan drinken. Bovendien mag je op het toneel niet laten zien dat je moe bent. Er spelen dus veel factoren een rol. En als je van tien tot vijf traint en slechts een half uurtje pauze hebt, dan red je het ook niet alleen met vier boterhammen met beleg weg te werken.’

Ze constateerde destijds al dat er voor dansers eigenlijk niets geregeld is op het gebied van voeding. ‘Naar wie moest ik toe voor advies? Het is anders dan in de sport, waarin het gaat om een uiteindelijke prestatie waar vaak een heel team aan meewerkt, inclusief een sportdiëtist. Dansers streven ook naar een prestatie, ze werken bijvoorbeeld naar een première toe. Dan is het de hele week ervoor hard werken in het theater. Na de première is het feest met de nodige drankjes tot in de late uurtjes en de volgende dag gewoon weer een matinee. Dat zou een sporter nooit doen. Het is een andere wereld, maar er zijn veel mogelijkheden om de kennis over sportvoeding toe te passen bij dansers. Ik vind het mooi om beide te combineren.’

Eigen sportboek, niet voor fitgirls

Gedurende haar danscarrière ontwikkelde Lambrechtse al zelf recepten om beter en effectiever te kunnen eten tijdens de trainingen en rond de voorstellingen, zoals zelfgemaakte, makkelijk verteerbare energierepen: ‘Compacte voeding met genoeg energie, om te “grazen”.’ Later bundelde ze haar kennis en ervaring in het boek SPORTables, dat in 2016 uit kwam. Ze werkte daarvoor samen met klasgenoot en diëtist in opleiding Eline van der Raad. Inmiddels was ze, naast haar danscarrière bij Introdans, begonnen aan de deeltijdstudie Voeding en Diëtetiek in Den Haag. ‘Er ging toen een nieuwe wereld voor me open’, zegt ze. ‘Ik weet nu dat er in de danswereld rond voeding vaak maar wat wordt gedaan. Omdat ze jarenlang dingen op hun eigen manier en naar eigen inzicht doen, ontwikkelen veel dansers hun eigen regeltjes of bijgeloof. Zo wordt door sommigen gedacht dat je na een voorstelling niet mag eten, want dan word je dik.’ Ze lijkt nog steeds verbaasd: ‘Waarom weten wij als dansers bijvoorbeeld niet dat je je eiwitten na een intensieve inspanning zo snel mogelijk moet aanvullen voor optimaal herstel? Met dit soort kennis kunnen we ons lichaam veel beter ondersteunen.’ Het SPORTables-boek wordt gebruikt door sporters en dansers, maar ook door drukke workaholics, en staat vol met weetjes en recepten voor tijdens, voor en na een sportieve of creatieve inspanning: het sportbananenbrood, eiwitrijke pannenkoekjes, compacte koolhydraatrijke repen en gezonde vezelrijke tussendoortjes voor de kantoorman of -vrouw. ‘Het boek is niet gemaakt voor fitgirls, want elk lijf is anders en smaken verschillen. Het ging en gaat mij niet om te dunne, strakke lichamen; ik zie liever gezonde, energieke lijven! In sommige recepten zit inderdaad suiker. Dat is niet erg, want als je sport, heb je suikers als directe energiebron gewoon nodig.’

Deficiënties

Voor haar afstuderen aan de Haagse School voor Voeding en Diëtetiek deed Karin onderzoek naar de lichaamssamenstelling van dansers. Nog niet alle gegevens die ze verzamelde, zijn verwerkt. Volgens haar bestaat een goede lichaamssamenstelling van een danser uit de combinatie van een laag vetpercentage en een relatief lage spiermassa. ‘Dansers zijn lean, waarbij mannen iets meer spieren mogen hebben dan vrouwen’, weet ze. ‘Anders is het bij sporters, waar het vaak gaat om meer spiermassa voor optimale performance. Omdat dansers opgroeien met weinig dansspecifieke voedingskennis, zie je dat dansers vaak deficiënties hebben, met name in de energiebalans, ijzer, vitamine D en calcium. In mijn onderzoek zie je dat bijvoorbeeld vooral terug in een onregelmatige menstruatiecyclus of de slechte botmineraaldichtheid. Dit tekort wordt deels gemaskeerd doordat de botaanmaak gestimuleerd wordt door de bewegingen die een danser maakt.’

Dansmagazine

KL6Nog voor Karin in 2018 afstudeerde als diëtist, bouwde ze in haar praktijkruimte in Arnhem al een kleine clientèle op via de danswereld. ‘Ik kon natuurlijk pas echt goed als diëtiste van start met een diploma op zak. Maar dansers uit vrijwel het hele land wisten me te vinden, doordat ik een blog had in het dansmagazine. Het was nog niet mijn bedoeling om meteen adviezen te gaan geven, maar ik kreeg de vraag of ik mensen wilde helpen. Nu behandel ik ook Jan en alleman, maar de hoofdmoot bestaat uit dansers, ouders met kinderen die gaan dansen, dansstudenten, oud-dansers, maar ook (top)sporters. Het loopt aardig, dankzij mond-tot-mond-reclame.’ De kennis uit haar afstudeeronderzoek en haar ervaring neemt ze mee in haar voedingsadviezen. Er zijn in Nederland zo’n zeshonderd professionele dansers, van wie velen nog geen volwaardige voeding tot zich nemen. ‘Voor dansers is het belangrijk dat ze mentaal in orde zijn en energie hebben, goed in hun vel zitten, dan performen ze beter. Daarvoor hebben ze vaak ook allerlei rituelen. Sommigen zweren bijvoorbeeld bij het eten van nootjes. Dat is op zich gezond, maar tijdens een intensieve dansvoorstelling van negentig minuten zullen ze je niet voldoende energie geven. Sommige dansers hebben geleerd om met weinig eten heel veel te doen, omdat dansen met een volle bolle buik natuurlijk niet prettig is. Dat kan soms oké zijn, in het geval van rustige, weinig intensieve, korte balletten. Het is echter lastig om op die manier een gebalanceerd eetpatroon te krijgen, zeker wanneer er lang, intensief en explosief gedanst wordt.’

Timing

Volgens Lambrechtse is, naast voedselinname, de timing van de voeding bij dansers een onderschat probleem. ‘Soms wordt er te kort op de training ontbeten of worden niet de juiste producten tussendoor genomen: te veel koffie, cola of roken tussendoor, wat op zich al niet gezond is. Dat kun je dansers niet kwalijk nemen, omdat ze vaak geen of te korte pauzes krijgen. Veel dansers met wie ik spreek, worden zich bewuster van hun voeding. Maar ik heb er ook weleens wat discussie over. Velen zien dans vooral als kunst, wat het ook is, en zichzelf als kunstenaar. Daar vinden ze vaak een bepaalde leefstijl bij horen. Ikzelf zie dans vooral als topsport, ook al is dans een kunstvorm en daarmee niet meetbaar zoals sport. Daarnaast is er ook geen dopingcontrole, je kunt als danser, bij wijze van spreken, van alles uitspoken. Vooralsnog probeer ik zoveel mogelijk de sportvoedingsrichtlijnen toe te passen, gecombineerd met mijn eigen dansspecifieke ervaringen. Bijvoorbeeld: minstens drie uur voor de voorstelling een volwaardige maaltijd, geen vezelinname tijdens inspanning in verband met maagdarmklachten, voldoende koolhydraten (waar velen toch wel een beetje bang voor zijn tegenwoordig) en optimale aanvulling van eiwitten en vocht achteraf.’

Voedingsdocent

Behalve in haar praktijk, werkt ze ook nog als voedingsdocent aan de Artez hogeschool voor de kunsten in Arnhem en de Fontys hogeschool voor de kunsten in Tilburg, de minor Lifestyle van de Han in Nijmegen en ze is betrokken bij de begeleiding van het paralympisch team van de Koninklijke Nederlandse Zwembond. In Arnhem en Tilburg geeft ze voedingsvoorlichting en doet ze ook metingen van de lichaamssamenstelling en voedingsstatus. ’Veel volwassen dansers of kinderen die juist met dansen beginnen, hebben een aparte relatie met hun lichaam en hun voeding’, weet Lambrechtse. ‘Er wordt in de danswereld anders met voeding omgegaan dan in de “normale” wereld. Niet dat er meteen altijd sprake is van een eetstoornis, maar vaak zie je wel verstoord eetgedrag. Enerzijds komt dat doordat je, als je intensief moet dansen en nauwelijks pauzes hebt, een afwijkend eetpatroon krijgt, anderzijds doordat je lichaam er perfect en volgens bepaalde regels uit moet zien.’

Wanneer er wel sprake is van een eetstoornis kan dit zowel anorexia of boulimia zijn of een combi van beiden. ‘Het is een ziekte die vooral tussen de oren zit. Je ziet bijvoorbeeld bij veel jonge meiden al dat ze bepaalde dansidolen hebben. Dat zijn sterdansers met het ideale ranke en slanke lijf en dat willen zij ook. Op jonge leeftijd zijn ze zich daarvan al heel bewust. Sommigen gaan daardoor extreem lijnen en in enkele gevallen slaat een danser door. De vraag is hoe je daar het beste mee omgaat en het is sowieso nodig de psychische aspecten wat verder uit te diepen. Om deze reden vind ik het belangrijk om ook voorlichting te geven aan ouders van jonge kinderen die gaan dansen.’

Maar niet alleen de ouders van aanstaande dansers of dansers zelf kunnen adviezen gebruiken. ‘Ik vertel ook tegen mede-docenten en dansleerlingen dat je pas na de pubertijd kunt zeggen hoe een lichaam zich uiteindelijk ontwikkelt, wat van belang is voor de keuze voor het soort dans en de mogelijkheden van het lijf van die dansers. Je kunt niet altijd verwachten dat iedereen heel mager wordt, want iemand heeft gewoon een bepaalde bouw.

Door de esthetische eisen die aan ballet worden gesteld, vindt een natuurlijke selectie plaats. Gelukkig komt er in de danswereld, met name in de moderne dans maar ook in ballet, steeds meer ruimte voor diversiteit in lichamen en kijken ze ook naar wat voor energie en emotie een danser brengt.’

KL8

Geen geheimen

De worsteling waar dansers mee kunnen zitten, kent Lambrechtse ook nog uit haar eigen studietijd toen ze samenwoonde met een dansstudente met een eetstoornis. ‘Ik kon door de vele trainingsuren eigenlijk eten wat ik wilde. Daar gaf zij vaak opmerkingen of commentaar over. Ik had niet in de gaten dat er een eetstoornis speelde destijds, maar om haar niet te belasten en de sfeer gezellig te houden, at ik in een andere kamer. Nu, als diëtist en door het volgen van de post-hbo Eetstoornissen, heb ik er als het ware een zesde zintuig voor gekregen. Als ik de signalen van een eetstoornis zie, dan spreek ik dansers er indirect of direct wel op aan. Of ze komen er bijvoorbeeld na de les zelf mee, omdat ze zich begrepen voelen en hulp durven te zoeken. Laatst hadden we op een opleiding een meisje dat na enige aarzeling toch vertelde dat ze last van eetbuien en braken had. We hebben dat toen in de groep besproken, waarna ze tips kreeg van de hele groep. Zo bijzonder!’

Volgens Lambrechtse is het kenmerkend voor dansers dat ze een sterke drive en passie hebben. Het zijn heel gemotiveerde, harde werkers, maar ook gevoelige, perfectionistische en onzekere personen. ‘Ook toen ik zelf te horen kreeg dat ik te dik was of eigenlijk al te oud voor ballet, had dat een grote impact’, verhaalt ze. ‘Ik dacht: oké, klopt, ik ben gespierd, maar ik ben toch niet te dik? Ik wist dat ik geen perfect balletlichaam had. Ik was misschien te oud, maar danseres worden was mijn droom. Ik wilde het zó graag, ik deed er alles aan om het te halen. Dus moest ik streven naar dat specifieke type lichaam. Ik ging meer sporten en anders eten. Gelukkig lukte het mij om het op een gezonde manier te doen. Waarbij ik wel op het randje heb gestaan, maar de drang naar een gezonde carrière was sterker. Het mooie was dat de verandering van de soort trainingen die ik kreeg bij Introdans, de vorm van mijn spieren ook al deed veranderen. Ik kreeg door meer balletspecifiek te trainen een meer klassiek lichaamstype. Mijn lijf veranderde (voor zover mogelijk) van sporter naar een neoklassieke danseres. Dat komt doordat je bij turnen en jazzdanssport de meeste oefeningen parallel uitvoert; bij ballet moet je bijvoorbeeld je voeten, benen en heupen steeds uitdraaien. Ook de houding van de romp is anders: je gebruikt andere spiergroepen. Bij turnen had ik billen en een holle rug, bij ballet werd alles platter en rechter, mijn billen verdwenen en de spieren pasten zich aan op het gebruik.

Ontwikkeling

Lambrechtse ziet tot haar genoegen wel ontwikkelingen in het danslandschap. Was vroeger de professionele dans nogal sterk gericht op ballet, met de daarbij horende magere lichaamsbouw, tegenwoordig zijn er veel meer type dansers en dansstijlen. Hedendaagse dansers moeten allerlei dansstijlen beheersen. ‘Ze moeten bij tv-shows de gekste capriolen uithalen, van spitzenwerk tot urban dance moves. Het is niet meer zo strikt als hoe het was en het eigenlijke, persoonlijke, gezonde en energieke lijf krijgt meer ruimte en waardering. Gelukkig!’

Reageer op dit artikel