artikel

De Tweede Wereldoorlog: In vijf jaar nam het aandeel koolhydraten in de voeding toe, vetten en eiwitten namen af

Algemeen

De Tweede Wereldoorlog: In vijf jaar nam het aandeel koolhydraten in de voeding toe, vetten en eiwitten namen af

Dit jaar bestaat het tijdschrift Voeding (Nu) tachtig jaar: zestig jaar Voeding en twintig jaar Voeding Nu. Het eerste nummer van Voeding verscheen op 15 april 1939. In 1998 ging het samen met Voeding en Voorlichting (vakblad voor praktiserende voedingskundigen), waarna Voeding Nu ontstond. Komend jaar blikken we aan de hand van verschillende thema’s terug op tachtig jaar voedingsinformatie. Deze eerste aflevering gaat over de oorlogsjaren en koolhydraten. Dit artikel komt uit de printuitgave van Voeding Nu 3.

Aan de vooravond van het begin van de Tweede Wereldoorlog, in 1939, werd de Stichting tot Wetenschappelijke Voorlichting op Voedingsgebied opgericht. ‘Een aantal personen, optredende als vertegenwoordigers van organisaties en instellingen, die op uiteenlopende wijze betrokken zijn bij de voedselproductie door den Nederlandschen Land- en Tuinbouw en bij het tot stand komen van voedingsgewoonten in ons land, hadden daartoe de handen ineen geslagen’, is te lezen in de eerste alinea van het tijdschrift Voeding van 15 april 1939. Een periodiek vonden ze het meest geschikt om informatie uit te wisselen, bij gebrek aan andere middelen. Alle betrokkenen bij de stichting en het tijdschrift waren ‘eensgezind van meening, dat de hedendaagsche voeding ook in ons land thans nog afwijkt van een zogenaamde optimale voeding’. Voor hen was een optimale voeding destijds ‘een voeding die zoo gekozen zou zijn, dat geen enkele verbetering ervan meer invloed zou hebben op den gezondheidstoestand’. Ook constateerde de redactie dat voeding een buitengewoon gecompliceerd onderwerp is en dat in de 25 jaar voor de oprichting van Voeding ‘nieuwere gegevens nagenoeg elk probleem op dit veelzijdige gebied ingewikkelder hebben gemaakt’.

In de eerste jaargang verschenen inleidingen geschreven door onder ander S. Louwes, de toenmalige ‘Regeeringscommissaris voor den Akkerbouw en de Veehouderij’ die het belang van een tijdschrift onderstreepte voor ‘enerzijds de volksgezondheid (…) en anderzijds voor de bodemcultuur’. Volgens hem was algemeen bekend ‘dat van eenig inzicht in de grondbeginselen, waarop een goede volksvoeding behoort te berusten, bij de groote massa helaas geen sprake is. En tenslotte is verbreiding van kennis op voedingsgebied mede nog van het grootste gewicht, (…) indien (Nederland, red.) onverhoopt opnieuw in een toestand van afsluiting als gevolg van een oorlog zou komen te verkeren. Dan toch zal het er in ieder gezin om gaan, het weinige alsdan beschikbare op de gunstige wijze uit te buiten en de alsnog mogelijke meest doelmatige rantsoeneringen in toepassing te brengen’, zo schreef hij.

Voeding in de oorlogsjaren

Gedurende de Tweede Wereldoorlog bleef het tijdschrift Voeding regelmatig verschijnen tot augustus 1944. In het laatste oorlogsjaar was er een stop op de productie. In oktober 1945, na het einde van de oorlog, verscheen het weer. In het eerste uitgiftejaar stonden er artikelen in over allerlei onderwerpen die ook nu nog actueel kunnen zijn, zoals de relatie tussen voeding en cariës (caries dentium), toen veelal tandwolf genoemd. Ook werd ingegaan op Richtlijnen voor de schoolvoeding van schoolplichtigen van 6-14 jaar. Schoolmelk werd daarin beschouwd als een ‘aanvulling die door haar volledige samenstelling bij uitstek geschikt is om de voeding van elk kind in de richting van een optimum te doen verschuiven’. Er was vooral zorg over de kinderen die door armoede thuis geen volledige voeding konden krijgen. Dankzij liefdadigheid konden zij, op advies van een arts, op school een maaltijd gebruiken (met uitzondering van de vakanties). Ook ging het in het eerste verschijningsjaar over zelfvoorziening, in het bijzonder met aardappelen en groenten. ‘Daar waar de huisvrouw over een lapje grond beschikt – we denken hierbij in de eerste plaats aan het platteland, maar ook aan de “volkstuinders” in de steden – zal zij met eenigen goeden wil en met doelmatige voorlichting veel van wat in de voeding ontbreekt zelf kunnen aanvullen’, schreef privaatdocent in de voedingsleer aan de Universiteit van Amsterdam E. Van ’t Hoog , tevens initiatiefnemer van het tijdschrift Voeding. Dit werd gepubliceerd in 1939, een jaar voordat Duitsland in mei 1940 de oorlog aan Nederland verklaarde. In augustus 1940 begon de daadwerkelijke bezetting. De artikelen in de oorlogsjaren behandelen allerlei wetenschappelijke en praktische onderwerpen, zoals de voedingswaarde van boter of lindebloesem, conserveringsmethoden, het vitamine C-gehalte van pepers of de psychologische zijde van de diëtetiek.

Voeding op de bon

afbeelding 1 VN3Onder dreiging van de Tweede Wereldoorlog werd in Nederland in 1937 al het Rijksbureau Voorbereiding Voedselvoorziening in Oorlogstijd in het leven geroepen (afbeelding 1.). Deze had tot taak ‘economische oorlogvoering op het gebied van voedselvoorziening van het Nederlandsche volk’. Onmiddellijk na de bezetting werden maatregelen getroffen voor de distributie van voedselvoorraden. Daarbij werd rekening gehouden met de energiebehoefte van arbeidsklassen. Op 14 oktober 1939 kwam suiker al op de bon, langzamerhand volgden meer producten. Na 1940 nam het artikelen op de bon sterk toe, achtereenvolgens: koffie, thee, brood, bloem, rijst, boter, margarine, havermout vermicelli, vlees, kaas, gort, eieren, koffiesurrogaat, melk en ten slotte, op 26 april 1941, ook aardappelen, gevolgd door jam, taptemelk, cacaopoeder, kinderdrankpoeder en gemengd meel. Ook werden vanaf 1941 keukens opgericht die ‘bonloos’ maaltijden verstrekten als bijvoeding voor arbeiders. Dagelijks werden op deze manier 450.000 arbeiders via 140 keukens voorzien van een maaltijd met zo’n 600 kcal.

Afbeelding 1. Verloop van de calorie-inname gedurende de Hongerwinter, over de periode van 3-9-’44 tot 5-8-’45.

Suiker op rantsoen

Na het begin van de oorlog verschenen ook steeds vaker artikelen over de gevolgen ervan voor de voeding in Nederland. ‘Heeft het tijdschrift Voeding in de omstandigheden, waarin wij op het oogenblik leven, een taak te vervullen?’, vroeg Martine Wittop Koning uit Huizen zich af in een artikel over de rantsoenering van suiker, koffie en thee. Deze ‘leerares in koken en voedingsleer te Huizen’ vond het een verplichting om richting te geven in een periode ‘waarin wettelijk voorgeschreven afwijkingen van oude bekende gewoonten zijn te verwachten’. Bekeken door de ogen van de huisvrouw noemde ze de suikerrantsoenering zeker ingrijpend, want suiker werd gezien als leverancier van calorieën. Maar het leek haar geen bezwaar als de consumptie in het algemeen omlaag zou gaan vanwege de rantsoenering. ‘Suikerverlaging is zonder eenige bijgedachte aan rantsoenering een maatregel in het belang der volksgezondheid’, schreef zij met het oog op het ontstaan van tandwolf. Dat een vermindering van het suikerverbruik in de praktijk tot 35 gram per dag mogelijk is, leidde ze af uit de consumptie van de 24 gram per dag in 1892. ‘Rekening houdende met dit precedent, kan ook de huisvrouw van thans het suikergebruik tot het hoognodige beperken. (…) Wat de waarde van suiker als genotmiddel betreft, kan opgemerkt worden, dat ons smaakorgaan zich betrekkelijk snel weet aan te passen en dat de voorliefde voor iets zoets in de meeste gevallen gemakkelijk kan worden afgewend. Wie het eerste glas karnemelk, het eerste bordje pap, het eerste kopje thee of de eerste portie aardbeien zonder suiker een bedenkelijke tractatie vindt, zal eenige weken later waarschijnlijk terugschrikken voor dezelfde spijs of denzelfden drank in de zoeten vorm van vroeger. Voor wie een dergelijke smaakaanpassing niet mogelijk blijkt te zijn, zijn overigens de aan saccharine verwante zoetstoffen bruikbare hulpmiddelen.’ Ter vergelijking, momenteel krijgt een Nederlander gemiddeld 110 gram suikers per dag binnen (zowel toegevoegde suiker, ca. 60 gram, als de van nature aanwezige suiker in bijvoorbeeld fruit). Voor het gebrek aan koffie of thee stelde Wittop tal van andere dranken voor. ‘Hoe komen we toe met ons koffie- en theerantsoen?’, schreef ze. ‘Door koffie en thee niet te blijven beschouwen als de eenige dranken, die de huisvrouw aan huisgenooten of aan gasten kan voorzetten, maar ze aan te nemen als mogelijkheden naast andere voor het dagelijksch gebruik geschikte dranken en ze in afwisseling daarmee dienst te laten doen.’ En zo geeft ze voor suiker, koffie en thee wat alternatieven en voegt ze recepten toe, bijvoorbeeld voor rozebottelthee of groentebouillon.

Goed gevoede aanstaande moeders

Gaat het in de beginjaren van de oorlog nog om genotsproducten als koffie, thee en suiker, naarmate de oorlog vordert, komen serieuzere voedingsproblemen aan bod. Zo schrijft diëtiste en lerares N. Van den Broek in 1943 een artikel getiteld: Hoe benaderen wij in dezen tijd een zoo volledig mogelijke voeding voor de aanstaande moeder? In een tijd van rantsoenering vindt zij dit onderwerp een uitgebreide beschouwing waard. Ze doet enkele speciale raadgevingen. De voeding van de zwangere moet zoutarm zijn; de aanstaande moeder moet zoveel mogelijk profiteren van zon en buitenlucht, vanwege de behoefte aan vitamine D; de moeder moet streven naar voldoende vitamine K door groente die hieraan rijk is te nuttigen en ze beveelt gist en gistextracten aan voor de toevoer van B-vitamines. ‘Door een juiste keuze van de thans ter beschikking staande voedingsmiddelen, door een doelmatige voedselbereiding (…) is de mogelijkheid geschapen dat de toekomstige moeder ook onder de huidige omstandigheden zich zoodanig voedt, dat zij aan de behoeften van zichzelf en haar kind kan voldoen. Teneinde dit te verwerkelijken, is het verstrekken van goede voorlichting dringend geboden’, aldus Van de Broek. Na haar artikel staat nog een stuk Over iets nieuws op groentegebied, van de eerder geciteerde Martine Wittop. Terwijl Chinese kool en witlof rond de oorlogsjaren in Nederland al ingeburgerd zijn, is volgens haar artikel nu ook het gewas Namenia beschikbaar dat het kweekresultaat is van de heer Van Namen te Slikkerveer. Het betreft een gewas, een soort raapstelen, dat van omstreeks april tot aan de winter een overvloedige opbrengst geeft. Het gaat om een plant in de familie van kruisbloemigen, die als bladgroente als sla of gekookt kan worden gegeten. Een andere nieuwe groente die in de oorlogstijd opkomt en genoemd wordt door Wittop, komt van Niek Zwaan’s Zaadhandel in Enkhuizen: de ‘wobbie’. De naam is door de bedenker afgeleid van het gewas zelf: een kruising tussen een biet en een wortel, een soort wortelbiet. Volgens de auteur van het artikel is deze naam geen gelukkige keuze, ‘die meer doet denken aan den banketbakkerswinkel, het kinderspeelgoedmagazijn of het terrein van de surrogaten dan aan den degelijken Hollandschen Moestuin. Waarom in plaats van dit fantasienaampje niet de logische betiteling van wortelbiet? (…) Intussen blijkt uit mijn correspondentie met den heer Zwaan, dat aan de betiteling “wobbie” niet meer te tornen valt…we zullen er ons dus aan moeten wennen’, aldus Wittop.

Na de oorlog

Een jaar na de oorlog blikken de auteurs Dols en Van Ancken in een artikel met uitgebreide tabellen terug op de voedselvoorziening in Nederland tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog. Volgens hen stond de voedselvoorziening voor die tijd op een hoog peil: ‘Dit betrof niet alleen het aantal calorieen, dat per hoofd van de bevolking werd gebruikt, maar evenzeer de keuze en de kwaliteit van de voeding.’ Maar ze wijzen erop dat destijds Nederland sterker dan andere ons omringende landen afhankelijk was van invoer die al bemoeilijkt werd vanaf 1939. ‘Gedurende de Duitsche bezetting was hij (de invoer, red.) onmogelijk. Nederland was derhalve voor zijn voeding vanaf mei 1940, geheel aangewezen op de gevormde voorraden levensmiddelen en grondstoffen, alsmede op de binnenlandse productie.’ Dit betekende dat de pluimvee- en varkensstapel moest inkrimpen: ‘Pluimvee en varkens zijn namelijk concurrenten van den mensch met betrekking tot het graanverbruik. Deed men dit niet, dan zou ongetwijfeld het eigen verbouwd graan alsmede de voorraad geheel door deze dieren zijn opgegeten.’ Het terugvallen van de veestapel betekende niet alleen dat er minder vlees voorradig was, maar ook dat zuivelproducten als melk en boter afnamen. In de loop der oorlogsjaren is te zien dat vooral de hoeveelheid ingenomen vetten en eiwitten kleiner wordt, ten gunste van (beter beschikbare) koolhydraatbronnen. Tijdens de oorlog werd de verbouw van aardappels gestimuleerd, waarbij het areaal van 130.000 ha voor de oorlog toenam tot 210.000 ha in 1943. Ook het koolzaadareaal breidde in dezelfde jaren uit van 3000 ha tot 50.000 ha. Rogge vermeerderde van 110.000 tot 300.000 ha. Uitgerekend was dat de behoefte van 2000 kcal per dag per hoofd van de bevolking gehaald zou moeten worden onder ideale teeltomstandigheden. Tot 1943 lukte dat aardig, maar daarna trad een daling in. Oorzaak: een gebrek aan kunstmest, een tekort aan werktuigen, arbeidskrachten, toenemende sluikhandel en inundaties door de bezetter.

De Hongerwinter

Gedurende de oorlogsjaren nam het aantal geconsumeerde calorieën in het algemeen af, maar de meeste honger werd geleden in het westen van Nederland in de periode tussen augustus 1944 en mei 1945. Toen verbood de bezetter het transport van goederen uit het noorden en oosten naar het dichtbevolkte gebied in het westen van Nederland, als een represaillemaatregel tegen de door de Nederlandse regering in Engeland opgeroepen spoorwegstaking. Toen de reserves in het westen na november 1944 op waren ‘begon de echte hongersnood haar intrede te doen’, schrijven auteurs Dols en Van Ancken. ‘Meer en meer waren de menschen gedwongen om de steden te verlaten op zoek naar voedsel in de productiegebieden. Velen volbrachten de tocht niet en keerden nooit terug. (…) Wanneer op 29 april 1945 de laatste kilogram aardappelen is aangewezen, en de laatste 400 gram brood zijn bekendgemaakt (via het distributiebonnensysteem, red.) begint de hulp der geallieerden. Binnen drie weken is een hoogte van 2400 cal. per dag bereikt.’ Het was de tijd die door veel Nederlanders geassocieerd wordt met het eten van tulpenbollen. Ook over de voedingsmiddelen die vrij onbekend waren voor de oorlog, maar tussen 1940 en 1945 werden gegeten, verschenen artikelen in Voeding.

Met dank aan het Haags Gemeentearchief

Reageer op dit artikel