Gezondheid, voeding en innovatie *

attachment-Aardappels-met-meer-antioxidanten-september-2009

Gedurende de laatste 2 decennia heeft de levensmiddelenindustrie sterk geïnvesteerd om kennis, die verkregen is uit wetenschappelijk onderzoek, om te zetten in de ontwikkeling van concepten van gezonde voeding. Vaak gaat het daarbij om functional foods die de behoefte aan een gevarieerd en evenwichtig voedingspatroon kunnen aanvullen. Voor een product op de markt komt moet er echter wel een algemene consensus bestaan over het nut van het product dat moet voldoen aan basale consumentenbehoeften zoals prijs, smaak en ‘gemakkelijk te gebruiken’. Dit is het eerste deel van een artikel dat inzicht geeft in een aantal facetten die hierbij komen kijken.

  • Er zijn verschillende bewegingen die

  • bijdragen aan innovatie, aan de ontwikkeling van nieuwe of functionele
  • voedingsmiddelen. Zo hebben gegevens rond de ongunstige effecten van stoffen die
  • in de voeding voorkomen of die er door de voedselbewerking in zijn gekomen,
  • ertoe geleid dat de aanwezigheid van deze stoffen nu zoveel mogelijk beperkt
  • wordt en dat innovatief gezocht is naar alternatieven. Hierbij valt te denken
  • aan transvetzuren, acrylamide, natrium en gewoon verzadigd vet. Een vermindering

gaat echter niet zonder slag of stoot en gaat vaak gepaard met grote kosten.


Een interessant voorbeeld zijn de transvetten.

Ze ontstonden door het industrieel bewerkingsproces  (hydrogeneren) van vloeibare vetten die weinig

  • functionaliteit en oxidatieve stabiliteit hadden. Deze zeer functionele
  • voedingsvetten vonden gauw hun weg naar de verwerkende industrie, met name in
  • de bakkerij- en frituursector. De latere constatering dat transvetzuren een
  • cholesterolverhogende werking hebben (verzoorzaakt door het hydrogeneren) zette
  • vervolgens de wereld op zijn kop. Er moesten met spoed alternatieven worden
  • gevonden met een laag gehalte aan cholesterolverhogende verzadigde vetzuren. De

weg naar innovatief denken en het blootleggen van nieuwe vetbronnen lag open.


  • Een ander voorbeeld is de recente
  • aanbeveling tot zoutvermindering. Het zoeken naar functionele zoutvervangers is
  • hierdoor een kernzaak geworden. Hierbij gaat het zowel om het behoud van de

smaak als de technologische eigenschappen.


Ontwikkelingsproces

  • Productinnovatie is belangrijk, maar
  • ligt niet altijd voor de hand. Een voorbeeld om dit te verduidelijken. Niet
  • lang geleden kwam de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) met een aanbeveling om

de suikerconsumptie te verminderen met het doel de energie-inneming te beperken.

  • Hiermee zou het optreden van overgewicht en daarmee samenhangend diabetes type
  • 2 kunnen worden tegengegaan. Suiker levert ‘lege calorieën’ en kan tevens het
  • bloedsuiker ongewenst verhogen, een effect waarvan lang is verondersteld is dat

dit het optreden van diabetes bevordert.


  • De WHO-aanbeveling lijkt plausibel,
  • maar de oplossing van het probleem is niet evident. Het verminderen van het
  • suikergehalte in frisdranken bijvoorbeeld elimineert niet alleen een deel van
  • de zoetkracht maar ook van de viscositeit, 
  • een ‘filming’ mondgevoel. Het verminderen van het één vraagt dan ook om compenserende
  • eigenschappen, zoals een intense zoetstof en een filming-component. In alle gevallen
  • is de uitkomst dat er veel levensmiddelentechnologisch werk moet worden
  • verricht. Smart thinking en het vinden van innovatieve oplossingen in een team
  • waarin zowel voedingskundigen als levensmiddelentechnologen zitten, is

belangrijk.


  • Om te voorkomen dat nieuwe producten
  • mislukken is het dan ook van fundamenteel belang dat in een zo vroeg mogelijk
  • stadium van het ontwikkelingsproces de juiste vragen worden gesteld. In het
  • geval van de suikeraanbeveling betekent dat bijvoorbeeld: 1. Is er een algehele
  • consensus dat een lage glycemische index van de voeding zo belangrijk is dat
  • het gehalte aan hoog glycemische koolhydraten beperkt dient te worden; 2. Leidt
  • het verminderen van toegevoegde suikers in de voeding daadwerkelijk tot minder
  • overgewicht en diabetes; 3. Gaat het ten koste van de smaak en verlies ik
  • daardoor de consument op den duur?; 4. Kan men dan de consument op een

begrijpelijke manier uitleggen dat er een acceptabel compromis nodig is?


  • Als deze vragen geen bevredigend
  • antwoord opleveren, is de vraag terecht of er wel geïnvesteerd moet worden in de
  • ontwikkeling van nieuwe producten. Consumenten leveren niet graag in als het
  • gaat om aspecten als zoetheid, smaak en convenience. Het is dan ook
  • begrijpelijk dat veel voedingsindustriemanagers er weinig of niets voor voelen
  • om hun producten drastisch te veranderen. Immers, elke verandering in een goed

smakend product kan een vermindering van de omzet inleiden.


  • Epidemiologisch onderzoek laat
  • weliswaar een samenhang zien tussen de consumptie van snel verteerbare, hoog
  • glycemische koolhydraten en diabetes, maar geen causaliteit. Recente
  • meta-analyses van interventiestudies, waarin laag glycemische voeding werd
  • vergeleken met hoog glycemische voeding, zijn voor wat betreft hun effect bij
  • niet-diabeten teleurstellend. Toch hebben overheden, de pers de publieke opinie
  • het denken over suikers en gezondheid sterk negatief beïnvloed. In het licht
  • van de wetenschap is het echter niet denkbeeldig dat dit eenzijdig plaatje
  • verandert en dat er nieuwe informatie komt die erop wijst dat deze gang van
  • zeken overtrokken is. De les die hieruit geleerd kan worden is dat een snelle
  • drang naar innovatie, ontstaan vanuit een directe verandering in de marktvraag,
  • bijna altijd gevolgd wordt door een even snelle tegenbeweging die gewenste

verandering allemaal weer ontkracht.


Gezonde keuze

  • Of consumenten voor nieuwe voeding of functional
  • foods kiezen is de vraag en hangt af van veel factoren die het
  • consumentengedrag beïnvloeden. Als het gaat om een gezonde voeding zijn het
  • vooral de bekenden uit de eerste lijn, zoals ouders en grootouders, die invloed
  • uitoefenden op hun nakomelingen. Ook speelt bijvoorbeeld de zorg voor zieken en
  • het voorkomen van ziekte een rol. De actuele ‘gezondheidszorgen’ zijn mede
  • afhankelijk van wat ‘anderen’ in de familie hebben en van de informatie die de

persoon in samenhang daarmee uit de dagelijkse media krijgt.


  • Daarbij komt dat de informatie in de
  • media over voeding continu verandert. Werd in het verleden in de communicatie
  • over voeding vooral de nadruk gelegd op “het belang voor een gezonde groei en
  • ontwikkeling”, tegenwoordig gaat het vooral om “het lichamelijk functioneren en
  • het voorkomen van ziek worden”. Afhankelijk van de regionale zorgfocus van
  • overheden zijn er ook nog ‘regionale’ verschillen in wat de pers meldt. Zo
  • laten marktstudies zien dat in verschillende landen in Europa de top 3 in de
  • relatie gezondheid en voeding mede daardoor verschillen. In UK stond recent “gezond
  • hart en bloedvaten” boven aan, in Frankrijk was het “energie en vitaliteit” en

in Duitsland “immuniteit - weerstand tegen ziekte”.


  • Belangrijk voor  het zo goed mogelijk kunnen inschatten van
  • toekomstige consumentenpercepties, koopgedrag en marktkansen is dan ook het
  • inzicht krijgen in welke informatie de consument over een paar jaar sterk zal
  • beïnvloeden. Welke public health ontwikkelingen waar de wetenschap op inspeelt,

zijn van belang voor de markt van overmorgen?


Consensus

  • De geschiedenis van succesvolle
  • productlanceringen laat zien dat consensus tussen de verschillende

opinieleiders in de markt van beslissend belang is voor succes. Een voorbeeld.

  • In het verleden startte de Britse overheid een enorme voorlichting over het
  • voorkomen van hart- en vaatziekten. De reden was dat hartinfarcten in Engeland
  • bovenaan de lijst van doodsoorzaken stonden. In dit kader werd gecommuniceerd
  • dat het verlagen van cholesterol essentieel is. Daarmee kreeg de
  • voedingindustrie optimale mogelijkheden om cholesterolverlagende producten,
  • waarvan het nut wetenschappelijk was aangetoond, aan de man te brengen. Maar
  • het ging fout bij het op de markt brengen van een yoghurt met probotica door
  • een zeer succesvolle firma uit Scandinavië. Er waren toen gedachten dat
  • probiotica kunnen helpen om het cholesterol te verlagen, in de Engelse markt van
  • toen een perfect passend verkoopjasje. De concurrent kreeg hier lucht van en
  • zorgde in de introductieweek van het product dat er in de Times een groot
  • artikel verscheen, waarin door vooraanstaande wetenschappers de
  • veronderstellingen over probiotica en hart- en vaatziekten als volledig onjuist
  • onderuit werden gehaald. Daarop volgde een overheidseis om de reclame-uitingen
  • te veranderen. Het product flopte en vele miljoenen verdwenen in een bodemloze
  • put. Voor een succes in de markt is het nodig ook dit spel te begrijpen, maar

vooral ook de waarde van goed onderbouwde claims waarover consensus is.


Succes

  • Innovatie is past echt een succes als
  • het de verkoop stimuleert. Brengt de innovatie een merkbaar voordeel voor de
  • consument? Begrijpt, ziet of voelt de consument dat voordeel? Een

consumentgerichte communicatie is daarvoor belangrijk.


  • Een kop koffie heeft een snel en
  • merkbaar effect. Een energiedrank voor een duursporter ook. Maar hoe zit dat
  • met een voedingmiddel dat wordt aanbevolen om iets te doen dat de consument niet
  • voelt, bijvoorbeeld cholesterolverlagend? Begrijpt de consument het nut daarvan

zodat tot aankoop besloten wordt?


  • In dit verband is er een samenhang
  • tussen “technisch-wetenschappelijke complexiteit” en het begrijpen door de

consument. Groenten, fruit en melk zijn algemeen bekend als gezond.

  • Grootmoeder, moeder, etc., vertelden dat al. Hieruit volgt dat bijvoorbeeld het
  • op de markt brengen van een zuivelproduct met een goede smaak, aantrekkelijke
  • verpakking en een goede algemene gezondheidsboodschap snel succesvol zal
  • blijken. Indien echter een bio-actief ingrediënt zoals glucosamine wordt
  • toegevoegd met de claim “voor soepele gewrichten” is dat anders. Wie weet wat

glucosamine is? Neemt de consument een zuivelproduct voor soepele gewrichten?


  • Werkt dat wel? Moet je dat dan elke
  • morgen innemen? Kan ik dat voelen? Is er een goede samenhang tussen zorg om
  • mijn gezondheid en het consumeren van voedsel? Als de consument er nog nooit
  • van gehoord heeft is er een enorm marketing en communicatiebudget nodig om een
  • vraag in de markt te creëren. Deze vraag dient dan ook aan het begin van de rit

gesteld te worden.


  • Voor een productidee verder kan worden
  • ontwikkeld moeten een aantal vragen beantwoord worden die een latere tegenslag
  • kunnen helpen voorkomen. In deel twee van dit artikel, dat in een volgend

nummer van Voeding Nu verschijnt, wordt verder op deze aspecten ingegaan.


Functionele

voeding

  • Functionele voeding wordt gedefinieerd
  • als een voedingsmiddel of een drank - deel uitmakend van een normaal dieet -
  • met een effect op de gezondheid dat verder gaat dan de normale voedingswaarde
  • van de ingrediënten die er normaal in zitten. Het product moet in de aanbevolen
  • consumptiegrootte tot het geclaimde gezondheidseffect leiden. Als functioneel
  • voedingsmiddel levert het ‘meer dan de gewone voedingswaarde en energie’ zoals
  • die aanwezig is in het ‘normale’ product. Een voorbeeld om dit te
  • verduidelijken. Calcium wordt algemeen aanbevolen voor de groei en
  • instandhouding van gezonde botten. Een hogere calciuminneming op jonge leeftijd
  • zal leiden tot een hoge botdichtheid en tot een vertraagd optreden van
  • osteoporose op latere leeftijd. Hierom wordt het drinken van melk sterk
  • aanbevolen. Kinderen die niet van melkproducten houden nemen met hun dagelijkse
  • voeding misschien te weinig calcium op en kunnen daardoor hun voordeel doen met
  • het drinken van vruchtensap waaraan calcium is toegevoegd, normaal niet
  • aanwezig is. De voedings- en energiewaarde van sap met en zonder calcium zijn
  • gelijk maar de toevoeging van calcium introduceert een extra functioneel

aspect.


Dit

artikel verscheen in Voeding Nu nummer 9 van september 2009 op bladzijde 27

Lees ook
'We moeten cliënten van de Voedselbank-supermarkt stimuleren gezonde keuzes te maken'

'We moeten cliënten van de Voedselbank-supermarkt stimuleren gezonde keuzes te maken'

De passie van... Susan Vermunt. NAV-lid en Supermarktmanager bij Voedselbank Rotterdam.Hoe bent u in de voedingswereld terechtgekomen? ‘Ik hield altijd erg van koken en later is de link naar gezondheid ontstaan. Na de havo heb ik Voeding & Diëtetiek gestudeerd in Nijmegen. Mijn interesse naar de fysiologie van voeding werd steeds groter, waardoor...

Interview met Wageningse onderzoekers: Biomerker voor suikerinname tackelt nadelen zelfrapportage 

Interview met Wageningse onderzoekers: Biomerker voor suikerinname tackelt nadelen zelfrapportage 

De WHO noemt de bewijslast voor de relatie tussen ziekte, overgewicht en suikerinname ‘van matige kwaliteit’. Dat de bewijslast onvoldoende is, kan veroorzaakt worden door de onnauwkeurigheid van de meetmethoden in onderzoek naar voedingsinname. Een veelgebruikt meetinstrument, dat gevoelig is voor fouten, is zelfrapportage. Dr. Jeanne de Vries en ir....

Carnitine: iedereen heeft het, maar bijna niemand weet het. Wat is carnitine eigenlijk? Wat doet het en wat gebeurt er als het in meerdere of mindere mate aanwezig is in het lichaam? Zes studenten van de opleiding Food Commerce & Technology van Hogeschool Inholland deden, onder supervisie van een docentonderzoeker, een literatuuronderzoek.Carnitine,...