In het spoor van de eiwittransitie | Duurzaam en meer zelfvoorzienend

8 februari 2022 Mischa Brendel

Beeld: Ingrid van der Meer (WUR)

Het is de trending topic: de eiwittransitie. Nederland heeft sinds 2020 de Nationale Eiwitstrategie (NES). Hierin staat onder meer hoe de zelfvoorzieningsgraad van nieuwe en plantaardige eiwitten op een duurzame manier kan worden vergroot. Dit om minder afhankelijk te zijn van import. 

Wat is eigenlijk de huidige situatie? Volgens het Voedingscentrum haalt de Nederlander nu gemiddeld 61 procent van de eiwitten uit dierlijke bronnen en 39 procent uit plantaardige. De eiwitten uit dierlijke bronnen zijn niet alleen afkomstig van vlees, maar ook van bijvoorbeeld melk en eieren en vis.
Volgens een onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) consumeerde de Nederlander in 2019 gemiddeld 77, 9 kilogram aan vlees. RIVM-cijfers rekenen ons voor dat de Nederlander gemiddeld 98 gram vlees per dag eet. Volgens cijfers van het CBS komt een substantieel deel van ons vlees uit Duitsland, gevolgd door België en Brazilië. Dat we veel vlees importeren lijkt enigszins ironisch, aangezien we de grootste vleesexporteur van de EU zijn. Vorig jaar was dat 3,6 miljard kilogram aan vlees.
Ook uit vis kunnen we de nodige eiwitten halen. De consumptie ervan (inclusief schaal- en schelpdieren) ligt echter een stuk lager, zo rond de 16 gram per dag. Ook hier geldt dat verreweg de meeste vis, schaal- en schelpdieren die Nederland vangt, bestemd zijn voor de export: zo’n 70 tot 80 procent.
Volgens het RIVM ligt de consumptie van zuivelproducten op 352 gram per dag gemiddeld. Melk is verreweg het populairst, gevolgd door yoghurt en kaas. De consumptie van eieren ligt per dag gemiddeld op 13 gram, stelt het RIVM. In die cijfers zijn echter niet de eieren meegenomen die in bijvoorbeeld cake, gebak en toetjes zitten; de werkelijke hoeveelheid ligt dus hoger.

Plantaardige eiwitten

Hoe zit het met de plantaardige eiwitten die we produceren en importeren? Dat wordt meteen een ingewikkeld verhaal, want veel plantaardige eiwitten eindigen niet direct op ons eigen bord. Van alle plantaardige eiwitten die we importeren (van binnen en buiten de EU), komt maar liefst 93 procent in het veevoer terecht. Dit kunnen overigens ook ‘doorvoereiwitten’ zijn: veel geïmporteerde plantaardige eiwitten worden ook weer geëxporteerd.
Zo’n 80 procent van de geïmporteerde plantaardige eiwitten betreft soja uit Noord- en Zuid-Amerika; na China is Nederland de grootste soja-importeur ter wereld (ook hier geldt: veel wordt ook weer geëxporteerd). Van de totale soja-import van 6,6 miljoen ton in 2019 was er zo’n 11 procent bestemd voor gebruik in Nederland.

Doorvoerland

Individuele eiwitstromen volgen en nagaan waarvoor ze bestemd zijn, is een ingewikkeld verhaal. Maar het is overduidelijk dat Nederland vooral een (indirect) doorvoerland is: plantaardige eiwitten worden geïmporteerd en grotendeels doorgevoerd. Van de plantaardige eiwitten die Nederland voor eigen gebruik aanschaft, komt een substantieel deel terecht in het veevoer. Het vee dat hiermee gevoerd wordt, komt ook grotendeels in het buitenland terecht, of levert hier zuivel aan. De Nationale Eiwitstrategie rekent voor: “Voor meer dan de helft is Nederland dus afhankelijk van import van buiten Europa om onze 119 miljoen koeien, kippen, varkens en ander vee te voeren met eiwitrijke grondstoffen.”
Het doel van de Nationale Eiwitstrategie – en de EU – is dan ook om Europese alternatieven te ontwikkelen, die veel duurzamer zijn. Echter, zo denkt de overheid, zal de soja-import van buiten de EU niet verdwijnen, omdat het een goedkope eiwitbron is met een voor veevoer gunstige aminozuursamenstelling.
In de periode 2012-2016 consumeerden Nederlanders gemiddeld 79 gram eiwit per dag en dat is over het algemeen meer dan genoeg. Dit zou dus best iets omlaag kunnen, zonder dat het negatieve gevolgen voor de gezondheid heeft; de overheid stelt een daling van 10 tot 15 procent voor. De Gezondheidsraad ging hier in haar advies in maart echter niet in mee, wat overigens niet betekent dat we gemiddeld niet met iets minder eiwitten toe kunnen.
Langzaam – al lijkt het de laatste jaren wat sneller te gaan – lijkt de maatschappij zich te bewegen naar een menu waar minder vlees op staat. Daarbij slinkt er wel een belangrijke bron van eiwitten, die weer ergens anders vandaan moet komen. Enkele van die andere producten zijn vlees- en visvervangers, ei- en zuivelvervangers, insecten, kweekvlees en -vis, en nieuwe producten. Daarnaast wordt er onder meer ook gewerkt aan het winnen van eiwitten uit algen en eendenkroos en eiwitproductie door schimmels.

Vlees- en visvervangers

In de supermarkt hebben vlees- en visvervangers inmiddels een vaste plaats. De tijd dat dit onsmakelijke alternatieven waren die alleen door overtuigde vegetariërs werden gegeten, ligt al ver achter ons. Er is geen groot voedselmerk meer dat géén vleesvervangers aanbiedt.
In hoeverre de smaak van deze vlees- en visvervangers die van het ‘echte’ product benaderen, blijft punt van discussie. Ook zijn de eiwitten in veel van deze producten afkomstig uit zuivel en eieren en daarmee alsnog – weliswaar indirect – afkomstig van dieren. Al is ook soja een veelgebruikte eiwitbron in deze producten.

Ei- en zuivelvervangers

Soja-, amandel- en havermelk bestaan al enige tijd. Maar kun je ze echt zuivelvervangers noemen? In die zin komen de plantaardige koffiecreamers daar dichter bij in de buurt. In deze varianten zit vaak soja als eiwitvervanger. Voor eieren zijn er intussen plantaardige alternatieven. Zo is er bijvoorbeeld VeganEgg, gemaakt uit (bestanddelen van) algen.
Ook voor andere zuivelproducten dan melk komen er steeds meer plantaardige alternatieven. Zo begon de Amerikaanse startup Perfect Day in 2019 met het aanbieden van roomijs zónder dierlijke eiwitten. Verder zijn er al tijden vegan kazen en mayonaises verkrijgbaar.

Insecten zijn in Nederland tegenwoordig te koop als eiwitrijk voedsel, zij het mondjesmaat. Zo zijn er onder meer wormen, krekels en sprinkhanen verkrijgbaar voor menselijke consumptie. Vooralsnog lijkt het product echter niet heel populair. En dat terwijl de WUR voorrekent dat in 2025 10 procent van de dierlijke eiwitten in diervoeder en 20 procent hiervan in menselijke voeding van insecten afkomstig kan zijn.

Kweekvlees en -vis

In 2013 presenteerde Mosa Meat de eerste burger gemaakt van kweekvlees. Naast Mosa Meat wil ook het Nederlandse Meatable in 2023 zijn eerste producten op de markt brengen. De huidige technieken zijn gebaseerd op het laten uitgroeien van dierlijke stamcellen tot spier- en vetcellen in een zogenoemde kweekreactor.
Intussen hebben startups zich gestort op kweekkip en kweekvis. De Amerikaanse startup Eat Just bracht eind vorig jaar haar chicken bites op de markt in Singapore. Dat is daarmee het eerste land dat de verkoop van kweekvlees toestaat die deels bestaat uit kippenvlees, gekweekt in een bioreactor. En de – eveneens Amerikaanse – startup BlueNalu richt zich op het produceren van vis in een kweekreactor.

De prijs van kweekvlees ligt momenteel nog een stuk hoger dan die van conventioneel vlees, maar daar kan in de toekomst verandering in komen, stelt CE Delft. Volgens het onderzoeksbureau is een kostenbesparing tot 75 procent mogelijk, waarmee de productiekosten dicht bij die van conventioneel vlees komen te liggen.
Een mogelijke hindernis voor kweekvlees is dat het in veel gevallen niet milieuvriendelijker is dan conventioneel vlees. Alleen bij rundvlees kan de gekweekte variant een milieuvoordeel opleveren; bij varkens- en kippenvlees is dit – vooralsnog – niet het geval. Daar staat tegenover dat kweekvlees wél diervriendelijker is dan conventioneel vlees.

Dr. Stacy Pyett is chemisch ingenieur aan de WUR en programmamanager van Proteins for Life. Ze verwelkomt veel van de bovengenoemde alternatieven, maar benadrukt dat één vraag altijd centraal moet staan: waar komen de eiwitbronnen vandaan? “We doen het goed wanneer we dieren eiwitbronnen geven die we zelf niet kunnen consumeren, zoals gras. Als we dieren eiwitbronnen geven die we zelf ook prima kunnen eten, zoals tuinbonen, dan is dat zonde: we voeren dan eiwitten aan dieren en krijgen vervolgens die eiwitten weer binnen door de dieren te consumeren.”

Aan de WUR lopen er tal van projecten op het gebied van alternatieve eiwitbronnen. Zo kijken ze bijvoorbeeld naar de bladeren van de komkommerplant. Nu zijn die bladeren nog een reststroom, maar wellicht zijn die eiwitten geschikt te maken voor menselijke consumptie.
En daarmee boort ze een uitdaging aan met het vinden van alternatieve eiwitbronnen. Want hoewel een (deel van een) plant of schimmel veel eiwitten kan bevatten, is het nog maar de vraag of ons spijsverteringsstelsel er ook voldoende mee kan. Anders konden we net zo goed zélf gras gaan eten.

In de komende jaren verwacht Dr. Pyett van de WUR geen grote doorbraken in de markt; daar zullen vooral de huidige trends zich doorzetten. Een mogelijke uitzondering vormt eendenkroos. Volgens Pyett zien veel wetenschappers daar potentie in. Met name de WUR is hiermee aan de slag gegaan. De plant zit boordevol eiwitten die prima geschikt zijn voor menselijke consumptie. Er loopt een aanvraag voor wettelijke goedkeuring voor het gebruik ervan.
Iets dat Pyett persoonlijk boeit, zijn door micro-organismen geproduceerde eiwitten. Hoewel er op de korte termijn waarschijnlijk geen nieuwe producten hun doorbraak op de markt zullen vinden, kunnen ze in de toekomst een belangrijke rol spelen in de eiwittransitie, denkt ze. Bovendien consumeren we al eeuwen producten met eiwitten van micro-organismen. Denk aan yoghurt en kaas, die met behulp van bacteriën en schimmels worden geproduceerd.

Ontwikkelingen

Volgens Pyett valt er op het gebied van de micro-organismen nog veel meer te ontdekken en daar zouden weleens grote doorbraken tussen kunnen zitten. De ontwikkelingen zullen dus wel doorzetten, zeker als ook het gedrag en de houding van de consument ten opzichte van dierlijke en plantaardige eiwitten veranderen. Maar de houding van de overheid zou nog roet in het eten kunnen gooien. Want in de Nationale Eiwitstrategie lijken tegenstrijdige belangen te spelen. Aan de ene kant moet de vleesconsumptie omlaag, aan de andere kant ligt er druk op boeren om de melkproductie per dier zo hoog mogelijk te krijgen en wordt er veel verdiend aan de export van vlees.
Een ding staat vast: de eiwittransitie gaat door. Zonder vlees, maar wellicht zelfs mét. Zolang de productie van dat vlees maar geen eiwitbronnen vergt die ook voor menselijke consumptie bruikbaar zijn.

Onderwijs

Innoverende agrariërs vormen slechts een klein deel van de oplossing: studenten en professionals moeten in de (nabije) toekomst worden opgeleid om de eiwittransitie in goede banen te leiden. Inmiddels zijn er tal van opleidingen die hier op diverse gebieden aan werken. Naast een aantal masteropleidingen aan de WUR zijn er veel hbo’s die de opleiding Voeding & Diëtiek of een soortgelijke opleiding aanbieden, waarbij er ook veel aandacht is voor (het ontwikkelen van) nieuwe voedingsproducten.

Altijd op de hoogte blijven?