Optimaal communiceren over voeding en gezondheid *

attachment-In-Japan-krijgt-een-voedingsmiddel-vrij-gemakkelijk-een-FOSHU-status-status-van-functional-food-hiervoor-is-veel-minder-wetenschappelijke-evidence-nodig-dan-in-de-EU-december-2009

Volgens de nieuwe Verordening voor voedings- en gezondheidsclaims (2006/1924/EC artikelen 13.5 en 14) is een claim op een functioneel voedingsmiddel óf wetenschappelijk onderbouwd, óf niet wetenschappelijk onderbouwd. In het laatste geval mag de fabrikant op zijn product geen gezondheidseffecten suggereren. Tijdens een rondetafelconferentie* op 18 juni in Utrecht, met vertegenwoordigers uit de industrie, de wetenschap en de overheid, kwam naar voren dat deze strenge tweedeling twee onbedoelde gevolgen heeft: de industrie wordt terughoudender met innoveren en het wordt voor de consument moeilijker om aan verantwoorde informatie over functionele ingrediënten te komen.

Een deel van de vergadering pleitte voor het aanbrengen van meer onderscheid tussen de mate van onderbouwing van claims door de EFSA en de politiek, en voor een onafhankelijk beheerde, open database met informatie over alle functionele ingrediënten. Dit om een gezonde keuze van de consument en een gezond aanbod door de producent te bevorderen. Enkelen constateerden tevens dat de systeembiologische benadering een nieuwe veelbelovende methode is voor de bepaling van een ‘evidence based’ relatie tussen voeding en gezondheid.


Gezondheidsclaims

Volgens de nieuwe Verordening voor voedings- en gezondheidsclaims die in 2007 van kracht is geworden, mogen fabrikanten alleen nog door de EU goedgekeurde gezondheidsclaims opvoeren. Voor algemene gezondheidsclaims (artikel 13.1 claims) en specifieke gezondheidsclaims waarbij aandoeningen worden genoemd (de zogeheten ‘ziekterisicobeperking’ claims) en voor gezondheidsclaims op voedingsmiddelen voor kinderen (kinderclaims, artikel 14 claims), moet nu eerst een aanvraag worden ingediend bij de EFSA. Deze beoordeelt of het onderzoek voldoende bewijsvoering biedt voor de claim. Op basis van dit advies beslist de Europese Commissie, samen met de lidstaten, of de fabrikant de voorgestelde claim wel of niet mag voeren.


Inmiddels zijn meer dan 4000 algemene gezondheidsclaims (artikel 13.1 claims) bij de EFSA ingediend en ruim 200 specifieke gezondheidsclaims (artikel 13.5/14 claims). De EFSA heeft van de laatste ongeveer 60 ‘artikel 14’ claims bekeken. Van die 60 heeft de EFSA er maar 13 voldoende onderbouwd bevonden, de rest van de producten zijn afgewezen als ‘onvoldoende onderbouwd’. Veel fabrikanten, en ook sommige onderzoekers, maken zich zorgen over die zwart-witbeoordeling.


Met de beoordeling ‘onvoldoende onderbouwd’ mogen ze namelijk volgens de Europese wet, op geen enkele manier het functionele voedingsmiddel verbinden met een (mogelijk) gezondheidseffect. Ook op een eventuele productsite mogen fabrikanten informatie over lopend onderzoek naar de gezondheidseffecten van bijvoorbeeld een probioticum, Sint-Janskruid of veenbes niet in verband brengen met hun product.


Foliumzuur

Volgens de industrie neemt de bereidheid van de industrie om verder in onderzoek te investeren af, wanneer zij geen informatie mag geven over de mogelijke gezondheidseffecten van een, op zich veelbelovend, functioneel voedingsmiddel. Onderzoeken kosten veel geld, terwijl de producent intussen geen geld kan verdienen aan de verkoop van het functionele voedingsmiddel of supplement. Een aantal fabrikanten overweegt daarom te stoppen met functionele voedingsmiddelen. Dergelijke besluiten zouden ten koste gaan van de innovatie in de  voedingsmiddelenindustrie. Ook stopt zo de ontwikkeling van veelbelovende functionele voedingsmiddelen en supplementen die bepaalde doelgroepen van dienst kunnen zijn, zoals – zo kon pas na jarenlang onderzoek worden bevestigd – foliumzuur. Aan de andere kant is ook na jarenlang onderzoek voor foliumzuur gebleken dat het weliswaar plasma-homocysteine verlaagt maar, in tegenstelling tot de verwachtingen, geen gunstig effect heeft op hart- en vaatziekten.


Consument beschermen

Voorop staat dat de consument moet worden beschermd tegen misleidende claims. Vooruitgang is dan ook dat nu een onafhankelijke groep van wetenschappers in de EU, de EFSA, alle gezondheidsclaims kritisch beoordeelt op hun wetenschappelijke onderbouwing. Deze  onafhankelijke oordelen zijn van grote waarde voor de consument, die zich in de toekomst verzekerd weet van goed onderbouwde claims op verpakkingen en in reclameuitingen. Vooruitgang is ook dat fabrikanten die goed onderbouwend onderzoek (laten) doen, uiteindelijk beloond kunnen worden met een positieve beoordeling.


Probleem vormen echter de functionele voedingsmiddelen en supplementen waarvan sterke aanwijzingen zijn dat ze bij bepaalde doelgroepen een gezondheidseffect kunnen hebben, maar waarvoor volgens de EFSA nog onvoldoende wetenschappelijk onderzoek is; de dossiers dus waarvan een paar onderzoeken wijzen op een gezondheidseffect, maar waarvan het geheel aan bewijsvoering nog onvoldoende ‘evidence’ biedt. Deze zijn door de werkwijze van de EFSA nu een zelfde lot beschoren als de ‘wilde’ claims waar geen serieus onderzoek naar wordt gedaan, met als gevolg dat de consument weinig zicht heeft op het onderscheid hiertussen. Anderzijds is het ook lastig voor de consument om onderscheid te maken tussen eenvoudige algemene gezondheidsclaims en specifieke gezondheidsclaims.


‘Grading of claims’

Voorstel van de producenten zou dan ook zijn om ruimte te bieden aan informatievoorziening rond veelbelovende functionele ingrediënten waar ook serieus onderzoek naar is en wordt gedaan, maar die nog niet de status hebben van ‘wetenschappelijke consensus’. Die ruimte zou er op twee manieren kunnen komen. Allereerst zouden de EFSA en de politiek meer onderscheid kunnen maken tussen de claims. Nu onderscheiden ze alleen ‘onvoldoende bewezen’ en ‘bewezen’. In plaats van deze tweedeling kunnen zij ook communiceren dat er functionele ingrediënten of producten zijn waarvoor al wel meer of minder sterke aanwijzingen zijn dat ze effect hebben, maar waar nog onvoldoende algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs voor is. Men zou dus kunnen zoeken naar een systeem van, zoals dat in het Engels heet, grading of claims, onderscheid in bewoording van claims, afhankelijk van de sterkte van het bewijs, die gebruikt mogen worden in reclame. Het systeem van gekwalificeerde gezondheidsclaims werd alleen door het bedrijfsleven omarmd. Er is in de vergadering ook gesteld dat er een verschil is tussen wetenschappelijke bewoording van het  gezondheidseffect en de communicatie daarvan naar de consument. Daar zal nog een vertaalslag nodig zijn.


Aanvullend of als alternatieve oplossing, zouden er volgens sommigen betrouwbare databases kunnen komen waar consumenten informatie kunnen vinden over alle functionele ingrediënten, dus ook over die ingrediënten die nog geen status van ‘bewezen effect’ hebben. De databases kunnen informatie geven over het lopende onderzoek naar de gezondheidseffecten, met alle onzekerheden van dien. Voordeel hiervan is volgens sommigen dat consumenten die bewust op zoek zijn naar informatie over bepaalde ingrediënten, dan zelf de afweging kunnen maken of ze bepaalde producten kopen of niet. Nu beslist in feite de Europese Commissie voor alle consumenten dat ze over een op zichzelf veilig voedingsmiddel dat mogelijk de gezondheid ten goede komt, nog geen gezondheidsinformatie mogen ontvangen omdat de bewijsvoering nog niet voldoet aan de hoogste wetenschappelijke standaard.


Publiek bewustzijn

De twee oplossingen komen, zo kwam op de rondetafelconferentie naar voren, ook het publiek bewustzijn over gezonde voeding ten goede. Wanneer een claim met potentie niet wordt toegelaten, waarna er vervolgens ook nergens meer betrouwbare informatie over is te vinden, houdt het debat erover op. Wanneer fabrikanten ergens de mogelijkheid krijgen hun onderzoek toe te lichten, en zo ook ervaringen terugkrijgen, blijft er debat over de innovatie. Fabrikanten kunnen aangeven wat al wel is aangetoond (alhoewel zij dat wettelijk niet mogen koppelen aan producten). Ze zullen dan eerder investeren in producten die moeilijk meetbare effecten op langere termijn bewerkstelligen, of producten die meerdere functionele ingrediënten bevatten die elkaar versterken. Ze zullen ook  eerder bereid zijn geld te steken in vernieuwend onderzoek, zoals door sommigen geopperd in een systeembiologische benadering. Aan de andere kant werd opgemerkt dat consumenten geen onderscheid maken tussen eenvoudige inhoudsclaims en zware gezondheidsclaims en functionele voedingsmiddelen zich daarom ook kunnen baseren op inhoudsclaims en claims uit de artikel 13.1 lijst. Dit biedt voldoende ruimte om producten, ook nieuwe producten, op de markt te zetten.


Waarde van informatie

De vergadering erkende dat er ook een nadeel zit aan het mogen geven van informatie over functionele ingrediënten, waarvan volgens de EFSA het effect nog onvoldoende wetenschappelijk is bewezen. De meeste consumenten kunnen immers maar beperkt de waarde van wetenschappelijke informatie inschatten; misleiding ligt dan dus nog steeds op de loer. Een placebo-gecontroleerde studie van universiteit X kan er op een site heel overtuigend uitzien, terwijl deskundigen weten dat het onderzoek rammelt. Ook zeggen een paar kleine trials vaak nog weinig over het effect op langere termijn, of over eventuele andere dan de gemeten effecten van het functionele voedingsmiddel. En een cohortstudie toont alleen nog maar een correlatie aan, geen bewijs. Om echt een indruk te krijgen van de bewijsvoering moet naar het geheel aan onderbouwende studies worden gekeken. En dit kan nu eenmaal het beste worden gedaan door een groep van deskundigen.


Volgens de vergadering zou het de voorkeur hebben dat zo’n database wordt beheerd door een onafhankelijke instantie. Sommigen wilden daar het Voedingscentrum bij inzetten. Deze instantie kan ervoor zorgen dat de informatie aan bepaalde voorwaarden voldoet. Zo moet natuurlijk dat wat op de site staat, zoals wetenschappelijke artikelen, kloppen en controleerbaar zijn. Ook moet de beoordeling van de EFSA over het product en zijn claim gemakkelijk zijn te vinden. Daarnaast moet de informatie, dus ook het oordeel van de EFSA, duidelijk en begrijpelijk zijn voor de consument.


Bij het op die manieren zoeken naar een bevredigender invulling van de EU-wet, is te leren van de ervaringen elders. In Japan krijgt een voedingsmiddel vrij gemakkelijk een FOSHU status (status van functional food) – hiervoor is veel minder wetenschappelijke ‘evidence’ nodig dan in de EU. Dat heeft zijn voordelen (fabrikanten worden meer aangemoedigd tot innovatie) en zijn nadelen (de wetenschappelijke onderbouwing laat in Europese ogen te wensen over). In de VS mogen fabrikanten vrij gezondheidsclaims opvoeren, maar als de overheid ze niet onderbouwd vindt staat er een disclaimer op. Voor de consument, zo blijkt uit onderzoek, is die disclaimer echter niet duidelijk: hij maakt er niet uit op dat de claim daarom minder betrouwbaar zou zijn. Reden waarom de regering deze wetgeving nu wil herzien. De regeling zorgt er wel voor dat de bedrijven willen blijven innoveren. Het zou interessant zijn te onderzoeken op welke manier een dergelijke disclaimer of afzwakking, wel goed aan de consument overgebracht kan worden.


Holistische kijk

Vervolgens boog de vergadering zich nog over de vraag in hoeverre andere wetenschappelijke methodes dan randomized controlled trials (RCT’s) kunnen aantonen dat een functioneel voedingsmiddel of supplement een gezondheidseffect heeft. Voor de EFSA vormen nu RCT’s niet de enige, maar wel de belangrijkste bewijsvoeringen. Met deze trials kun je bepaalde, goed gedefinieerde effecten van één stofje meten, zoals bijvoorbeeld het effect van vitamine C op het voorkomen van verkoudheden, en dat meestal in een beperkte tijd. De studies geven geen inzicht in effecten bij kleine doelgroepen met specifieke behoeftes, omdat deze vaak uitgemiddeld worden in de grote groep. Ook geven RCT’s geen inzicht in mogelijk onverwachte effecten; neveneffecten waar niet naar werd gekeken, effecten op langere termijn en effecten die pas spelen in aanwezigheid van andere functionele ingrediënten, zoals andere antioxidanten. Juist bij voeding is, meer dan bij medicijnen, een holistische kijk nodig.


Aandacht voor neveneffecten

Volgens sommigen in de vergadering kunnen andere typen studies, met name cohortstudies en systeembiologische studies, vaker dan nu gebeurt de RTC’s aanvullen of in sommige gevallen misschien zelfs vervangen. De systeembiologie kijkt naar zo veel mogelijk effecten van een product of ingrediënt op een mens of dier, waaronder effecten op de honderden verschillende metabole stoffen in bloed of urine, en op de expressie van genen. De manier van kijken is open: in eerste instantie is het belangrijker vast te stellen welke effecten een product of ingrediënt allemaal heeft, dan hoe dit komt. Er wordt gekeken naar het totaal van effecten, zonder bij voorbaat al te richten op een specifieke uitkomst, waardoor meer onverwachte effecten zullen worden opgemerkt. Hoewel deze benadering nog nieuw is, wordt hij als veelbelovend gezien voor effectstudies van functionele ingrediënten.


De overheid vindt het belangrijk een situatie te creëren waarin de consument een gezonde keuze kan maken. Hierbij zijn voorlichting en informatie essentieel. Het bedrijfsleven ontwikkelt ‘gezondere’ producten en wil dat aan de consument communiceren. De Claimsverordening zorgt ervoor dat wat geclaimd wordt ook waar is. Dat is een goede zaak. Hierbij moeten claims gebaseerd zijn op de ‘totality of data and weighing of the evidence’, zoals verwoord door EFSA. Belangrijk is om aandacht te hebben voor onbedoelde neveneffecten zoals een rem op innovatie en beperking van informatie over gezonde voeding naar de consument. Het op een verantwoorde wijze kunnen informeren over gezondheidseffecten waarvoor sterke aanwijzingen zijn, kan een mogelijke oplossing bieden voor deze onbedoelde negatieve ‘bijwerking’ van de wet en verdient aandacht en verder onderzoek.


Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 12 van december 2009 op bladzijde 20

Lees ook
€1,2 miljoen voor vitaminestart-up Yummygums

€1,2 miljoen voor vitaminestart-up Yummygums

Vitaminemerk Yummygums heeft €1,2 miljoen aan investeringen binnen gehaald via een groep business angels an Rabobank. De Nederlandse start-up gaat het groeigeld gebruiken voor marketing en uitbreiding in Europa.

Innovatie plantaardige eiwitten: smaak, textuur en prijs zijn bepalend

Innovatie plantaardige eiwitten: smaak, textuur en prijs zijn bepalend

De transitie van dierlijke naar plantaardige eiwitten is een van de belangrijkste items binnen de food innovatie. Met een groeiende wereldbevolking en de klimaatverandering is ons huidige dieet weinig toekomstbestendig. We moeten minder dierlijk eiwit consumeren. De uitdaging is om consumenten zover te krijgen dat ze kiezen voor een plantaardig alternatief.

Meelwormenshake prima voor spieropbouw

Meelwormenshake prima voor spieropbouw

Wil je duurzamer werken aan je spieropbouw? Dan is insecteneiwit in je shake mogelijk een geschikt alternatief voor eiwit uit melkproducten. Wetenschappers van de Universiteit Maastricht deden er onderzoek naar.