artikel

‘Wij leven om te eten!’ *

Voeding en gedrag

‘Wij leven om te eten!’ *

Surinaamse en Antilliaanse vrouwen in Nederland voelen zich minder aangesproken door de uitspraak dat je minder en gezonder moet eten en meer moet bewegen dan autochtone Nederlanders. Deze vrouwen blijken namelijk ‘te leven om te eten’, hebben het idee dat ze al genoeg bewegen en vinden het bestrijden of voorkomen van overgewicht niet erg nodig of belangrijk. Elvi van Wijk-Jansen van het LEI deed kwalitatief onderzoek en belicht een aantal achtergronden.

Wereldwijd heeft het bestaan van overgewicht en obesitas epidemische vormen aangenomen (1). Ook in Nederland neemt het aantal mensen met overgewicht en obesitas gestaag toe. Naast leeftijd, geslacht en sociaal economische status speelt etniciteit een belangrijke rol bij het vóórkomen van overgewicht en obesitas. Uit verschillende onderzoeken blijkt bijvoorbeeld dat onder Nederlanders van Surinaamse, Antilliaanse en Turkse afkomst overgewicht vaker voorkomt dan onder autochtone Nederlanders (2, 3, 4). Ook omdat het aantal allochtonen in onze samenleving toeneemt, is meer inzicht nodig in de wijze waarop deze bevolkingsgroepen aankijken tegen zwaarlijvigheid. Dit gegeven vormde de aanleiding voor zes focusgroepsessies met in totaal 35 Surinaamse vrouwen (waarbij een onderscheid is gemaakt tussen Creools Surinaamse en Hindoestaans Surinaamse vrouwen) en Antilliaanse vrouwen. Bijna alle vrouwen in het onderzoek zijn op de Antillen of in Suriname geboren en later naar Nederland gekomen. Doel van dit kwalitatieve onderzoek van het LEI was om meer zicht te krijgen op hoe deze vrouwen aankijken tegen gezond(er) eten, (meer) bewegen en overgewicht. Op deze manier wilde het LEI meer inzicht krijgen in de specifieke eisen aan overheidscommunicatie richting deze vrouwen over deze onderwerpen. Voor het leiden van de sessies heeft het LEI gebruik gemaakt van de diensten van MCA Communicatie. Er waren twee vrouwelijke sessieleiders, een Hindoestaans Surinaamse vrouw en een Antilliaanse vrouw.

‘Leven om te eten’
Wat Van Wijk-Jansen vooral opviel was dat Surinaamse en Antilliaanse vrouwen van zichzelf en van hun omgeving duidelijk wat voller mogen zijn dan autochtone vrouwen. Ze zouden eerder commentaar krijgen als ze (veel) zouden afvallen. Het lijkt er wel op dat Antilliaanse en Surinaamse mannen in Nederland in toenemende mate ‘slank’ mooier beginnen te vinden. Van Wijk-Jansen: ‘De meeste Surinaamse en Antilliaanse vrouwen met wie we hebben gesproken, blijken meer negatieve dan positieve uitkomsten te verwachten van gezond(er) eten c.q. minder eten. Gezond(er) eten zou leiden tot minder smaakvol eten en daarmee tot minder genieten van eten. Ze vertelden me verder dat ze ‘leven om te eten.’ Dat is heel anders volgens hen dan autochtone Nederlanders die ‘eten om te leven.’ Minder eten of minder smaakvol eten betekent daarom voor velen van deze vrouwen een te groot offer om te maken, dat niet opweegt tegen de positieve effecten van gezond(er) eten voor de gezondheid. ‘Een feestje is bij deze vrouwen bijvoorbeeld echt mislukt als er onvoldoende (goed) eten is en het ligt sociaal gevoeliger om eten te weigeren dan bij autochtone Nederlanders.’ Zo zegt Van Wijk-Jansen. De vrouwen met wie gesproken is in het kader van dit onderzoek, zijn verder niet helemaal overtuigd van de relatie tussen overgewicht en bijvoorbeeld hart- en vaatziekten en diabetes. Ze verwachten overigens wel dat ze zich beter en fitter zouden dankzij gezond(er) eten maar dit weegt voor hen duidelijk minder zwaar dan de genoemde verwachte negatieve uitkomsten van gezond(er) eten. Bovendien zou gezonder eten leiden tot meer rompslomp. Surinaamse en Antilliaanse vrouwen verwachten verder dat hun omgeving in veel gevallen niet positief zou reageren wanneer ze gezonder of minder zouden gaan eten. De omgeving zou dat minder gezellig en minder lekker vinden. In sommige gevallen zou de omgeving zelfs denken dat er crisis is. Surinaamse en Antilliaanse vrouwen verwachten over het algemeen dat het moeilijk zal zijn om overgewicht te bestrijden of te voorkomen en twijfelen aan de invloed die zij zelf hierop hebben vanwege bijvoorbeeld hun aanleg en gewoonten. Ter illustratie de volgende uitspraken: ‘Antilliaans eten zit in mijn bloed’, ‘één koekje bij de thee is Hollands’ en ‘ik zal altijd blijven snoepen’. De vrouwen zien verder veel belemmeringen en obstakels die ze zouden moeten overwinnen om gezonder te eten. Financiële overwegingen spelen voor sommige vrouwen ook een rol: ‘gezond eten is duur’. Oudere vrouwen lijken zich vooral neer te leggen bij het overgewicht dat ze hebben, terwijl de jongere vrouwen meer het gevoel hebben dat ze er iets aan kunnen doen.

Bewegen
Het tweede spoor in de aanpak van overgewicht – meer bewegen – spreekt deze groep vrouwen om andere redenen minder aan. De meeste Surinaamse en Antilliaanse vrouwen verwachten ook niet veel positieve uitkomsten van (meer) bewegen. Ze hebben over het algemeen namelijk het idee dat ze al genoeg bewegen bijvoorbeeld doordat ze vaak de enige verzorger zijn van hun kinderen. Voor sporten in georganiseerd verband hebben ze naar eigen zeggen bovendien te weinig tijd en te weinig discipline. Sporten in georganiseerd verband is volgens hen meer iets voor Hollanders. Echter, wanneer meer bewegen wordt vergeleken met dansen, verwachten ze er meer positieve effecten van die ze ook belangrijk vinden. Bewegen leidt volgens hen namelijk tot ‘fun’, ‘ontspanning’ en ‘iets doen met z’n allen. Van Wijk-Jansen vindt daarom dat de overheid bijvoorbeeld meer zou kunnen benadrukken dat bewegen niet persé inhoudt dat je naar een sportclub gaat. De vrouwen denken overigens dat meer bewegen een grotere positieve invloed heeft op hun gezondheid dan gezond(er) eten. Verder verwachten ze meer positieve reacties van hun man en kinderen als ze meer zouden bewegen, dan wanneer ze minder of gezonder zouden gaan eten. De Surinaamse en Antilliaanse vrouwen waarmee is gesproken verwachten daarentegen dat het moeilijk zal zijn om (meer) te bewegen vanwege bijvoorbeeld gebrek aan tijd, oppas en geld. Bovendien voelen ze zich minder vrij om in aanwezigheid van mannen te sporten. Niet onbelangrijk is verder dat aandacht voor bewegen en gezondheid voor sommige vrouwen gelijk staat aan wel erg veel aandacht voor het individu. Velen vinden het egoïstisch om zo met zichzelf bezig te zijn. Bij deze vrouwen gaan de verplichtingen aan de (eigen) groep voor!

Kortom
Uit de sessies komt naar voren dat Surinaamse en Antilliaanse vrouwen niet verwachten dat het bestrijden of voorkomen van overgewicht een uitkomst is van gezond(er) eten of (meer) bewegen. Maar vooral beschouwen de vrouwen het voorkomen of bestrijden van overgewicht niet als een voor hen belangrijke of wenselijke uitkomst van gezond(er) eten of (meer) bewegen. Surinaamse en Antilliaanse vrouwen mogen, van zichzelf en hun omgeving, duidelijk wat voller zijn dan autochtone vrouwen. Meerdere vrouwen vertellen ons dat ze eerder commentaar zouden krijgen als ze (veel) zouden afvallen. Surinaamse en Antilliaanse vrouwen verwachten over het algemeen dat het moeilijk zal zijn om overgewicht te bestrijden of voorkomen en twijfelen aan de invloed die zij zelf hebben op het voorkomen of bestrijden van overgewicht. Veel vrouwen zijn bovendien niet helemaal overtuigd van de relatie tussen overgewicht en ziekten. De vrouwen hebben tenslotte het idee dat het met hun gezondheid wel goed zit omdat ze zich goed voelen en tot die tijd vinden ze dat je moet genieten. En dat doen ze vooral door te eten.

Referenties
(1) Gezondheidsraad, Overgewicht en obesitas, Gezondheidsraad Den Haag, 28 april 2003
(2) Cornelisse-Vermaat JR, Maassen van den Brink H, Ethnic differences in lifestyle and overweight in the Netherlands, Obesity 2007; 2: 483-493.
(3) Lindert H, Van Droomers M, Wetsert GP. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk. Een kwestie van verschil: verschillen in zelfgerapporteerde leefstijl, gezondheid en zorggebruik. NIVEL/RIVM,  Utrecht/Bilthoven, 2004.
(4) Van Duifhuizen R,  Laghmouchi H. Overgewicht van Turken, Marokkanen, Surinamers en Nederlanders. MCA Communicatie, Utrecht, 2006

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 5 van mei 2009 op bladzijde 12

Reageer op dit artikel