artikel

Eet-opvoedpraktijken van ouders *

Voeding en gedrag

Eet-opvoedpraktijken van ouders *

De regels en praktijken die ouders hanteren rond het eten kunnen van invloed zijn op de ontwikkeling van overgewicht bij kinderen. Uit recent onderzoek blijkt dat factoren die verband houden met zorgen over eventueel overgewicht bij het kind samenhangen met de Body Mass Index van het kind. Regels ten aanzien van voeding hebben een minder sterke invloed.

Jessica Gubbels onderzocht met anderen de relatie tussen de opvattingen van ouders en de opvoedpraktijken rond voeding toen de kinderen 2 jaar oud waren (1). Het onderzoek toont aan dat een focus op voedingsregels al op zeer jonge leeftijd van belang is, nog voordat het kind 2 jaar is. De populatie die voor dat onderzoek gebruikt is, het KOALA-geboortecohort (Kind, Ouders en gezondheid: Aandacht voor Leefstijl en Aanleg), werd opnieuw aangesproken om na te gaan of regels en voedingspraktijken bij 4-5 jarige kinderen gerelateerd zijn aan de energie-inneming en de BMI van het kind.

Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van de Child Feeding Questionnaire (CFQ), ontwikkeld door Birch e.a. (2). De CFQ is een vragenlijst om opvattingen, attituden en gedrag van ouders rond de voeding van hun kind te meten, met een nadruk op gevoeligheid voor overgewicht. De CFQ richt zich enerzijds op de percepties en zorgen van ouders over de gevoeligheid voor obesitas van hun kind en anderzijds op het gebruik van regels en opvoedpraktijken op het gebied van eten door ouders. Bij dit laatste gaat het vooral om beperkingen met betrekking tot het eten van bepaalde voedingsmiddelen en het uitoefenen van druk om te eten. Van deze regels en opvoedpraktijken wordt aangenomen dat ze ingrijpen in de ontwikkeling van een adequate controle over het eten door het kind zelf. Uit de studie van Birch blijkt dat verschillende factoren van de CFQ samenhangen met de gewichtstatus van het kind.

KOALA geboortecohort
Het KOALA geboortecohort is gestart in 2000. In totaal participeren 2834 vrouwen en hun kinderen in dit onderzoek. Alle deelnemers zijn geworven tussen de veertiende en achttiende week van de zwangerschap. Metingen van relevante variabelen vonden plaats tijdens de zwangerschap en 3, 7, 12 en 24 maanden na de geboorte. Toen de kinderen 4-5 jaar oud waren hebben de ouders twee vragenlijsten ingevuld waarin onder andere navraag werd gedaan naar de voedselconsumptie, lichamelijke activiteit, woonomgeving, opvattingen en attituden van de ouders met betrekking tot eten en bewegen van hun kind en gewicht en lengte van de kinderen (N=2074). Op 6-7 jarige leeftijd is lengte en gewicht weer nagevraagd. Van een groot deel van de kinderen (N=1200) zijn gegevens over lengte en gewicht nagezocht in de gegevens van consultatiebureaus en GGD’s. Bij een deel van de kinderen is zowel op 4-5 jarige leeftijd als op 6-7 jarige leeftijd lengte, gewicht en middelomtrek gemeten door een onderzoeksassistent en hebben de kinderen gedurende één week een Actigraph versnellingsmeter gedragen (N= 380). De BMI-gegevens zijn gestandaardiseerd naar leeftijd en geslacht op basis van de Nederlandse referentiepopulatie gemeten in 1997 (Landelijke Groeistudie) en omgezet in zogenoemde Standaard Deviatie Scores (SDS).

Voedselfrequentie-vragenlijst
De energie-inneming is geschat met een voedselfrequentie-vragenlijst die speciaal is ontwikkeld voor energie-inneming bij kinderen en gevalideerd is ten opzichte van dubbel gelabeld water. Voor het berekenen van het energiegebruik (EE) zijn regressievergelijkingen gebruikt, afkomstig van het Amerikaanse Institute of Medicine waarmee het totale energiegebruik van ieder kind kan worden voorspeld. De vergelijkingen zijn geslachtsspecifiek en gebaseerd op leeftijd, lengte, gewicht en lichamelijke activiteit (in twee categorieën) (4). Voor de indeling in de twee categorieën voor lichamelijke activiteit is gebruik gemaakt van de Actigraph gegevens, indien beschikbaar, of de vragenlijst naar lichamelijke activiteit. Het percentage energie-inneming (EI) van het geschatte energiegebruik (EE) is berekend met de formule EIpercEE=100 x (EI (kJ)-EE(kJ))/ EE (kJ).

Een aantal vragen in de Child Feeding Questionnaire is aangepast en er zijn vragen toegevoegd over kieskeurige eters en het stimuleren van gezonde eetgewoonten. Door middel van een vijfpuntsschaal werd aangegeven in hoeverre ouders het eens waren met stellingen over de opvoeding ten aanzien van eten. Ook gaven zij een beoordeling van het gewicht van zichzelf, de partner en het kind in verschillende levensfasen. Voor voorbeelden van vragen, zie kader.

Scores op items die binnen de oorspronkelijke schalen van de CFQ bij elkaar horen zijn bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal items in de betreffende schaal. Eenzelfde procedure is toegepast voor de Perceived other parent weight, kieskeurige eters en het stimuleren van gezonde eetgewoonten. De betrouwbaarheid (Cronbach’s alpha) van de schalen varieerde van 0.52 tot 0.86.

Met multiple regressie is nagegaan hoe de schaalscores samenhangen met de BMI (SDS) op 6-7 jarige leeftijd (N=1258) en met de procentuele energie-inneming van het geschatte energieverbruik (EIpercEE).

Resultaten
Op 6-7 jarige leeftijd had 6 procent van de kinderen overgewicht of obesitas, 76 procent een normaal gewicht en 18 procent ondergewicht volgens de leeftijdsafhankelijke criteria van Cole e.a. (3). De gemiddelde energie-inneming op 4-5 jarige leeftijd was 6173 kJ/dag (SD 1285). Zie tabel 1.

In tabel 2 zijn gemiddelde scores op de schalen van de CFQ en toegevoegde schalen en de relaties met BMI (SDS) op 6-7 jarige leeftijd weergegeven. In deze tabel is te zien dat ouders gemiddeld laag scoren op de schaal Concern about child weight, wat betekent dat ouders zich gemiddeld genomen weinig zorgen maken over het eten en het gewicht van hun kind. Ouders scoren gemiddeld hoog op de schaal Monitoring, wat betekent dat zij aangeven goed in de gaten te houden wat hun kind aan snoep, snacks en vette voedingsmiddelen eet. Uit de multiple regressieanalyse bleek dat Perceived (other) parent weight, Perceived child weight and Concern about child weight gemeten op de leeftijd van 4-5 jaar positief gerelateerd waren met de BMI (SDS) (kg/m²) op 6-7 jarige leeftijd en Pressure to eat negatief (R2 = 0.33, N=1258).  Wanneer de analyses apart werden gedaan voor de groep waarvan het gewicht en de lengte door een onderzoeksassistent waren gemeten in plaats van gerapporteerd door de ouder, was de verklaarde variantie zelfs nog hoger (R2=0.47, N=273). Hoe hoger de BMI van het kind, hoe hoger ouders hun eigen gewicht en dat van hun kind inschatten in verschillende levensfasen en hoe meer zorgen zij zich maken over het eten en het gewicht van hun kind.

Wanneer de energie-inneming uitgedrukt als % van het geschatte energiegebruik (EIpercEE) als uitkomstmaat werd genomen, was de verklaarde variante erg laag (R2 = 0.03, N=1258).

Conclusie
De opvattingen van ouders over het gewicht van het kind en opvoedpraktijken ten aanzien van voeding op 4-5 jarige leeftijd van het kind zijn gerelateerd aan de BMI van het kind op 6-7 jarige leeftijd. Bij de kinderen bij wie lengte en gewicht zijn gemeten door een onderzoeksassistent in plaats van gerapporteerd door de ouders, werden hogere verklaarde varianties gevonden.

Wanneer wordt gekeken naar de twee factoren die in de CFQ zijn opgenomen, valt op dat vooral de factoren die verband houden met de percepties en zorgen met betrekking tot de gevoeligheid van hun kind voor overgewicht gerelateerd zijn aan BMI en in mindere mate de praktijken en regels ten aanzien van voeding. In de toekomst zal binnen KOALA worden onderzocht wat de relaties en interacties zijn met de algemene opvoedstijlen van ouders.

Er werden geen relaties gevonden tussen opvattingen van ouders en opvoedpraktijken ten aanzien van voeding met de energie-inneming uitgedrukt als percentage van het geschatte energiegebruik van het kind. Verder onderzoek moet uitwijzen of er een relatie is tussen opvattingen en opvoedpraktijken van ouders en de consumptie van bepaalde productgroepen, waarop voedingsregels betrekking kunnen hebben, zoals snoep, snacks en frisdrank.

Algemene informatie over het KOALA onderzoek en KOALA publicaties zijn te vinden op de KOALA website: www.koala-study.nl.

Deze studie was mede mogelijk door financiële bijdragen van het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Koninklijke FrieslandCampina en Suikerstichting Nederland.

Referenties
1. Gubbels JS, Kremers SP, Stafleu A, Dagnelie PC, Goldbohm, RA, de Vries NK, Thijs C. Diet-related restrictive parenting practices. Impact on dietary intake of 2-year-old children and interactions with child characteristics. Appetite, 2009 52(2), 423-429.
2. Birch LL, Fisher JO, Grimm-Thomas K, Markey CN, Sawyer R, Jonhnson SL.
Confirmatory factor analysis of the Child Feeding Questionnaire: a measure of parental attitudes, beliefs and practices about child feeding and obesity proneness. Appetite, 2001;36: 201-10.
3. Cole TJ, Belizzi MC, Flegal KM, Dietz WH. Establishing a standard definition for child overweight and obesity worldwide: international survey. BMJ 2000;320:1-6.
4. Institute of Medicine. Dietary Reference Intakes for Energy, Carbohydrate, Fiber, Fat, Fatty Acids, Cholesterol, Protein and Amino Acids.
National Academy Press: Washington, 2002.
5. De Vries SI, Bakker I, Stafleu A, Bausch-Goldbohm RA, Thijs C. Lichamelijke (in)activiteit van kleuters. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM en Hopman-Rock (red). Trendrapport bewegen en gezondheid 2006/2007. Leiden, TNO Kwaliteit van Leven, 2008, pp 149-163.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 10 van oktober 2009 op bladzijde 18

Reageer op dit artikel