artikel

‘Met obesitas vaker naar de psycholoog’ *

Voeding en gedrag

‘Met obesitas vaker naar de psycholoog’ *

Professor Anita Jansen doet met haar team aan de Universiteit Maastricht onderzoek naar de psychologie rond eten. Als hoogleraar experimentele klinische psychologie gaat veel van haar aandacht uit naar aangeleerd ongewenst gedrag en de vraag hoe dat weer te veranderen is. In haar experimenten wordt soms teruggegrepen op de zogeheten Pavlov-reactie. ‘Ik denk dat te veel eten hier vaak mee te verklaren is.’

Hoe zat het ook weer met de hond van de Russische onderzoeker Pavlov? Een hond ziet eten en het speeksel loopt hem in de mond, hij weet dat hij eten krijgt. Vervolgens krijgt de hond te eten en tegelijk een belsignaal te horen. Na een aantal keren te hebben gegeten na een belsignaal, krijgt de hond op den duur een lichamelijke reactie als hij alleen het belletje hoort. Een gewoonte is aangeleerd: de hond gaat kwijlen bij een belsignaal, dat een voorspeller voor eten is geworden. Gedragswetenschappers noemen dit geconditioneerd of aangeleerd gedrag. Bij mensen werkt het mechanisme niet veel anders, weet professor Anita Jansen. Een kleine honderd jaar na de beschrijving van dit mechanisme door Pavlov borduurt zij met haar vakgroep voort op dit mechanisme, maar nu in relatie tot eetstoornissen, waaronder overeten of het hebben van overgewicht.

Lichamelijke reacties
Een recent experiment van een van haar aio’s, Carolien van den Akker, bevestigen de Pavlov-reactie bij mensen als het gaat om trek in eten en speekselproductie. In het Maastrichtse laboratorium kregen proefpersonen een zogeheten mounthead op waarmee ze in een virtuele ruimte werden gebracht die niets met eten te maken had, bijvoorbeeld een Italiaans plein of een museum. Tijdens deze ervaring kregen ze een slokje milkshake aangeboden. ‘Zes keer herhalen – mind you – was al voldoende om een fysieke reactie op te roepen als de proefpersonen in de virtuele omgeving werden gebracht zonder het aanbieden van de milkshake’, glundert Jansen. ‘Hun speekselproductie nam toe. Ook konden we subjectieve kenmerken waarnemen die aangaven dat ze meer drang kregen om te eten. We doen deze proeven omdat we willen weten hoe deze conditionering bij mensen precies werkt en omdat we willen uitvinden of er bepalende verschillen zijn tussen mensen in het aanleren van gedrag waarop we wellicht kunnen ingrijpen om gewenst gedrag te krijgen.’

Wat er precies gebeurt tijdens de Pavlov-reactie kan Jansen na jaren van eigen onderzoek en dat van andere onderzoekers nog steeds niet zeggen. Duidelijk is wel dat het lichaam zich fysiek voorbereidt als er eten op komst is. Er zijn zogeheten stimuli of cues die een lichamelijke reactie op kunnen roepen. Dat kan het zien, ruiken of denken aan eten zijn, maar ook een bepaalde geestelijke gesteldheid (blij of verdrietig) of een bepaalde omgeving. ‘Er zijn sterke en zwakkere cues die voorspellers zijn voor een bepaalde lichamelijke reactie en daarop volgend gedrag, bijvoorbeeld een eetbui of overeten. Sterke cues zijn de beste voorspellers van gedrag. Ze zorgen voor aangeleerd gedrag dat heel moeilijk, zo niet onmogelijk, weer af te leren is. Zo lang iemand blootgesteld blijft aan de cues zal het gedrag in stand blijven.’

Jansen en haar team is nu bezig de cues in kaart te brengen. Hoeveel zijn er, welke zijn er, welke hebben het meeste en het langst effect? Uiteindelijk is Jansen het erom te doen de lichamelijke responsen die volgen op cues zoveel mogelijk uit te doven. ‘Veel mensen proberen van een bepaald gedrag of een angst af te komen door vermijdingsgedrag, bijvoorbeeld door bepaalde voedingsmiddelen niet meer te kopen, maar dit blijkt in de praktijk niet te werken. De volgende keer als ze weer in de verleiding komen, en dat moment zal onherroepelijk komen, gaan ze voor de bijl.’

Light-dranken
Een van de experimenten binnen de vakgroep was gericht op het effect van light-drank op een lichamelijke respons. Kan een drank met zoetstof, maar zonder energie, in vergelijking met een drank met energie een lichamelijke reactie uitlokken? De helft van de onderzoekspopulatie kreeg een week lang een light-drank voor het ontbijt, terwijl de andere helft een gesuikerde drank kreeg. Een week na het experiment werd opnieuw getest of de proefpersonen na het drinken van een light-drank voor het ontbijt een lichamelijke reactie vertoonden of andere subjectieve kenmerken toonden, zoals trek. ‘Dat bleek het geval’, bevestigt Jansen. ‘Het lijkt erop dat het lichaam zich ook zou kunnen voorbereiden op eten bij het aanbieden van een bepaalde zoetstof. Het was een kleine onderzoeksgroep, we kunnen geen harde conclusies trekken, maar we hebben nu wel aanwijzingen die het interessant maken dit verder te onderzoeken.’

Een ander experiment richtte zich op emoties als cues voor eten. Daarbij werden proefpersonen in een verdrietige stemming gebracht waarna ze een eettest kregen. ‘Ook van dit onderzoek zijn we de data nog aan het analyseren, maar ze wijzen erop dat het niet veel uitmaakt welke emotie je hebt, blij of verdrietig, beide kunnen aanzetten tot eten.’

Responsen uitdoven
Op basis van de experimenteel vergaarde kennis over cues en de blootstelling eraan heeft Jansen een protocol voor een zogeheten cue exposure therapie opgesteld. Hierbij wordt mensen met eetstoornissen (of overeters) geleerd om de respons die volgt op een cue te laten uitdoven. Binnen de vakgroep van Jansen wordt deze therapie zelfstandig getest of in combinatie met een klassieke cognitieve gedragstherapie. ‘We weten dat cognitieve gedragstherapie in veel gevallen succesvol is bij het verhelpen van eetstoornissen of bij het tegengaan van overeten of overgewicht, met name als het gaat om de langere termijn. Bij experimenten met cue-exposure is het effect op langdurigere gedragsverandering wat kleiner.  We zijn nu aan het onderzoeken of een combinatie van beide nog meer resultaat kan opleveren.’

Bij de cue exposure therapie wordt door de therapeut met de deelnemer precies beschreven welke cues verantwoordelijk zijn voor welke lichamelijke reactie of welk gedrag. Dat gebeurt in zestien sessies. Daarbij gaat het om subjectieve waarnemingen, bijvoorbeeld gevoelens die mensen krijgen, trek bijvoorbeeld, en om speekselproductie. Als de associaties in kaart zijn gebracht gaat de deelnemer met de therapeut naar de voedingsmiddelen kijken die het meest het ongewenste gedrag (bijvoorbeeld overeten) opleveren. In een training leren ze de responsen die volgen op bijvoorbeeld het ruiken of voelen aan eten te laten voorbij gaan, zonder te eten. ‘Volgens de theorie treedt er een verzadigingsmoment op waarop de respons is uitgedoofd’, zegt Jansen. ‘De tijd waarna iemand verzadigd is, kan voor iedereen verschillend zijn. In eerder onderzoek vonden we dat mensen met eetproblemen er vaak langer over doen om “verzadigd” te zijn dan gezonde mensen. Dit betekent dat we soms wel uren met mensen bezig zijn voor een respons is weggeëbd.’

Het is de bedoeling dat de mensen die aan deze therapie deelnemen eerst met de therapeut het hele protocol en de ratio erachter doornemen en vervolgens zelf aan de slag gaan. ‘Het is best wel een ingewikkelde aanpak, maar we hopen zo mensen opnieuw aan te leren dat bepaalde cues die ze krijgen geen voorspeller zijn van eten, maar juist van niet-eten. Aangeleerd gedrag is meestal niet helemaal af te leren, dat is heel moeilijk. Maar je kunt wel proberen andere zaken aan te leren door mensen op andere cues te laten reageren.’

Impulsief gedrag
Een kenmerkend verschil tussen mensen met en zonder eetstoornissen (waaronder overeters) is impulsief gedrag, zo blijkt uit de onderzoekingen van Jansen en andere gedragsonderzoekers. ‘Wat we zien is dat mensen die een eetstoornis of overgewicht hebben over het algemeen minder goed in staat zijn om over zichzelf controle te houden, dan mensen die niet zo impulsief zijn’, zegt Jansen. ‘Soortgelijke bevindingen komen naar ook naar voren in onderzoeken onder alcoholisten die een sterke cue-reactiviteit hebben en weinig zelfcontrole. We denken dat een slechtere zelfbeheersing samenhangt met een slechter functionerend werkgeheugen, waarmee allerlei uitvoerende taken worden gereguleerd. Mogelijk kunnen we door het werkgeheugen van mensen met eetproblemen te trainen ervoor zorgen dat mensen zich beter kunnen controleren. We kunnen ze bijvoorbeeld leren beter zaken te onthouden, memorytraining.’

Waar de impulsiviteit bij overeters precies vandaan komt, is nog een vraag van de kip of het ei, want is deze ontstaan nadat mensen een eetstoornis kregen of juist daarvoor? ‘We weten dat er een erfelijke component zit in het impulsgedrag, maar wat precies het aandeel is, dat weten we niet. Wellicht is het de erfelijke component die ook wordt toegeschreven aan overgewicht?’

Rol diëtisten
Gevraagd naar de toepasbaarheid van de kennis in de praktijk van diëtisten of gewichtsconsulenten moet Jansen een pas op de plaats maken. ‘Natuurlijk zou het mooi zijn als we een protocol ontwikkelen waarmee in andere praktijken te werken is, maar daarvoor is het nu nog te vroeg. De mensen die meewerken aan onze experimenten en onderzoeken zijn allemaal opgeleid als psycholoog en gericht op gedragsverandering. Ik sluit niet uit dat in de toekomst andere beroepsgroepen ermee aan de slag kunnen, maar daarvoor zal dan wel de nodige training nodig zijn, want als je de cue exposure niet goed aanpakt, zou het ook wel eens averechts kunnen uitwerken. Ik merk wel dat er belangstelling voor is, want sommige diëtisten komen nu al naar ons toe met vragen over gedragsverandering. Het is duidelijk dat we bij het oplossen van de obesitasepidemie niet alleen kunnen volstaan met het uitleggen hoe je gezond moet eten en wat een gezonde leefstijl is. Ook begeleiding, die drijft op externe controle van patiënten alleen, geniet geen voorkeur. Uiteindelijk wil je dat mensen zelf hun problemen aanpakken.’

Op dit moment is volgens Jansen alleen van een maagverkleining het best bewezen dat deze leidt tot een blijvend lager gewicht. ‘Er moet toch een fatsoenlijker manier zijn om dat voor elkaar te krijgen’, vindt ze. ‘En om te beginnen zouden mensen met gewichtsproblemen vaker naar een psycholoog kunnen gaan. Zij zijn gespecialiseerd in gedrag en verandering daarvan. Voor veel mensen ligt de drempel te hoog, maar om naar een psycholoog te gaan hoef je echt niet gek te zijn of zeer abnormaal gedrag te vertonen. Deze kan je helpen je gedrag te veranderen.’

Anita Jansen
Anita Jansen begon haar wetenschapscarrière aan de Universiteit Utrecht. Ze promoveerde op een studie naar binge eating, eetbuien en boulimia. Ze was een van de eersten die experimenteel onderzoek opzette naar eetgedrag. Daar legde ze de basis voor haar verdere onderzoek. Sinds 1986 is ze verbonden aan de Universiteit van Maastricht. Ze werd in 1999 bijzonder hoogleraar eetstoornissen en is sinds 2004 hoogleraar experimentele klinische psychologie.
Jansen kreeg voor haar onderzoek naar eetgedrag een subsidie van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) voor toponderzoekers, de zogeheten vici-subsidie. Hierdoor heeft ze de mogelijkheid vanuit verschillende invalshoeken naar eetgedrag te kijken, zoals cognities en eet- en gewichtsstoornissen; impulsiviteit en overgewicht; cue reactiviteit en voedselinname; de belonende waarde van voedsel; leren smaken waarderen; zelfregulatie; lichaamsbeeld; overgewicht bij kinderen of depressie; effectiviteit van cue exposure en cognitieve therapie.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 11 van november 2013 op bladzijde 8

Reageer op dit artikel