artikel

BMI kinderen van Turkse en van Nederlandse afkomst vergeleken *

Voeding en gedrag

BMI kinderen van Turkse en van Nederlandse afkomst vergeleken *

Kinderen in Nederland van Turkse afkomst hebben, ten opzichte van autochtone kinderen, al vanaf jonge leeftijd een hoger risico op overgewicht. Dat blijkt zowel uit landelijke cijfers (1), als uit cijfers van de ABCD-studie, het Amsterdamse geboortecohort van 6000 kinderen van verschillende etnische afkomst (2). Waarom het risico specifiek hoger is onder kinderen van Turkse herkomst is nog steeds onduidelijk. Vooral de BMI van de moeder lijkt een belangrijke rol te spelen.

De ABCD-studie heeft laten zien dat kinderen van Turkse herkomst al van jongs af aan sneller groeien (2), en op de leeftijd van 6 maanden een hogere body mass index (BMI) hebben dan Nederlandse kinderen (3). Deze snelle groei kan te maken hebben met een ander voedingspatroon van de baby’s. Zo lijken Turkse moeders vaker borstvoeding in combinatie met flesvoeding te geven, vroeger te starten met bijvoeding en vaker voeding als troostmiddel te gebruiken (4-6). Om meer zicht te krijgen op de factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van de BMI en daarmee het overgewicht onder kinderen van de Turkse afkomst – en zo aangrijpingspunten te vinden voor preventie binnen de Jeugdgezondheidszorg – is de GGD Amsterdam samen met het AMC in 2009 een onderzoek gestart onder moeders en pasgeborenen van Nederlandse en Turkse afkomst (zie kader 1). In 2013 zijn van 250 kinderen (116 Nederlands, 134 Turks) die deelnamen aan het onderzoek de groeigegevens op de leeftijd van 3 jaar opgezocht via het elektronisch kinddossier. In dit artikel komen de resultaten van het onderzoek wat betreft etnische verschillen in vroege voeding, groei en BMI op 3-jarige leeftijd, en hun onderlinge relatie aan bod.

Langer borstvoeding, vaker ongezonde hapjes
Figuur 1 laat zien dat baby’s van Turkse afkomst langer volledige borstvoeding krijgen dan baby’s van Nederlandse afkomst. Turkse moeders voeden iets vaker op verzoek, al is het verschil met de Nederlandse moeders niet significant (82% vs. 74%). Ook de voedingsfrequentie is hoger onder de Turkse groep: op de leeftijd van 4 maanden krijgt een Turkse baby gemiddeld 7 melkvoedingen per dag, terwijl een Nederlandse baby 6 melkvoedingen krijgt. Zelfs als we rekening houden met het feit dat Turkse moeders vaker borstvoeding geven, zien we dat Turkse baby’s gemiddeld 1 melkvoeding meer krijgen (data niet getoond).

Wat betreft leeftijd van bijvoeden valt op dat Nederlandse moeders vaker vroeg starten met het toevoegen van rijstebloem aan de melkvoeding (figuur 2). Het vroeg starten met hapjes (vóór de leeftijd van 4 maanden) komt in beide groepen even vaak voor. Ten opzichte van Nederlandse moeders, die relatief vaak starten bij 5 maanden, starten moeders van Turkse afkomst relatief iets vaker met hapjes op de leeftijd van 4 maanden of na de leeftijd van 6 maanden. Zowel moeders van Nederlandse als van Turkse afkomst bieden vooral fruit en groente aan als hapje, maar Turkse moeders bieden daarnaast ook wat vaker minder gezonde producten aan, zoals koekjes of gezoete yoghurt zoals Danoontjes (figuur 3).

Veel moeders van Turkse afkomst geven hun kind ook soep. Helaas is informatie over de samenstelling van gegeven producten niet verder uitgevraagd. Het is dus onbekend of ‘soep’ tot soep gepureerde groenten, maaltijdsoep of kant-en-klare soep betreft.

Snellere groei en hogere BMI
Om de groei en BMI op 3-jarige leeftijd te bestuderen, zijn standaard deviatiescores (SDS) berekend (zie kader 2). Zoals te zien is in tabel 1, zijn de verschillen in groei tussen de baby’s van Turkse en Nederlandse afkomst klein, maar groeien baby’s van Turkse afkomst met name sneller in de lengte. Ruim 20% van de Turkse baby’s heeft een versnelde lengtegroei (gedefinieerd als een ∆SDS > 0,67 (7)), ten opzichte van 8% van de Nederlandse baby’s. De BMI SDS op 3-jarige leeftijd is bij de kinderen van Turkse afkomst hoger dan bij de kinderen van Nederlandse afkomst. Dat zien we ook terug in een hoger percentage overgewicht, inclusief obesitas, onder de Turkse groep (17,2% vs. 4,3%).

Obesitas moeder belangrijker dan afkomst
Het verschil in BMI SDS op 3-jarige leeftijd tussen kinderen van Turkse en van Nederlandse afkomst staat weergegeven in figuur 3. Met behulp van regressieanalyse zijn de verschillen nader onderzocht. In model 1 van de regressieanalyse, het ongecorrigeerde model met alleen etniciteit als verklarende variabele, is de BMI SDS van de Turkse groep gemiddeld 0,3 punten hoger. Dat verschil blijft bestaan in model 2, het model waarin daarnaast ook gecorrigeerd is voor de voeding- en groeivariabelen die samenhangen met de BMI SDS (bij P-waarde <0,10; zie tabel 2). Na verdere correctie voor pariteit van de moeder en BMI-status van de moeder (model 3), blijkt etniciteit niet meer samen te hangen met de BMI SDS op 3-jarige leeftijd. Vooral obesitas van de moeder lijkt een belangrijke verklarende factor: kinderen van moeders met obesitas hebben gemiddeld een 0,7 punten hogere BMI SDS dan kinderen van moeders met een normaal gewicht (zie ook tabel 2).

Individuele aandacht voor voeding
Kinderen van Turkse afkomst zijn vaker dan kinderen van Nederlandse afkomst te zwaar (1,2). Dit onderzoek bevestigt dat deze verschillen al op jonge leeftijd ontstaan: op de leeftijd van 3 jaar hadden de kinderen van Turkse afkomst gemiddeld een hogere BMI. Dat verschil werd niet verklaard door de etnische verschillen in voeding of groei in de eerste 6 maanden. Dat betekent niet dat op individueel niveau aandacht voor vroege voeding overbodig is.

Het onderzoek toont ook dat baby’s van Turkse afkomst vaker op een dag gevoed worden en al op jonge leeftijd producten krijgen die minder gezond zijn, zoals gezoete yoghurt en koekjes. Dat zou op latere leeftijd kunnen leiden tot een eetpatroon waarbij kinderen de hele dag door ‘grazen’ en meerdere eetmomenten per dag hebben met snacks en zoetigheid. Vroegtijdige (vóór de 4e maand) en specifieke voorlichting aan ouders van Turkse afkomst lijkt dus gewenst, waarbij deze voorlichting zich kan richten op het belang van vaste eetmomenten en de keuze van voedingsmiddelen.

Voor Nederlandse moeders blijft aandacht voor het continueren van borstvoeding van belang. Daarbij speelt echter ook de werkomgeving een rol: het gevonden verschil heeft waarschijnlijk te maken met het verschil in status op de arbeidsmarkt. Nederlandse vrouwen hebben vaker betaald werk dan vrouwen van Turkse afkomst (8) en onderzoek heeft laten zien dat het weer gaan werken na het bevallingsverlof een belangrijke factor is in de keuze om met borstvoeding te stoppen (9).

Bewustwording
De belangrijkste verklarende factor voor de BMI verschillen tussen de kinderen van Nederlandse en Turkse afkomst was de gewichtsstatus van de moeder. De invloed van de BMI van de moeder is ook uit de ABCD-studie gebleken (2). De relatie tussen BMI moeder en BMI kind kan zowel een fysiologische als een gedragswetenschappelijke verklaring hebben: dikkere moeders hebben vaker een hoger bloedglucosegehalte, een hogere bloeddruk en een minder goede vetstofwisseling, wat al in de baarmoeder kan leiden tot een verstoorde energie-en vethuishouding van het kind.

Ook leren dikkere moeders hun kind na de geboorte waarschijnlijk een ongezonder voedingspatroon aan, waardoor de kans op overgewicht toeneemt. Momenteel wordt binnen de ABCD-studie meer onderzoek gedaan naar de relatie tussen de BMI van de moeder en de BMI van het kind om meer aangrijpingspunten te krijgen voor de vroege – prenatale of zelfs preconceptionele – preventie. De jeugdgezondheidszorg kan een belangrijke rol spelen in het bewustwordingsproces van moeders met overgewicht of obesitas: vaak zien zij de problematiek niet bij henzelf en ook niet bij hun kind. Mogelijk zien Turkse moeders met overgewicht dat vanuit hun cultuur ook minder als een probleem, en al helemaal niet bij een kind: een mollig kind wordt vaak gezien als een gezond kind (10). De gewichtsverloopkaart van het Voedingscentrum (http://webshop.voedingscentrum.nl/pdf/032.pdf), waarin het verschil in een gezond en ongezond gewicht visueel wordt gemaakt, kan dan een handig hulpmiddel zijn om moeders meer inzicht te geven.

Samenstelling onderzoek
Tussen augustus 2009 en maart 2010 werden in vijf buurten in Amsterdam (Baarsjes, Bos en Lommer, Geuzenveld/Slotermeer, Osdorp en Slotervaart) alle moeders met een pasgeboren baby van Turkse of van Nederlandse afkomst gevraagd om mee te doen aan het onderzoek. Daarbij werd ‘van Turkse afkomst’ gedefinieerd als: tenminste 1 ouder en de moeder van de moeder is geboren in Turkije, en ‘van Nederlandse afkomst’ als beide ouders en de moeder van de moeder zijn geboren in Nederland. Moeders en kinderen werden alleen geïncludeerd als er geen medische problemen waren opgetreden tijdens de zwangerschap of na de bevalling en als het kind op tijd (aterm) en met een geboortegewicht passend bij de zwangerschapsduur geboren was. Van de 386 moeders die waren benaderd voor deelname, deden 286 moeders mee. In het eerste half jaar werden de moeders drie keer geïnterviewd: toen het kind 1 maand, 4 maanden en 6 maanden oud was. De voeding werd daarbij uitgebreid nagevraagd en betrof de duur van de borstvoeding, duur van de flesvoeding, de frequentie van voeden, het voeden op verzoek of op schema, de introductie van toevoegingen aan de fles of (pap), de introductie van hapjes en het soort hapjes dat werd gegeven. De interviews werden afgenomen door getrainde student-assistenten van Nederlandse en van Turkse afkomst. Informatie over de groei van de baby’s (lengte en gewicht) werd opgevraagd uit de elektronische kinddossiers. In 2013 kreeg de GGD Amsterdam een vervolgsubsidie vanuit de Academische Werkplaats JGZ Noord-Holland om verder onderzoek te doen naar de BMI op 3-jarige leeftijd. Van 250 kinderen zijn hiervoor de lengte en gewicht gegevens uit het dossiers opgevraagd.

Standaarddeviatie
Om de groei en BMI op 3-jarige leeftijd te analyseren is gebruikgemaakt van de standaard deviatie scores (SDS). Een standaarddeviatie zegt iets over de mate van spreiding rondom een gemiddelde. De SDS van een maat, zoals BMI, lengte of gewicht, geeft aan hoeveel standaarddeviaties een maat afwijkt van het gemiddelde van een populatie. Een hogere score op gewicht SDS op een bepaalde leeftijd betekent bijvoorbeeld dat het gewicht op die leeftijd boven het gemiddelde ligt. Het verschil tussen de SDS wat betreft gewicht, lengte en gewicht-voor-lengte op de leeftijd van 6 maanden en dezelfde SDS op de leeftijd van 1 maand, zegt iets over de groei van een baby. Een baby die exact volgens zijn eigen curve blijft groeien, heeft een ∆SDS van 0. Hoe hoger de ∆SDS, hoe sneller de groei. Bij een ∆SDS van 0,67 of hoger spreekt men van versnelde groei (7). De waarde van 0,67 komt namelijk overeen met de bandbreedte tussen twee percentiellijnen op de standaard groeicurve en is daarom de meest gebruikte indicator voor klinisch relevante versnelde groei.

Referenties

  1. Schönbeck Y, van Buuren S. Factsheet: Resultaten vijfde landelijke groeistudie. Leiden: TNO, 2010. Beschikbaar via: https://www.tno.nl/downloads/20100608%20Factsheet%20Resultaten%20Vijfde%20Landelijke%20Groeistudie1.pdf
  2. de Hoog MLA, van Eijsden M, Stronks K, Gemke RJBJ, Vrijkotte TGM. Etnische verschillen in de prevalentie van overgewicht bij 2-jarige kinderen. De rol van prenatale factoren, geboorte-uitkomsten en postnatale factoren. Tijdschr JGZ 2013;45(1):16-22.
  3. Hof MHP, van Dijk AE, van Eijsden M, Vrijkotte TGM, Zwinderman AH. Comparison of growth between native and immigrant infants between 0–3 years from the Dutch ABCD cohort. Annals of Human Biology, 2011; 38(5): 544–555.
  4. Bulk-Bunschoten AM, Pasker-de Jong PC, van Wouwe JP et al. Ethnic variation in infant-feeding practices in the Netherlands and weight gain at 4 month. J Hum Lact 2008; 24: 42-49.
  5. Yazgan H, Yazgan Z, Keleş, Gebeşçe. The effect of family members on breastfeeding practices among Turkish mothers. Breastfeed Med 2013;8(2):232.
  6. Hulsmann AR, Senyurek A, Oostenbrink R. Verschillen in voedingsgewoonten in het eerste levensjaar tussen Turkse en Nederlandse zuigelingen. Tijdschr Kindergeneesk 2005;73:6-9.
  7. Ong KK, Ahmed ML, Emmett PM, Preece MA, Dunger DB. Association between postnatal catch-up growth and obesity in childhood: prospective cohort study. BMJ 2000, 320:967-971.
  8. Kok S, Bosch N, Deelen A, Euwals R. Migrant women on the labour market. On the role of home- and host-country participation. CPB Discussion paper 180. The Hague: CPB Netherlands Bureau for Economic Policy Analysis, 2011.
  9. Lanting CI, van Wouwe JP, Reijneveld SA. Infant milk feeding practices in the Netherlands and associated factors. Acta Pædiatrica 2005;94:935–942.
  10. de Hoog MLA, Stronks K, van Eijsden M, Gemke RJBJ, Vrijkotte TGM. Ethnic differences in maternal underestimation of offspring’s weight: the ABCD study. Int J Obesity 2012;36 (1):53-60.

 
Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 5/6 van mei/juni 2014 op bladzijde 16

Foto's

Reageer op dit artikel