artikel

Zo eten Amsterdammers van Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Nederlandse afkomst

Voeding en gedrag

Zo eten Amsterdammers van Turkse, Surinaamse, Marokkaanse en Nederlandse afkomst

De inname van voedingsmiddelen en voedingsstoffen door Amsterdammers van Surinaamse, Turkse en Marokkaanse afkomst verschilt met die van Amsterdammers van Nederlandse komaf. Zo eten mensen met een Turkse afkomst relatief meer fruit en mensen van Surinaamse en Marokkaanse origine relatief minder ongezonde (verzadigde) vetten dan mensen met een Nederlandse afkomst. Verschillen in de inname van voedingsmiddelengroepen worden gereflecteerd in verschillen in de inname van voedingsstoffen. Dit blijkt uit een onderzoek van het RIVM in samenwerking met het AMC, onder Amsterdammers met verschillende etnische achtergronden.

Tot voor kort waren er weinig gegevens beschikbaar over de voedselconsumptie van mensen met een niet-Nederlandse achtergrond die in Nederland wonen. In de nationale voedselconsumptiepeiling van 2007-2010 zijn deze groepen ondervertegenwoordigd (1). Daarom is binnen het Nederlandse voedingspeilingssysteem additioneel onderzoek uitgevoerd bij de grootste minderhedenpopulaties in Nederland: mensen van Surinaamse (zowel Hindoestaanse als Creoolse), Turkse en Marokkaanse afkomst.

Hiervoor is een samenwerking opgezet met de HELIUS-studie (Healthy Life in an Urban Setting). Er is een grootschalig gezondheidsonderzoek uitgevoerd in Amsterdam door het Academisch Medisch Centrum (AMC) en de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) onder Amsterdammers van 18 tot 70 jaar met verschillende etnische achtergronden. Het primaire doel van HELIUS is inzicht te krijgen in etnische gezondheidsverschillen en hun oorzaken. Bij een subpopulatie zijn voedselconsumptiegegevens verzameld: de HELIUS-Voeding studie (2). Deze gegevens zijn gebruikt in het huidige onderzoek naar verschillen in voedselconsumptie tussen diverse etnische groepen. De volledige rapportage is online beschikbaar (3).

Onderzoekspopulatie en gegevensverzameling

De steekproef voor HELIUS is getrokken uit het Amsterdamse bevolkingsregister (GBA) en aangevuld met familieleden van de deelnemers. Surinamers, Turken en Marokkanen van 18 tot 70 jaar van zowel de eerste generatie (in buitenland geboren) als van de tweede (in Nederland geboren) zijn vertegenwoordigd in de onderzoekspopulatie. Informatie over het geboorteland en het geboorteland van de ouders is gebruikt voor het bepalen van de etniciteit (4). Voor het huidige onderzoek zijn gegevens uit de HELIUS-Voeding studie gebruikt, die zijn verzameld van januari 2011 tot december 2013. De rapportage is gebaseerd op complete gegevens van 1365 Nederlandse, 841 Hindoestaanse, 997 Creoolse, 539 Turkse en 458 Marokkaanse deelnemers. In verband met de leesbaarheid worden de etnische groepen in dit artikel verder kortweg aangeduid als respectievelijk Nederlanders, Surinamers (Hindoestanen en Creolen), Turken en Marokkanen.

Met behulp van vier etniciteit-specifieke voedselfrequentievragenlijsten (FFQ’s) (5) zijn gegevens over de consumptie van voedingsmiddelen verzameld. Vervolgens is de inname van energie, macro- en microvoedingsstoffen berekend met gebruik van het Nederlandse Voedingsstoffenbestand 2013 (6), aangevuld met voedingswaardegegevens voor etniciteit-specifieke voedingsmiddelen.

FFQ’s zijn vooral geschikt voor het relatief vergelijken van de voedingsgegevens van verschillende bevolkingsgroepen en minder voor het beschrijven van de absolute inname. Daarom wordt in dit artikel beschreven hoe de voeding van de niet-Nederlandse groepen zich verhoudt tot die van de Nederlandse groep.

Karakteristieken van de voedingspatronen

Een grote meerderheid van de Turken en Marokkanen en ongeveer de helft van de Hindoestanen geeft aan bij het eten rekening te houden met geloofsvoorschriften. Ook het maaltijdpatroon verschilt. De niet-Nederlandse groepen gebruiken minder vaak een ontbijt en vaker een warme maaltijd als middagmaaltijd dan de Nederlanders. Hindoestanen eten vaker vegetarisch zonder vis of veganistisch.

Voedingsmiddelengebruik

Het voedingsmiddelengebruik van de etnische groepen verschilt zowel in hoeveelheid als in de keuze van productsoorten binnen een voedingsmiddelengroep. Surinamers gebruiken in vergelijking met Nederlanders (ruim) twee maal zoveel vis, schaal- en schelpdieren en deegwaren, rijst en andere granen. Zij consumeren daarentegen ongeveer een kwart minder groenten, zuivelproducten (inclusief kaas), vetten en koek of gebak en drie kwart minder alcoholische dranken. Traditionele Surinaamse groentesoorten, zoals kousenband en bitawiri, zijn populair. Creolen eten meer vlees (inclusief kip) en Hindoestanen meer peulvruchten dan Nederlanders. Creolen gebruiken bovendien meer met suiker gezoete vrucht- en frisdranken.

De Turkse voeding kenmerkt zich door een hoger gebruik van peulvruchten (ongeveer twee keer zo hoog), fruit, vlees en brood (circa een derde tot de helft hoger) dan de Nederlandse voeding. De Turken kiezen vooral witte (Turkse) broodsoorten. Zij gebruiken circa 20-30% minder kaas en koek of gebak en ruim 85% minder alcoholische dranken dan de Nederlanders. Bij de melkproducten is ayran, een Turkse yoghurtdrank, populair. Ongeveer 30% van de kaas is Turkse 50-60+ kaas. Ruim 70% van de gebruikte bereidingsvetten zijn oliën. Olijfolie wordt ook gebruikt voor het dippen van brood.

Marokkanen gebruiken ongeveer anderhalf keer zoveel brood en twee keer zoveel schaal- en schelpdieren als Nederlanders. Zij kiezen vooral bruine (Marokkaanse) broodsoorten. De consumptie van groenten en niet-alcoholische dranken is respectievelijk circa 30 en 15% lager dan bij Nederlanders. Wel drinken ze relatief veel met suiker gezoete vrucht- en frisdranken. Alcoholische dranken worden zeer weinig gebruikt. Marokkaanse mannen eten bovendien ongeveer een vijfde meer vlees en een derde meer fruit dan Nederlandse mannen en zij gebruiken ruim een kwart minder zuivelproducten (inclusief kaas). Meer dan 90% van de bereidingsvetten bestaat uit oliën, waarbij olijfolie ook gebruikt wordt voor het dippen van brood.

In afbeelding 1 is het verschil in voedingsmiddelengebruik van niet-Nederlandse mannen weergeven ten opzichte van Nederlandse mannen. Bij de vrouwen is het beeld vergelijkbaar (niet weergegeven). Een aantal veel gebruikte etniciteit-specifieke producten en gerechten is opgenomen in het tekstkader.

Energie en macrovoedingsstoffen

De energie-inname van Surinamers is vergelijkbaar met die van Nederlanders, maar de energetische bijdrage van de macrovoedingsstoffen verschilt. Het energiepercentage (En%) van vet is lager (29-30 En%) en van koolhydraten (zowel mono-, di- als polysachariden) hoger (48-49 En%) in vergelijking met de Nederlanders (respectievelijk 34 En% en 41 En%). Het vetzuurpatroon is gunstiger met een lager energiepercentage verzadigde (9,7 En%) en transvetzuren. Alcohol draagt met circa 2 En% bij mannen en 0,7 En% bij vrouwen veel minder bij aan de energie-inname dan bij de Nederlanders (respectievelijk 5 En% en 4 En%). De inname van voedingsvezel is vooral bij de Creolen lager. Deze lagere vezelinname hangt waarschijnlijk samen met de lagere groenteconsumptie en het lage gebruik van volkorenproducten.

Turken hebben een hogere energie-inname dan Nederlanders. De energetische bijdrage van eiwit is vooral bij de mannen hoger (17,3 En% versus 15,6 En%). Er is weinig verschil in de bijdrage van het totaal aan koolhydraten aan de energie-inname, maar de energetische bijdrage van polysachariden is hoger (27 En%) en van mono- en disachariden lager (16 En%). De energetische bijdrage van alcohol is laag (minder dan 1 En%). De inname van voedingsvezel is bij Turken hoger dan bij Nederlanders. De hogere consumptie van fruit door Turken zal hierbij een rol spelen.

Bij Marokkanen verschillen de energie-inname en het energiepercentage van de totale hoeveelheid vet in de voeding niet met die van Nederlanders, maar het energiepercentage verzadigd vet is lager (10,5 En%). De energetische bijdrage van polysachariden en het totaal aan koolhydraten is hoger bij Marokkanen (respectievelijk circa 27 en 45,5 En%). De bijdrage van alcohol aan de energie-inname is verwaarloosbaar. In afbeelding 2 is de bijdrage van macrovoedingsstoffen aan de energie-inname in de voeding van Nederlandse en Creoolse mannen weergegeven. Tussen deze groepen zijn de verschillen het grootst. Het gunstiger vetzuurpatroon in de voeding van Surinamers en Marokkanen hangt samen met de hogere visconsumptie en een relatief hoger gebruik van oliën als bereidingsvet.

Microvoedingsstoffen

De totale inname van microvoedingsstoffen is gebaseerd op alleen de inname uit voedingsmiddelen. Het gebruik van supplementen is niet opgenomen in de FFQ’s. Hindoestaanse en Creoolse Surinamers hebben een lagere inname van vitamine A, folaat, calcium, magnesium en ijzer dan Nederlanders. Bij Hindoestanen is zowel de inname van haem- als van non-haemijzer lager. Bij Creolen verschilt de haemijzer inname niet van de Nederlanders. Voor vitamine A is de inname ruim een kwart lager en voor de overige microvoedingsstoffen (ruim) 10%. De inname van vitamine B12 en vitamine D is daarentegen hoger bij Surinamers, vooral bij de vrouwen (respectievelijk 27 en 18% hoger). De hogere visconsumptie draagt hier waarschijnlijk aan bij.

Bij Turken is de inname van vitamine A 25% en van calcium 15% lager dan bij Nederlanders. De inname van vitamine B6, folaat (vooral mannen), zink en totaal ijzer is echter 10-20% hoger. De inname van haemijzer is zelfs bijna 80% hoger dan bij Nederlanders. De inname van vitamine A en calcium van Marokkanen is ruim 20% lager dan van Nederlanders. Marokkanen hebben daarentegen een inname van vitamine B12 en haemijzer die ongeveer 25% en 40% hoger is dan bij Nederlanders, met het grootste verschil bij de mannen. De Marokkaanse vrouwen hebben bovendien een 10% lagere inname van non-haemijzer. Bij Turken en Marokkaanse mannen kan de hogere vleesconsumptie bijdragen aan de hogere inname van haemijzer. In afbeelding 3 is het verschil in inname van microvoedingsstoffen door niet-Nederlandse mannen ten opzichte van Nederlandse mannen weergegeven. Voor vrouwen is het beeld vergelijkbaar (niet weergegeven).

Conclusies en aanbevelingen

De HELIUS-Voeding studie is de eerste grootschalige studie die inzicht geeft in de voeding van de grootste bevolkingsgroepen van niet-Nederlandse afkomst in Amsterdam. Er zijn verschillen gevonden in de eetgewoonten van de onderzochte groepen. De niet-Nederlandse groepen volgen vaker religieuze voedingsvoorschriften, wat zich onder andere uit in een veel lager gebruik van alcoholische dranken en in het gebruik van etniciteit-specifieke voedingsmiddelen. Andere verschillen met de Nederlandse groep in consumptie van voedingsmiddelengroepen zijn terug te zien in de verschillen in inname van voedingsstoffen.

Zo draagt de lagere consumptie van melkproducten en kaas waarschijnlijk bij aan de lagere inname van calcium bij de niet-Nederlandse groepen. Dit kan bovendien gelden voor de lagere inname van vitamine A. Ook het relatief hogere gebruik van oliën als bereidingsvet en bij Surinamers en Marokkanen de lagere groenteconsumptie, kan sommige verschillen verklaren. Of de lagere inname van een aantal microvoedingsstoffen bij de niet-Nederlandse groepen ontoereikend is, kan met dit onderzoek niet worden vastgesteld. Deze resultaten verdienen daarom verdere aandacht, bijvoorbeeld in een gericht voedingsstatusonderzoek.

Veel aspecten van de huidige preventie en informatievoorziening op het gebied van gezonde voeding gelden onverminderd voor mensen met een niet-Nederlandse achtergrond, maar accenten kunnen verschillen. Zo hoeft bij Surinamers en Marokkanen minder aandacht te worden besteed aan het vetzuurpatroon in de voeding. De resultaten van dit onderzoek kunnen worden gebruikt om gericht voedingsvoorlichtingsmateriaal en voorbeeldmenu’s te ontwikkelen, afgestemd op de voedingsgewoonten van de onderzochte niet-Nederlandse bevolkingsgroepen.

Referenties

1. Van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma EM & Ocké MC. Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010: Diet of children and adults aged 7 to 69 years. RIVM. 2011:RIVM-report;350070006

2. Dekker LH. Ethnic Differences in Diet, A Focus on Methodology, Determinants and Type2 Diabetes Mellitus. Proefschrift, Amsterdam. 2015:UVA

3. http://www.rivm.nl/Documenten_en_publicaties/Wetenschappelijk/Rapporten/2015/december/

Voeding_van_Marokkaanse_Turkse_Surinaamse_en_autochtone_Nederlanders_in_Amsterdam

4. Stronks K, Snijder MB, Peters RJ, Prins M, Schene AH & Zwinderman AH. Unravelling the impact of ethnicity on health in Europe: the HELIUS study. BMC Public Health. 2013:13;402

5. Beukers MH, Dekker LH, De Boer EJ, Perenboom CW, Meijboom S, Nicolaou M, De Vries J & Brants HAM. Development of the HELIUS food frequency questionnaires: ethnic-specific questionnaires to assess the diet of a multiethnic population in The Netherlands. Eur J Clin Nutr. 2015:69(5);579-84

6. NEVO-online version 2013/4.0 [database on the Internet]. 2013

Foto's

Reageer op dit artikel