artikel

Het meten van voedingsinname, hoe betrouwbaar is het eigenlijk?

Voeding en gedrag

Het meten van voedingsinname, hoe betrouwbaar is het eigenlijk?

Voeding Nu vroeg twee diëtisten en een leefstijlcoach hoe betrouwbaar zij de door hen toegepaste methoden voor het meten van de voedselinname in de praktijk beoordelen. De drie geven aan dat ze het in het algemeen lastig vinden erop te vertrouwen of de opgegeven inname van hun cliënten waarheidsgetrouw is. Daarmee bevestigen ze de conclusies van de voedingskundigen.

In het vorige artikel van dit nummer constateert een aantal voedingskundigen hiaten in de basis van het voedingsonderzoek. Ze benoemen met name de foutmarges bij het verzamelen van voedselinnamedata.

Afra Ouwerkerk, diëtist met een eigen praktijk in Alkmaar

Afra Ouwerkerk (foto 2) geeft aan dat zij de voedingsinname van cliënten op op verschillende manieren nagaat: vaak is dit een 24-uurs navraagmethode of een (digitaal) voedingsdagboek. ‘We zijn ons altijd bewust van onderrapportage’, zegt ze. ‘Het doel van de 24-uurs navraagmethode ligt meer in het bekijken van de structuur, gewoontes en de basis van een voedingspatroon, dan in het berekenen van de inname, omdat incidentele tussendoortjes gemakkelijk worden vergeten. ‘Dat heeft niets met oneerlijkheid te maken’, vindt Ouwerkerk. Ze wijt het aan oorzaken als onbewuste inname, schaamte en het geven van sociaal gewenste antwoorden.

Bij onbewuste inname denken cliënten niet na bij wat ze eten en hebben ze niet in de gaten hoeveel en wat ze binnenkrijgen. In het geval van schaamte schort het volgens Ouwerkerk aan moed bij de cliënt. ‘Vaak weet men wel wat fout is, maar voor opbiechten is moed nodig’, licht ze toe. Over het geven van sociaal gewenste antwoorden zegt ze: ‘Cliënten denken dat een diëtist wil horen hoe goed ze het doen en dat ze wel weten wat een goede voeding is. In onze praktijk streven we naar een veilige omgeving en een vertrouwensrelatie met de cliënten, zodat ze durven vertellen waar ze tegenaan lopen. We geven de ruimte hen te laten ontdekken welk gewoonten ze onbewust hebben. Het kan best wat tijd kosten om zo’n vertrouwensband op te bouwen en de veilige setting te creëren.’

Ouwerkerk benadrukt dat de navraag van de voedingsinname dient als hulpmiddel bij de bewustwording van de voedingspatronen: ‘Deze kan dienen als uitgangspunt om naar een gezonder voedingspatroon toe te werken.’

Sophie Luderer, diëtist in het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis, Nijmegen

Luderer (foto 3) hanteert twee technieken om de voedingsinname te meten. ‘Welke techniek het meest geschikt is, is afhankelijk van patiënt en situatie’, zegt ze. ‘Meestal kies ik voor de 24-uurs navraagmethode, waarbij ik eetmomenten probeer te koppelen aan activiteiten om de kans op vergeten te verkleinen. Als iemand niet in staat is te reproduceren wat hij of zij de dag ervoor gegeten heeft, laten we de inname een aantal dagen noteren. Bij klinische patiënten worden intakelijsten bijgehouden. Poliklinische patiënten vragen we een eetdagboekje bij te houden, eventueel met hulp van familieleden of mantelzorgers. Voor nierpatiënten hebben we een eetdagboekje met invulinstructie dat ze kunnen downloaden via ons digitale patiëntenplatform. Onze berekeningen en bevindingen kunnen we met ze delen via deze digitale poli.’

Op de vraag of Luderer denkt dat de cliënten eerlijk zijn over hun voedselinname, antwoordt ze dat ze ervan uit gaat dat de meerderheid van de patiënten, al dan niet bewust, een voedingsbeeld geeft dat niet helemaal overeenkomt met de werkelijkheid. ‘Zelf begeleid ik voornamelijk nierpatiënten. Bij hen gaat het niet zozeer om een oordeel over een “goed” of “fout” eetpatroon, maar om bijvoorbeeld het achterhalen van de fosfaatverdeling, om medicatie goed af te kunnen stemmen, hyperkaliëmie te voorkomen of de eiwitinname te beoordelen. Ik heb de indruk dat nierpatiënten vaak goed inzien wat het belang is van een betrouwbare voedingsanamnese. Er speelt veel angst voor risicovolle bloeduitslagen en daarnaast ontstaat er vaak een vertrouwensband door langdurige begeleiding. Naar mijn idee is hierdoor de kans op betrouwbare voedingsanamneses groter dan bij iemand die is verwezen voor gewichtsreductie en daar misschien zelf nog niet het belang van inziet of de motivatie voor kan opbrengen.’

Bij nierpatiënten kan het effect van een dieetadvies teruggezien worden in de bloeduitslagen (serumkalium en -fosfaat), via de zogeheten PNA/PCR-meting of door de hoeveelheid natrium in de urine te berekenen. Als afwijkende uitslagen niet te relateren zijn aan de voedingsanamnese, blijft Luderer informeren over het belang van het advies en blijft ze doorvragen.

Francis van Laarhoven, leefstijlcoach en gewichtsconsulent bij Vivolé Voeding en Leefstijlcoaching, regio Bergen op Zoom

Van Laarhoven (foto 4) laat cliënten een schriftelijk eetdagboek bijhouden en/of de Eetmeter-app van het Voedingscentrum gebruiken. Dit laat zij minimaal twee weken, het liefst langer, doen en na afloop bespreekt ze het dagboek met de cliënt. Van Laarhoven heeft het idee dat cliënten de intentie hebben een eetdagboek eerlijk bij te houden. ‘Ze geven vaak al wel van tevoren aan dat ze nu al anders zijn gaan eten dan voorheen. Tijdens het bespreken van het dagboek kom ik er als ik doorvraag vaak achter dat cliënten voedingsmiddelen vergeten zijn op te schrijven. Zoals boter op brood, drinken en tussendoortjes. Vaak zeggen cliënten: “O ja, dat had ik ook nog gegeten.” Veel cliënten vullen het dagboek pas aan het eind van de dag in, de kans dat je dan iets vergeten bent, is erg groot. Ook merk ik vaak dat cliënten het lastig vinden om goed in te schatten hoeveel ze van iets hebben gegeten. Hoeveel groente zit er in de spaghettisaus en hoeveel heb je daarvan opgeschept? Ze maken dan een eigen inschatting.’ Van Laarhoven geeft aan dat geregeld iets afwegen helpt om meer zicht te krijgen in hoeveelheden.

‘Verder vinden cliënten het moeilijk om het dagboek bij te houden wanneer zij een feestje hebben of uit eten gaan. Ze weten vaak niet meer wat en hoeveel ze van iets hebben gegeten. Dat onderdeel van het dagboek blijft dan leeg of ze vullen een paar dingen in en geven aan dat het eigenlijk veel meer was maar dat ze het niet meer precies weten.’ Gaat het minder goed met het afvalproces dan vullen cliënten het dagboek vaak niet meer in, is Van Laarhoven’s ervaring.

Samenvattend

Ook als er meerdere technieken worden gebruikt om de voedingsinname te meten, is het waarschijnlijk dat de ingevulde gegevens niet met de werkelijkheid overeenkomen. Dat hoeft niet door oneerlijkheid van de cliënten te komen, maar wordt vaak veroorzaakt door schaamte of sociaal gewenst gedrag. Ook onbewuste inname of een slechte schatting ervan kan een oorzaak zijn. Bovendien vergeten cliënten vaak wat ze precies gegeten hebben als ze een voedingsdagboek achteraf invullen. Bij een mislukte afvalpoging vullen cliënten een dagboek soms helemaal niet meer in.

Foto's

Reageer op dit artikel