artikel

Column Suzan Tuinier – Meten is zweten

Voeding en gedrag

Column Suzan Tuinier – Meten is zweten

Ik houd van sporten. Het liefst zwem, loop en fiets ik buiten. Maar een flinke val zorgde voor een schouderblessure en daardoor was ik de afgelopen tijd veroordeeld tot spinningles in de sportschool. ‘En dan kunnen we volgende week je vetpercentage nog wel even meten’, zei mijn nét iets te gespierde spinninginstructeur. Daar zit ik echt he-le-maal niet op te wachten, dacht ik. Alleen al bij de gedachte aan zo’n meting, breek het zweet me uit.

Als tijdens de eerste virtuele klim dwalen mijn gedachten af. Uit mijn studietijd herinner ik me de verschillende meetmethodes en wat ik ook nog weet is dat er geen gouden standaard bestaat voor het meten van de lichaamssamenstelling. Onderwaterweging lijkt me geen optie, want ik verwacht geen watertank in de tuin van de sportschool. De bio-impedantiemeting ook niet, daarvoor heb je immers een bio-impedantieapparaat nodig. Een weegschaal waarmee het vetpercentage kan worden bepaald, heb ik ook niet zien staan. Blijft over: bovenarmspieromtrek en de huidplooimeting.

 

Met een normaal gewicht, een BMI van 22 en een redelijk gespierd lijf ben ik zeer tevreden. Maar toch gruwel ik bij het idee dat iemand mijn vetplooien zal meten. Vet confronterend. En als het voor mij al confronterend is, hoe is het dan voor een zwaarlijvig persoon? Laatst hoorde ik van een vakgenoot dat tijdens zijn promotieonderzoek de huidplooimeter soms te klein was om de vetrollen van de proefpersoon te meten. Dat moet toch verschrikkelijk zijn voor die persoon?

Wat zegt het vetpercentage eigenlijk en waarom is het zinvol om te bepalen? De Body Mass Index en het gewicht zeggen niet voldoende over de lichaamssamenstelling. Door de hoeveelheid vetvrije massa te bepalen krijg je meer inzicht in de voedingstoestand. Het meten van deze vetvrije massa geeft dus extra informatie. Maar, waarschuwt mijn collega-voedingskundige: je moet dus echt niet naar de tienden achter de komma kijken, veel eerder naar hele getallen en misschien zelfs wel vijftallen.

 

Het bepalen van het vetpercentage kan heel zinvol zijn, bijvoorbeeld bij iemand die ondervoed is, maar is het ook zinvol voor mij? Ik heb geen twijfels over mijn voedingspatroon, en heb geen gezondheidsklachten. De afgelopen maanden negeerde ik daarom mijn spinninginstructeur en is zo’n vervelende en confronterende klem op m’n huidplooien me gelukkig bespaard gebleven. Wat een geluk dat mijn blessure bijna over is en ik weer mag sporten in de buitenlucht. Dat is vast heel gunstig voor mijn vetpercentage!

 

Suzan Tuinier geeft als columniste regelmatig haar mening over diverse voedingsonderwerpen.

 

Reageer op dit artikel