artikel

Rob Markus: ‘Mensen gaan vooral overeten als ze zich ontevreden of rot voelen’

Voeding en gedrag

Rob Markus: ‘Mensen gaan vooral overeten als ze zich ontevreden of rot voelen’

Kun je met voeding je stemming gunstig beïnvloeden? Zeker, maar verwacht er niet te veel van. ‘Een lekkere warme douche werkt vaak beter.’ Kun je verslaafd raken aan lekker eten? ‘Nee, aanhankelijk, dat wel.’ Dit artikel komt uit de printuitgave van Voeding Nu 5.

Neuropsycholoog Rob Markus (53) doet al meer dan twintig jaar onderzoek naar de relaties tussen stress, hersenen en gedrag. Daarbij besteedt hij in het bijzonder aandacht aan de rol van voeding, met name die van koolhydraten. Hij is nu hoogleraar aan de Universiteit Maastricht. Zijn interesse voor dit onderzoeksveld ontwikkelde hij al tijdens zijn opleiding aan de universiteit van Utrecht. Voor zijn promotiestudie onderzocht hij de relaties tussen koolhydraten en de systemen in de hersenen, zoals de invloed van voeding op de signaalstoffen serotonine en dopamine. Markus houdt zich bezig met drie onderzoekslijnen: de genetische kwetsbaarheid voor stress en risico voor overgewicht; voedingsafhankelijkheid en hersenen; slaap en depressie. Daarnaast kraakt hij op een wetenschappelijke manier mythes die zijn interesse hebben.

Wat wilde je onderzoeken?

‘Ik wilde weten of koolhydraatrijke versus proteïnerijke voeding het brein zodanig zou kunnen beïnvloeden dat het stress vermindert. We wisten al dat veel mensen een voorkeur hebben voor koolhydraten en suikers als ze zich rot voelen. Ik wilde weten hoe dat komt. Doen koolhydraten iets in het brein? En doen ze dat dan alleen bij mensen die er gevoelig voor zijn of niet? Daarbij ging de aandacht uit naar de beïnvloeding van voeding op serotonine, een transmittorstof die zorgt voor communicatie tussen hersencellen en die betrokken is bij stress en depressie. Het idee was dat koolhydraten gunstig werken bij veel mensen, maar vooral bij mensen die een tekort hebben aan serotonine en dat koolhydraten het stofje zouden kunnen aanvullen in het brein.’

Hoe meet je dat, hoe kun je dat zien?

‘Sommige onderzoekers werken alleen met dieren, maar ik heb alleen humane studies gedaan. Ik bracht in het laboratorium bijvoorbeeld mensen in een acute situatie van stress. Ik liet ze onder andere gedurende een half uur rekensommen oplossen, waarvan ze de indruk hadden dat ze die gezien hun niveau moesten kunnen, maar die op basis van hun competenties zodanig aangepast waren dat ze de opgave net niet haalden. Door heel vaak een faalervaring te krijgen, versterkt door bijvoorbeeld lawaaitoediening, kan oncontroleerbare stress ontstaan. Behalve gestrest, raken veel mensen dan ook gedeprimeerd. Nadat mensen in een dergelijke toestand zijn gebracht, kan er gemeten worden, onder andere door gewoon te vragen hoe de proefpersonen zich voelen, maar ook door de stresshormonen in het bloed, veelal bijnierschorshormonen, te bepalen. Er wordt voor en na de aanbieding van de stressoren gemeten. Er kan dan enerzijds naar psychologische maten worden gekeken (hoe voel je je?) en anderzijds naar biomaten (cortisolhoeveelheden bijvoorbeeld). Na dergelijke metingen kan vervolgens bepaald worden of mensen wel of niet serotoninegevoelig zijn.’

Wat betekent het als iemand serotoninegevoelig is?

‘Serotonine is een heel belangrijke stof bij stress. Wij denken dat als mensen minder serotonine in hun brein hebben, ze een groter risico lopen onder stress gedeprimeerd te raken. Er is als het ware een minder grote buffer van de stof. Mensen met een depressie krijgen dan ook vaak een antidepressivum dat de serotoninehoeveelheid verhoogt. Als gezonde mensen bijvoorbeeld chronische stress hebben ervaren in de voorgaande vier vijf maanden, dan kan het zijn dat het serotonine gevoeliger wordt, dat de buffer als het ware opraakt. Ze maken niet meer voldoende aan in relatie tot wat ze opmaken. Mensen verschillen in de mate waarin ze serotoninegevoelig zijn. Sommige mensen hebben echter zo weinig reserve, dat ze snel last hebben van depletie. Er is namelijk geen onuitputtelijke bron, sterker nog, de stof raakt vrij snel op. Dat kan dus door chronische stress komen, maar ook (deels) door genetische aanleg. In onze proeven kunnen we serotonine depleren, de aanvoer verstoren. Wij willen zo te weten komen of gezonde mensen met serotoninegevoeligheid een groter risico lopen op depressie en/of zij er meer profijt van hebben als serotonine, mede door suikers of koolhydraten, wordt aangevuld. Er zijn nu meerdere studies die in dezelfde richting wijzen, namelijk dat koolhydraten of suikerhoudende middelen een overwegend positief effect op stemming en stressweerbaarheid hebben bij mensen die er gevoelig voor zijn, dat wil zeggen bij mensen die te maken hebben met chronische stress of serotoninegevoeligheid. Dit fenomeen heb ik al in het begin van mijn studies gesignaleerd en vergelijkbare uitkomsten komen nog steeds naar buiten. Zo blijkt de stemming van mensen met een Seasonal Affective Disorder, mensen met een seizoensgebonden depressie, te verbeteren door koolhydraten en glucose. Wij hebben laten zien dat de serotinegevoeligheid tussen mensen verschilt, vooral onder stress. Ze kunnen dan baat hebben bij de inname van koolhydraten en suikers. Ik moet daar echter wel bij zeggen dat de effecten ervan op de stemming helaas niet heel sterk zijn, eerder klein; ze hebben eigenlijk geen klinische relevantie. Mensen kunnen er iets blijer door worden, maar een lekkere warme douche zou een groter effect kunnen hebben.’

Dan zullen er toch mensen zijn die zeggen: zie je wel, er is een relatie tussen een betere stemming en suiker- of koolhydraatinname?

‘Zeker, absoluut. Dat is ook zo. Producten met suiker, zoals jus d’orange of chocolade, kunnen dat gunstige effect hebben. In de wetenschap is dit undisputed, een feit. Van koolhydraten, al dan niet zoet, zeggen veel mensen een betere stemming te krijgen. Hoe komt dat? Ten eerste zijn koolhydraten lekker en zoetig. Daarvoor hebben mensen een aangeboren voorkeur. Ze ervaren iets plezierigs bij het eten ervan. Ten tweede leidt de biochemische route tot serotonineverhoging. We zien namelijk ook een verhoging als koolhydraten gegeven worden terwijl de smaakgewaarwording wordt uitgesloten. Als je een neurotransmitter wilt beïnvloeden via voeding of supplementen, dan werkt dat het beste via serotonine. Andere neurotransmitters als dopamine, noradrenaline of gaba, die geassocieerd zijn met positieve gevoelens, zijn minder direct afhankelijk van voeding dan serotonine. Zo gaat het dopamineniveau pas omhoog als mensen zich al plezierig voelen. Het plezier op zich versterkt het goede gevoel en kan de dopamineproductie verder aansporen. Dat kan ontstaan door van alles: lekker eten, een warme douche, seks, sporten of cadeaus krijgen. Serotine is direct afhankelijk van de beschikbaarheid van het aminozuur tryptofaan, waarvan de hoeveelheid mede wordt beïnvloed door de inname of aanwezigheid van koolhydraten. In supplementvorm wordt tryptofaan weleens toegepast bij lichte depressies of slaapproblemen. Er is effect, dat zie we ook wel in het lab, maar het vervelende is dat dit nooit heel sterk is. Als je last hebt van slecht slapen of negatieve gevoelens, kun je beter niet te veel eten, proberen een plezierig leven te leiden en geen telefoon naast je bed leggen. Dat is veel belangrijker dan een pil. Sommige verslavende stoffen, zoals extasy, kunnen direct de hoeveelheid dopamine verhogen, maar dat gaat op langere termijn wel gepaard gaat met structurele veranderingen in het brein.’

Als koolhydraten of suikers van invloed zijn op de hoeveelheid serotonine, kan er dan toch niet een verslavende werking vanuit gaan?

‘Mensen kunnen niet verslaafd raken aan voeding of aan nutriënten, behalve aan alcohol, maar dat is echt een ander verhaal. Het heeft mijns inziens te maken met hoe ‘verslaving’ gedefinieerd wordt. Globaal gesproken wordt ermee bedoeld dat mensen doorgaan met bepaald gedrag dat slecht voor ze is, waarvan ze allerlei hinder en negatieve effecten ervaren. Bovendien gaat verslaving gepaard met structurele veranderingen op receptorniveau in het brein, met vernietiging in het brein en organen. Daardoor kan uiteindelijk geen afstand meer worden gedaan van een stof en moet er steeds meer van worden ingenomen om eenzelfde effect te krijgen, met risico op overdosis. Suiker staat niet in de lijstjes van verslavende stoffen, al is dat in de volksmond wel zo. Volgens mij wordt daar eerder een afhankelijkheid van eten mee bedoeld. Verslaafd zijn aan suiker is onmogelijk, dat kan niet, je kunt wel aanhankelijk zijn. Internationaal is men het hier in de wetenschap over eens. Deze consensus is onlangs nog eens bevestigd in het NWO-project Neurofast, waarvoor alle literatuur over dit onderwerp is bestudeerd.’

Hoe verklaar je dan al het geroep over suikerverslaving?

‘Uit het merendeel van de goed uitgevoerde studies blijkt dat suiker niet verslavend is, maar dat er wel een zekere aanhankelijkheid kan zijn. Het grote probleem is dat er tussen al die studies altijd uitzonderingen zijn die een tegendeel laten zien. En ook als er aan die studies van alles mankeert, dan nog worden de conclusies heel hard aangezet in de media. Een paar dierstudies waarin een verband wordt gevonden, een arts van de GGD die het verhaal oppakt en rondbazuint en je hebt wat mensen willen horen; ze vinden het heerlijk, want ze houden van duidelijkheid. Bovendien, als suiker verslavend is, dan zijn ze zelf niet meer verantwoordelijk. Dan wordt hun verkeerde eetpatroon veroorzaakt door het verslavende effect van suiker. Hetzelfde geldt voor de mythe ‘suiker maakt dik’. Dat mensen dik worden, komt echt niet door de suiker. Dat komt doordat mensen meer energie nuttigen dan het lichaam verbruikt. En dat is niet afhankelijk van een bepaald nutriënt, behalve bij die zeldzame personen met een abnormale stofwisseling. Ook binnen onze groep hebben we hier onderzoek naar gedaan. Onze conclusie is dat het bij overtollige energie-inname juist veel vaker over lekkere, vette, eiwitrijke voeding gaat. Het draait zelden om zoetigheid alleen, maar vooral om nutriënten die palatable zijn.’

Een veelgehoorde stelling is dat ook zoetstoffen verslavend zouden kunnen zijn door hun smaak of biochemische werking?

‘Een vaak geopperd mechanisme is dat zoetstoffen zonder energetische waarde, dan wel suikers met energetische waarde, de aanleiding vormen om meer te eten. Dat zou komen doordat ze een enorme stijging in de glucose veroorzaken, waarna het lichaam in een hypoglycemie komt met hongergevoelens als kenmerk. Daarna zouden mensen dan weer meer gaan eten. Ik heb naar dit onderwerp net een studie afgerond, waarvan de resultaten nog niet gepubliceerd zijn. Voor dit onderzoek hebben we bij negentig mensen gekeken naar glucoserespons, hypoglycemie, honger en stemming. We boden ze een zoet smakende, gesuikerde drank aan, melk (als controledrank) en een zoet smakende, energieloze drank met zoetstoffen. De stelling dat gesuikerde dranken of zoete dranken zonder calorische waarde de trek of honger vergroten, in relatie tot de glycemische respons, kan op basis van onze bevindingen ontkracht worden. Ook het idee dat mensen geneigd zijn tot overeten als ze ‘snelle suikers’ innemen, waarna hypoglycemie ontstaat, wordt door deze studie niet ondersteund. Bij alle drie de variaties in aangeboden dranken was geen sprake van meer of minder trek of honger. De proefpersonen kwamen om half negen, steeds nuchter bij ons in het lab. We deden dan een voormeting, een bloedtest, waarna ze een van de drie drankjes kregen. Om het half uur deden we een bloedmeting. Bij de gesuikerde drank en de melk zagen we na dertig minuten een glucosepiek, bij de zoete placebo (met zoetstof) zagen we nauwelijks een glucoserespons. Na circa anderhalf uur hadden de proefpersonen in alle groepen weer normale glucoseniveaus. De tijd die verstreek tussen de glucosepiek en het ontstaan van trek of honger was vergelijkbaar. We zagen bij de gesuikerde drank wel de hoogste piek en grootste daling, maar ook hier was geen sprake van meer of minder honger dan in de andere groepen. Naarmate de tijd verstreek na het innemen van het drankje, werd de stemming van de proefpersonen over het algemeen wat negatiever. We constateerden een minder negatieve stemming na innemen van de zoet smakende suikerdrank. In een vervolgonderzoek gaan we kijken wat mensen drie uur na eenzelfde proef tijdens de lunch gaan eten.’

Hoe komt het dan toch dat mensen zo overeten?

‘Daar is al heel veel onderzoek naar gedaan en de meeste studies komen naar mijn idee grotendeels neer op één concept: mensen eten vooral te veel als ze zich rot of slecht voelen. Ze gaan vooral meer overeten, snacken, als ze ontevreden zijn; emotion related eating, stress related eating. En dat is op zich vreemd, want als een dier gestrest raakt, schakelt het normaal gesproken alle metabole processen uit. Bij mensen werkt dat blijkbaar anders, waarschijnlijk door het belonende, plezierige effect van lekker eten. Mensen overeten omdat ze zich vervelend voelen, maar ze zouden zich gewoon op een andere manier lekker moeten gaan voelen. Dat is een open deur, maar geen gemakkelijke opgave.’

Er zijn ook onderzoekers die het tegenovergestelde beweren: Emotie-eten bestaat niet.

‘Ik reageer op dit punt niet vanuit persoonlijk belang. Als je kijkt naar de normaalverdeling van goed uitgevoerd onderzoek op dit gebied, kun je concluderen dat mensen vaak anders gaan eten als ze zich beroerd voelen. Zestig tot zeventig procent van de mensen gaat meer eten, de rest juist wat minder. Noem het emotioneel eten of niet. Op de vraag of onze emotionele gesteldheid ons eetgedrag stuurt, kun je geen ‘nee’ zeggen. Internationaal is hierover consensus en dan gaat het niet om een of twee onderzoeken. Je mag dus concluderen dat emotie de belangrijkste voorspeller is van veranderingen in eetgedrag. Wanneer mensen zich vervelend voelen, is de neiging om te veel te eten groter. Heb je een vervelend gevoel, zorg dan dus dat je je over het algemeen goed gaat voelen… Ja, heb je even een paar dagen…’

Het stikt van de onderzoeken en initiatieven om mensen positiever, gelukkiger en beter te laten zijn. Wat werkt?

‘Het hele domein van gedragsmanipulerende strategieën, waarmee getracht wordt gedrag zodanig te beïnvloeden dat mensen niet ziek worden, heeft hier geen eensluidend antwoord op. Hoe kunnen we er vanuit therapie of vanuit gedragscorrecties bijvoorbeeld voor zorgen dat volwassenen en kinderen geen overgewicht ontwikkelen? Het is een wereldwijd probleem waar we, schandalig genoeg, nog steeds geen goede oplossing voor hebben. We stoppen heel veel geld in onderzoek hiernaar, maar we hebben geen antwoord. Het is verrassend dat we in de loop der jaren zo weinig zijn opgeschoten. Er zijn innovatieve ontwikkelingen, waarbij bijvoorbeeld gekeken wordt naar genen en overgewicht. Allemaal interessant en leuk, maar de belangrijkste sleutel zit volgens mij in de emotioneel-cognitieve representatie van hoe iemand zich voelt. Hoe goed voel je jezelf en hoe goed voel je je in de samenleving? Is het antwoord op deze vraag over het algemeen positief, dan is er minder grond te overeten.’

Reageer op dit artikel