artikel

Meer verzadigd vet past niet in een gezond voedingsprofiel

Voeding & Ziekte

Meer verzadigd vet past niet in een gezond voedingsprofiel

Hart- en vaatziekten gaan wereldwijd nog steeds aan kop als meest voorkomende ziekte en doodsoorzaak. Ze zijn verantwoordelijk voor bijna een derde van de mondiale sterftecijfers. De aandacht voor voeding blijft achter bij de farmaceutische en curatieve behandeling van hart- en vaatziekten. Ook op het congres van de European Atherosclerosis Society.

Elk jaar komen hart- en vaatspecialisten bij elkaar op het jaarcongres van de European Atherosclerosis Society (EAS) om de laatste kennis met elkaar te delen. Tijdens de 87 editie, eind mei, streken ze neer in Maastricht. Vanuit de afdelingen Nutrition and Movement Sciences and Molecular Genetics werd voorafgaand aan het hoofdcongres een satellietsymposium georganiseerd waarin werd ingegaan op de relatie leefstijl, metabolisme en hart- en vaatziekten.
Een blik op het totale aanbod van lezingen op het congres van de Europese hart- en vaatspecialisten (EAS) leert dat het onderwerp voeding nog veruit in de minderheid is ten opzichte van farmaceutische en curatieve onderwerpen, die gaan over de aanpak van hart- en vaatziekten. Met de organisatie van het satellietsymposium wil de afdeling Voeding en Bewegingswetenschappen van Maastricht Universiteit dan ook meer aandacht trekken voor metabole aspecten.

Promoten gezonde leefstijl

‘Na vandaag is voor mij weer bevestigd dat we nog sterker de link moeten leggen tussen leefstijl, metabolisme en cardiovasculair risico, meer dan we nu doen’, zegt Jogchum Plat, hoogleraar fysiologie en voeding van Maastricht University, terugblikkend op de mede door hem geïnitieerde satellietbijeenkomst. ‘We zien dat er terecht nog heel veel geïnvesteerd wordt in het behandelen van hart- en vaatziekten. De invloed van de farmacologische industrie en de daaruit voortkomende nieuwe behandelopties wordt sterker en effectiever, mede dankzij grote investeringen. Er is natuurlijk veel discussie over het verder verlagen van de streefwaarden van het LDL-cholesterol naar 1.8 mmol/L. We zijn inmiddels zover dat het LDL-cholesterol van risicopatiënten theoretisch vrijwel naar nul gebracht zou kunnen worden via medicinale weg. Dit geeft aan hoe krachtig medicatie kan zijn indien je eenmaal de risicofactoren hebt vergaard of inmiddels patiënt bent. Maar het besef dringt gelukkig ook steeds meer door dat we meer moeten doen aan de voorkant, aan preventie. Als we mensen gezonder kunnen maken door een betere voeding en leefstijl dan zit daar de echte winst. Ik heb echt het idee, en dat zijn geen loze woorden, dat er ook in het veld van hart- en vaatspecialisten meer bewustwording gaande is over het belang van het promoten van een gezonde leefstijl. Er wordt ook door de clinici gelukkig meer en meer gesproken over het belang van leefstijl en er zijn landelijk natuurlijk geweldige bottom-up initiatieven gaande, zoals de groep enthousiaste geneeskundestudenten verenigd in ‘Student en leefstijl’ die het voor elkaar hebben gekregen in alle geneeskunde universiteiten een extra curriculair programma op te starten volledig rondom dit onderwerp.’

Plantenstanolen

Tijdens zijn eigen lezing ging Plat in op het effect van plantenstanolen en -sterolen in de voeding op het cholesterolgehalte van het bloed. Hij liet onder andere de resultaten een recente meta-analyse zien, waarin 124 klinische studies zijn meegenomen. Volgens hem zorgt een inname van 2-2.5 gram plantenstanolen of -sterolen per dag voor een gemiddelde verlaging van het LDL-cholesterol met 10 tot 12 procent. ‘De stanolen en sterolen zorgen voor een absorptie-inhibitie van het cholesterol uit de darm dat onder andere met de voeding wordt ingenomen’, aldus Plat. Hierdoor daalt de hoeveelheid cholesterol in de ‘atherogene’ LDL-cholesterolfractie. Het lipoproteïnenmetabolisme speelt een centrale rol bij het atheroscleroseproces en kwam vaak aan bod tijdens het EAS-congres.

Onderscheid

Als Plat verder inzoomt op het cholesterolmetabolisme, dan ziet hij dat er steeds meer reden is om onderscheid te maken tussen mensen, bijvoorbeeld als het gaat om de behandeling als er sprake is van een verhoogd LDL-cholesterol. ‘Dat is volgens de meeste literatuur nog steeds een van de belangrijkste risicofactoren voor hart en vaatziekten’, verklaart hij. ‘We weten sinds kort dat we mensen kunnen indelen in twee groepen: de zogenaamde cholesterol synthesizers en de cholesterol absorbers. De eerste groep maakt zijn cholesterol voornamelijk zelf en haalt niet zoveel uit de voeding terwijl de absorbers voornamelijk cholesterol opnemen uit de darm en veel minder zelf produceren. Het lijkt er steeds meer op dat vooral de mensen met een absorber-profiel een hoger risico op atherosclerose lopen dan de synthesizers. Hoe dat mechanistisch verklaard kan worden, behoeft meer onderzoek. Dat we deze kennis hebben, betekent ook dat je op basis van deze fenotype-kenmerken verschillende behandelingen zou moeten kiezen. Iemand die vooral cholesterol absorbeert in de darm zal bijvoorbeeld weinig effect hebben van statines die de synthese remmen. Neemt iemand weinig cholesterol op met de voeding, dan heeft het ook geen zin om dure, met plantensterol of stanol verrijkte margarines te gaan nemen die absorptie van cholesterol via de darm beletten. We kunnen nu al aan de hand van diverse parameters mensen te typeren, waardoor we een behandeling persoonlijker kunnen maken.’ Deze vorm van personalized nutrition op basis van fenotypische kenmerken wordt nog nauwelijks toegepast maar is nu al wel voorhanden. In die zin loopt deze toepassing voor op personalized nutrition op basis van genetische profielen, waar nog veel werk verricht moet worden alvorens het evidence-based kan worden toegepast.

Meer effect plantensterolen

Een interessante ontwikkeling waar ook op werd ingegaan, is het recente inzicht dat plantaardige sterolen en stanolen effecten hebben die verder gaan dan het verlagen van het LDL-cholesterol. Zo werkt Plat’s collega Sabine Baumgartner, medeorganisator van de satellietbijeenkomst, aan een project dat erop gericht is de ontstekingsremmende werking van plantaardige sterolen en stanolen op leverontsteking in patiënten met NASH (non alcoholic fatty liver disease) te evalueren. De aanwijzingen uit proefdierstudies zijn positief en op dit moment loopt de eerste grote klinische studie met de patiënten in Maastricht. Daarnaast is Lieve van Brakel, promovendus in de groep van Plat, bezig met een klinische studie onder allergische astmapatiënten waarin wordt gekeken of plantaardige stanolen wellicht een vermindering van astmagerelateerde klachten geven. Reden om deze studie te starten is de recente observatie dat plantaardige stanolen het gedrag van T-cellen lijken te sturen, weg van de prominent aanwezige allergische response.

Diabetes

Behalve voor het vetmetabolisme was er op de satellietbijeenkomst tevens aandacht voor het glucosemetabolisme. De Italiaanse hoogleraar Gabriele Riccardi van de universiteit van Napels, die gespecialiseerd is in diabetes en hoofd is van een diabeteskliniek, ging in op het belang van een vroege signalering van voorboden van diabetes. ‘Naarmate mensen ouder worden ontwikkelen ze meer (abdominaal) vet, wat er vaak moeilijk af te krijgen is. Dan zien we dat het systeem voor de glucosehuishouding zwaarder belast gaat worden. Bètacellen die insuline produceren gaan in kwaliteit achteruit en glucose wordt minder goed door de spieren opgenomen. Er is geen acuut gevaar, maar over een periode van circa tien jaar kunnen de gevolgen sluipend verergeren’, waarschuwt hij.

Sluipend risico

Het sluipende risico houdt onder andere in dat er steeds meer zogeheten advanced glycation endproducts in de bloedbaan ontstaan. Het gaat om eiwitmoleculen die reageren met glucose die schade aan de bloedvaten kunnen aanrichten. Zo vormen ze een risicofactor voor hart- en vaatziekten en dragen ze bij aan de kans op atherosclerose. Volgens Riccardi is het van belang de glucosepieken in het bloed, die postprandiaal ontstaan, zo laag mogelijk te houden. ‘Zeker als je van middelbare leeftijd bent en je glucosemetabolisme al enigszins is ontregeld’, weet Riccardi. ‘Als je jong bent en actief, dan weet het lichaam het glucosegehalte netjes in een gezonde bandbreedte te houden.’

Beheersing glucosepieken

Volgens de Italiaanse professor loopt de helft van de Europeanen rond met een ontregeld bloedglucosemetabolisme en zouden zij er in hun leefstijl rekening mee moeten houden, opdat het niet verder ontregelt en er diabetes ontstaat. Het voorkomen hiervan is volgens hem het beste te doen in kleine stapjes in de voeding en leefstijl. ‘Het gaat met name om de beheersing van de glucosepieken’, herhaalt hij. ‘In nuchtere toestand is er niet zo veel aan de hand. Het is belangrijk dat je je voeding gaat kiezen op basis van gezonde nutriënten, voedingsmiddelen die gemaakt zijn op basis van volle granen of noten. Voor sommigen lijkt dit een moeilijke boodschap, maar het is eenvoudig: stap bijvoorbeeld over van wit naar volkorenbrood. Misschien vind je het in het begin niet zo lekker, maar na drie maanden zul je merken dat het gewoon lekker brood is. Je raakt eraan gewend. Ik zeg altijd, kijk ook eens naar hoe er vijftig jaar geleden werd gegeten, naar wat er toen op het menu stond. Als je dat kunt evenaren, kom je al een heel eind in een gezonde richting. Ik weet ook wel dat het in deze maatschappij niet zo makkelijk is, met alle verleidingen, maar kleine, eenvoudige stapjes kunnen je al helpen het risico te verminderen. Dat betekent ook niet dat je geen suiker meer mag eten. Eet gerust een vrucht waarin vruchtensuikers zitten, want daarmee krijg je ook alle andere waardevolle nutriënten binnen. Yoghurt waarin verzadigd vet voorkomt mag best, want het verzadigde vet daarin is anders dan dat in bijvoorbeeld chips of koekjes. De andere nutriënten in de zuivel zorgen ervoor dat het cholesterolgehalte in balans is. Het gaat om voedingsmiddelen en niet om enkelvoudige ingrediënten. Er wordt door voedingsadviseurs nogal eens op gehamerd om, voor een betere gezondheid, koste wat kost het gewicht naar beneden te brengen. Dat is ook van belang, maar het is eenvoudiger om op korte termijn je voeding gezond bij te stellen dan om twintig kilo te verliezen. Ja, dat lukt wel met een crashdieet, maar dan zit je meestal zo weer op het oude niveau.’

Moleculaire verschillen

Tijdens zijn lezing demonstreerde Riccardi, aan de hand van de resultaten van een recent onderzoek, hoe metabole reacties in het lichaam kunnen verschillen afhankelijk van de moleculaire samenstelling van voedingsmiddelen. Hij liet de effecten zien van de polymeren van glucose amylopectine en amylose op de concentratie van glucose en insuline in het bloed. Beide komen als koolhydraten voor in voedingsmiddelen, bijvoorbeeld in beschuit of koek. Voedingsmiddelen met meer amylopectine zorgen voor een hogere glucose- en insulinepiek dan voedingsmiddelen met meer amylose. Geraffineerde tarweproducten bevatten meer amylopectine dan amylose. Terwijl de totale hoeveelheid koolhydraten van beide graanproducten, evenals de hoeveelheid vezel, gelijk kan zijn, hebben ze toch een ander effect in het lichaam. ‘Geraffineerde producten met amylopectine zijn makkelijker verteerbaar’, verklaart Riccardi. ‘Door hun moleculestructuur worden ze in de dunne darm makkelijker afgebroken. Producten met koolhydraten, zoals amylase, komen als zodanig in de dikke darm terecht en hebben een gunstig effect op de plasmaglucoseregulatie.’

Extra vergine olijfolie of roomboter

Ook ging Riccardi nog in op het effect van verschillende typen vet in maaltijden met een hoge glycemische index bij diabetespatiënten. In vergelijkbare testmaaltijden blijkt de glucosepiek na 2 uur het hoogst als in de maaltijd roomboter is verwerkt (ca. 180 mg/dl). Het laagst is de piek in de maaltijd met extra vierge olijfolie (ca. 130 mg/dl). De controlemaaltijd, laag in vet, eindigt in de middenmoot (ca. 165 mg/dl). Na enkele uren daalt de glucoseconcentratie in het bloed het hardst in de maaltijd laag in vet, gevolgd door het maal met olijfolie en boter. De maaltijd met boter zorgt voor het behoud van de hoogste glucoseconcentratie. ‘Het maakt hiervoor in principe niet zoveel uit of je extra vierge of gewone olijfolie gebruikt’, zegt Riccardi. ‘Het gaat in dit onderzoek om de mono onverzadigde vetten, maar het is wel zo dat er in extra vergine olijfolie polyfenolen zitten die additionele gunstige effecten kunnen hebben op de vetzuurbalans. Ander onderzoek laat zien dat op maaltijden rijk in polyfenolen lagere glucosepieken volgen.’

Keer diabetes om

Een van de bewegingen die in Nederland gaande is om diabetes aan te pakken, is Keer diabetes om. Hierin wordt benadrukt dat in de voeding de hoeveelheid (geraffineerde) koolhydraten teruggedrongen moet worden, maar wordt minder gewaarschuwd voor het gebruik van producten met verzadigd vet, zoals roomboter. Jogchum Plat juicht nadrukkelijk de aandacht toe die via Keer diabetes om wordt gevraagd voor het belang van een gezonde leefstijl. ‘Ik ben daar echt heel gelukkig mee’, zegt hij. ‘Maar ik vraag me wel af of hetgeen door deze behandelaars wordt geadviseerd niet te extreem is. Een te extreme promotie van koolhydraatarme diëten enerzijds en het makkelijk toestaan van het gebruik van roomboter anderzijds lijkt onlogisch en is moeilijk te rijmen met alle bestaande bewijslast. Ik zou graag met vertegenwoordigers van Keer diabetes om nagaan of er niet nog een beter voorstel is, iets wat ertussen zit. Niet omdat het minder extreem zou moeten, maar vanwege het wetenschappelijk bewijs dat er is. Begrijp me niet verkeerd, het effect van het Keer diabetes om-programma is er overduidelijk. Echter, zoals het er nu voor staat in de voedingswetenschap past de boodschap ”meer verzadigd vet” niet in een gezond profiel en zou dus ook niet in dit programma horen. Ik denk dat we met wat verdergaande finetuning op een nog beter metabool profiel kunnen uitkomen door aanpassingen in de voeding en leefstijl. Dan bereiken we wellicht het maximaal haalbare. Het effect van leefstijl is enorm sterk, laten we vooral benadrukken en uitdragen dat we het daar over eens zijn, de rest zijn inhoudelijke details.’

Voedingsmiddelen versus ingrediënten

Tijdens het EAS-satellietsymposium presenteerde onderzoeker Eva Fechner de resultaten van haar studie A whole diet approach not only improves fasting, but also postprandial cardiometabolic risk markers. Ze voerde deze uit aan de Universiteit Maastricht met steun van Unilever en Nutrim. Doel was om uit te vinden welke verschillen er zijn op metabole paden en cardiovasculaire risicofactoren als enerzijds wordt uitgegaan van een westers voedingspatroon met daarin voedingsmiddelen rijk aan verzadigd vet, snelle koolhydraten en zout en anderzijds van een gezonder plant based voedingspatroon met daarin voedingsmiddelen rijk aan onverzadigd vet, langzame/complexe koolhydraten, vezels en laag in zout. Hiervoor vergeleek Fechner in een onderzoeksgroep de effecten op cardiovasculaire risicofactoren na de maaltijd (postprandiaal) en tijdens het vasten. Aan de studie deden veertig mannen en vrouwen tussen 50 en 70 jaar met overgewicht mee. De groep werd in tweeën verdeeld. Ze kregen om de beurt, gedurende zes weken, een ongezond of gezond dieet voorgeschoteld. Na de periode met het gezonde dieet waren er in de totale onderzoeksgroep significante verbeteringen in het triglyceridengehalte en het LDL-cholesterol te zien. Bovendien was er vooral in de postprandiale periode een duidelijke verbetering in cardiovasculaire parameters zichtbaar. Dat laatste is vooral een teken dat de gezonde voeding gedurende het grootste deel van de dag zijn gunstige effecten laat zien. Ook daalde na de periode van gezond eten de 24-uurs gemeten bloeddruk. Een belangrijke conclusie van de onderzoeker is dat een gezonde voeding een relatief eenvoudige manier is om risicofactoren voor hart- en vaatziekten aan te pakken en te managen.

Reageer op dit artikel