artikel

Genetisch gemodificeerde dieren in ons voedsel nog niet dichtbij *

Voedingsbeleid

Genetisch gemodificeerde dieren in ons voedsel nog niet dichtbij *

Na genetisch gemodificeerde (GG) planten wordt er nu wereldwijd in toenemende mate onderzoek gedaan naar GG-dieren voor gebruik in de voedselproductie. Europa bereidt zich hierop voor door na te denken hoe deze GG-dieren zouden moeten worden beoordeeld op voedselveiligheid, maar ook op dierenwelzijnsaspecten.

In augustus 2010 werd de AquAdvantage zalm als eerste GG-zalm ter beoordeling aangeboden bij de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) door de firma die het ontwikkeld had, AquaBounty Technologies. In deze zalm is een extra groeihormoon in het erfelijk materiaal ingebracht waardoor de zalm veel sneller dan soortgenoten het marktrijpe gewicht haalt. Dit heeft voor de visproducent duidelijk economische voordelen: de vis eet in de kweekfase minder voer en kan sneller naar de markt. Een maand na de indiening van het dossier publiceerde de FDA een eerste rapport waarin werd aangegeven dat de vis geen risico’s met zich brengt voor de consument of het milieu. Dit rapport was het begin van een langdurig steekspel tussen voor- en tegenstanders van de introductie van de GG-zalm op de Amerikaanse markt.

In februari dit jaar verlengde de FDA opnieuw de inspraaktermijn voor het Amerikaanse publiek, zodat zij zich uit kunnen spreken over de beoordeling van de FDA dat de vis veilig geïntroduceerd zou kunnen worden op de Amerikaanse markt. De pro-biotechnologie-groepen in de Verenigde Staten verwachtten dat de markttoelating een stap dichterbij is gekomen door het laatste FDA-rapport, dat vorig jaar december opnieuw concludeerde dat de vis veilig is voor consument en milieu. Maar gezien het aantal reacties in de inspraakrondes tot dusver, lijkt het nog verre van zeker dat de zalm binnen afzienbare tijd op de Amerikaanse markt zal komen.

GG-dieren buiten Europa
Net als bij GG-planten hebben de Verenigde Staten bij GG-dieren het voortouw genomen. In Europa zijn nog geen GG-dieren op de markt en er is ook nog geen dossier aangeboden aan de Europese Commissie voor het op de markt brengen van een GG-dier voor voedselproductie. Er zijn inmiddels wel van GG-dieren afkomstige farmaceutica toegestaan. In landen buiten Europa wordt wel duidelijker ingezet op de ontwikkeling van GG-dieren, voor medische doeleinden, maar ook voor voedselproductie. Dit werd duidelijk tijdens de eerste internationale conferentie over GG-dieren in Buenos Aires, Argentinië, in 2011. Daar bleek dat met name China, de Zuid-Amerikaanse landen Argentinië en Brazilië en in mindere mate de VS en Canada de productie van GG-dieren als een goede mogelijkheid zien om specifieke farmaceutische stoffen te kunnen produceren en mogelijk, op termijn, ook als een manier om goedkoper hoogwaardige dierlijke voedselproducten te kunnen produceren. Van deze landen heeft China op dit moment de grootste verscheidenheid aan en het grootste aantal GG-dieren ontwikkeld. Het gaat vooral om varkens, koeien en schapen. Dit zijn de diersoorten die, naast verschillende gewassen, het speerpunt vormen in het omvangrijke biotechnologie-programma van China. In andere landen worden de ontwikkelingen gevolgd, maar lijkt er geen actief beleid om GG-dieren te ontwikkelen. In geen enkel land zijn er op dit moment al GG-dieren voor voedselproductie op de markt (1).

Farmaceutische stoffen
De genetische modificaties die worden toegepast zijn nog weinig gevarieerd. In grote landbouwhuisdieren gaat het vaak om de productie van farmaceutische stoffen, bijvoorbeeld via uitscheiding van deze stoffen in de melk. Het doel is dan om een kleine kudde goed producerende dieren te maken die aan de regionale of wereldvraag naar de stof kunnen voldoen. Voorbeelden hiervan zijn de productie van lactoferrine, lysozym, insuline, humaan groeihormoon, erythropoetine, albumin, en ook interferon-alpha, monoklonale antilichamen, fucosyltransferase, lactoperoxidase. Door gebruik te maken van GG-dieren wordt de productie van deze stoffen goedkoper en soms ook verbeterd ten opzichte van huidige productiemethoden.

Maar er zijn ook andere ontwikkelingen die meer direct gerelateerd zijn aan voedselproductie, bijvoorbeeld het verhogen van de productie door een extra groeihormoon in te brengen (de AquAdvantage® zalm) of myostatin te remmen (forel die ook in de VS in ontwikkeling is) of door de voederopname te verbeteren (expressie van cutinase in speekselklieren bij het schaap waardoor blad beter kan worden verteerd), of door het spiergehalte te verhogen in GG-koeien en schapen. Daarnaast kunnen mogelijk de nutritionele eigenschappen van dierlijke producten verbeterd worden in GG-dieren (hoog lysine melk van GG-koeien, varkens en koeien met hoge omega-3-gehaltes). Indirect kunnen ook GG-dieren met verbeterde vruchtbaarheid (GG-varkens in China) of verhoogde ziekteresistentie – ziekte-resistente kippen, mastitis-resistente koeien, BSE-resistente koeien, virusresistente varkens en  varkens die resistent zijn tegen de ‘gekkevarkensziekte’, infectieziekten in het algemeen in China – bijdragen aan een verbeterde of hogere voedselproductie.

Europese richtlijn
Hoewel er op dit moment nog geen GG-dieren richting de Europese markt gaan, bereidt Europa zich hier wel op voor. In 2012 heeft de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) een richtlijn gepubliceerd voor de beoordeling van GG-dieren en producten afkomstig van deze dieren op de veiligheid voor de consument (2). Onderdeel van deze richtlijn was tevens een beoordeling van de welzijnsaspecten van de GG-dieren. Deze richtlijn is deels gebaseerd op de meer algemene richtlijn van de Codex Alimentarius, een organisatie onder de WHO (World Health Organisation) en de FAO (Food and Agriculture Organisation) voor de beoordeling van de veiligheid van GG-dieren en afgeleide producten voor de consument (3,4). Daarnaast werkt de EFSA op dit moment aan een vergelijkbare richtlijn voor de introductie van GG-dieren in het Europese milieu.

De EFSA-richtlijn voor de beoordeling van GG-dieren richt zich op alle landbouwhuisdieren, vis, schaal- en weekdieren. Van de insecten worden alleen bijen meegenomen in de beschouwing. De richtlijn vertoont voor wat betreft de voedselveiligheidsaspecten grote overeenkomst met de vergelijkbare richtlijn voor GG-planten. Ook in het geval van GG-dieren moet een indiener de vergelijking maken tussen het GG-dier en vergelijkbare niet-GG-dieren. De gezondheid van het GG-dier is hierbij, net als bij de ‘gewone’ dierlijke productie, een belangrijke indicator voor de veiligheid van de producten afkomstig van het GG-dier. Wanneer er in de conventionele dierlijke productie gezondheidsproblemen worden gevonden bij dieren, dan zullen de producten van dit dier in het algemeen niet gebruikt mogen worden voor voedselproductie. Dit is ook het uitgangspunt bij GG-dieren. Daarnaast is een gedetailleerde moleculaire karakterisering van het ingebrachte genetische construct en de bijbehorende expressie-producten standaard-onderdeel van de risico-analyse. Wanneer er verschillen worden gevonden tussen het GG-dier en de conventionele tegenhanger(s), dan zullen deze verschillen ook beoordeeld moeten worden op de daarmee samenhangende mogelijke risico’s. Hierbij wordt ook uitdrukkelijk mogelijk verhoogde allergeniteit of veranderde voedingswaarde meegenomen.

Welzijn van dieren
In het dossier moet naast deze gegevens ook informatie worden verstrekt over gezondheid en welzijn van de GG-dieren, los van het gebruik van de dieren voor onze voedselproductie. Hierbij gaat het om het functioneren van het dier in een bepaalde omgeving en het vermogen om natuurlijk gedrag te tonen. Om het welzijn van GG-dieren goed te kunnen bepalen moet het gedrag van de dieren onder normale productieomstandigheden worden bestudeerd en beoordeeld gedurende de gehele levensduur van de dieren. Hierbij zullen ook fysiologische parameters moeten worden bepaald om mogelijke afwijkingen in de GG-dieren op die manier op te sporen en dit gedurende meerdere generaties. Om veranderingen in het welzijn van GG-dieren op te sporen zal hiervoor in alle gevallen ook een post-marketingprogramma worden opgezet. Op die manier kunnen mogelijke gedragsveranderingen onder veel meer verschillende omstandigheden, bijvoorbeeld verschillende veehouderijsystemen, worden gevolgd. Ethiek is niet meegenomen in de EFSA-richtlijn, maar naar verwachting zal dit zwaar meewegen in de Europese afweging over de wenselijkheid van deze nieuwe technologie.

Europa is hiermee voorbereid op eventuele verzoeken om GG-dieren te mogen produceren of importeren. Maar er is geen reden om aan te nemen dat de discussie in Europa minder tijd zal vergen dan in de Verenigde Staten, waar GG-planten altijd breed geaccepteerd zijn geweest. Het lijkt er dan ook op dat GG-dieren in de nabije toekomst nog geen rol zullen spelen in de Europese voedselvoorziening.

Referenties

  1. Vàzquez-Salat N. and Houdebine L.M. Transgenic Res. 2013 Feb;22(1):5-13. doi: 10.1007/s11248-012-9648-5.
  2. EFSA Panels on GMO and AHAW; 2012. Scientific Opinion on the Guidance on the risk assessment of food and feed from genetically modified animals and animal health and welfare aspects. EFSA Journal 2012;10(1):2501. [43 pp.] doi:10.2903/j.efsa.2012.2501
  3. CODEX 2008. Guideline for the Conduct of Food Safety Assessment of Foods Derived from Recombinant-DNA Animals. Codex Alimentarius (CODEX), Rome, Italy. Available at: www.codexalimentarius.net/download/standards/11023/CXG_068e.pdf.
  4. Houdebine et al. (2012). Collection of Biosafety Reviews Vol. 7 (2012): 76-93International Centre for Genetic Engineering and Biotechnology (ICGEB), Padriciano, 99, 34149 Trieste, Italy. http://www.icgeb.org/biosafety/publications/collections.html


Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 3/4 van maart/april 2013 op bladzijde 16

Reageer op dit artikel