artikel

Resultaten Voedselconsumptiepeiling 2007-2010 *

Voedingsbeleid

Resultaten Voedselconsumptiepeiling 2007-2010 *

Nederlanders eten het grootste deel van hun voeding thuis en bij de hoofdmaaltijden, vooral bij het diner. Fruit wordt tussendoor en, evenals vis, relatief vaak buitenshuis gegeten. Veranderingen in het voedselaanbod en van consumentengedrag kunnen de inname van gezonde basisvoedingsmiddelen positief beïnvloeden. Ook zou de voedingsvoorlichting zich meer op specifieke leeftijdsgroepen moeten richten.

Voor het stimuleren van een gezonder voedingspatroon is inzicht in de huidige voedingsgewoonten noodzakelijk. Hierbij is van belang wat er wordt gegeten, maar ook wanneer en waar men eet. De Voedselconsumptiepeiling 2007-2010 heeft hier gegevens over. Als belangrijkste aandachtspunten in de Nederlandse voeding kwamen de consumptie van groente, fruit, vis en de inname van energie, verzadigde vetzuren en voedingsvezel naar voren. In tekstbox 1 staan de belangrijkste resultaten hierover vermeld.

De auteurs hebben als doel inzicht te geven in de verdeling van de inname van energie, voedingsstoffen en voedingsmiddelengroepen over eetmomenten en plaatsen van consumptie, en de verschillen hierin tussen leeftijdsgroepen. Hierbij beperken zij zich tot de genoemde aandachtspunten. Ook belangrijke bronnen van energie, verzadigde vetzuren en voedingsvezel, zoals aardappelen, melk(producten) en kaas, graanproducten (onder andere rijst, deegwaren en brood), vlees(producten) en smeer- en bereidingsvetten worden daarbij beschreven.

Voedselconsumptiepeiling 2007-2010
In 2007 tot en met 2010 is een voedselconsumptiepeiling uitgevoerd bij een representatieve landelijke steekproef van 3.819 kinderen en volwassenen in de leeftijd van 7 tot en met 69 jaar (1,2). Vrouwen die zwanger waren of borstvoeding gaven en personen woonachtig in een instelling werden uitgesloten. Per deelnemer zijn door getrainde diëtisten op twee niet opeenvolgende dagen voedingsgegevens over de voorgaande dag verzameld. Voor deze gedetailleerde 24-uursnavraag is gebruik gemaakt van het computerprogramma EPIC-Soft (3). Gegevens over eetmoment en plaats van consumptie zijn daarbij ook vastgelegd. Bij kinderen tot en met 15 jaar zijn de interviews afgenomen tijdens een huisbezoek, in aanwezigheid van een ouder/verzorger. Vanaf 16 jaar zijn de interviews telefonisch afgenomen. Lengte en gewicht zijn mondeling nagevraagd.

Consumptie naar eetmoment en plaats
In de berekeningen worden vier eetmomenten onderscheiden: de drie hoofdmaaltijden (ontbijt, lunch, diner) en alle tussendoortjes samen. Plaats van consumptie is ingedeeld in thuis en buitenshuis. Voor de berekening van de inname van energie en voedingsstoffen zijn de interviewgegevens gekoppeld aan een aangevulde versie van de NEVO-tabel 2011 (4). Per persoon is de gemiddelde inname berekend van energie, voedingsstoffen en voedingsmiddelengroepen over beide navraagdagen. Vervolgens is per persoon de bijdrage van de vier eetmomenten en de plaats van consumptie aan de inname berekend. Het gemiddelde van deze individuele bijdragen is berekend voor de totale populatie en de vier leeftijdsgroepen (7-13, 14-18, 19-50 en 51-69 jaar). De analyses zijn uitgevoerd met het statistische programma SAS, versie 9.2. De resultaten zijn gewogen voor seizoen en weekdag en kleine verschillen in sociodemografische factoren ten opzichte van de Nederlandse bevolking in 2008.

Moment van consumptie
In tabel 1 is de verdeling van de inname van energie, verzadigde vetzuren en voedingsvezel over de eetmomenten weergegeven. De drie hoofdmaaltijden leverden samen bij de totale bevolking 70% van de inname van energie, en respectievelijk 74 en 78% van de inname van verzadigde vetzuren en voedingsvezel. Het diner was met een bijdrage van 36-38% de belangrijkste maaltijd. Er waren geen grote verschillen (< 5%) tussen de leeftijdsgroepen.

In afbeelding 1 is de verdeling van de consumptie van voedingsmiddelengroepen over de eetmomenten weergegeven voor de totale populatie. Het diner was de belangrijkste maaltijd voor de consumptie van ‘Aardappelen’ (95%), ‘Groente’ (89%), ‘Vlees(producten)’ (73%), ‘Vis en schaal- en schelpdieren’ (59%) en ‘Smeer- en bereidingsvetten’ (44%). ‘Fruit’ werd vooral tussendoor gegeten (55%) en ‘Graan(producten)’ vooral bij de lunch (40%). ‘Melk(producten) en kaas’ werd verdeeld over de dag geconsumeerd.

Leeftijdsverschillen
De verdeling over de eetmomenten was niet voor alle leeftijdsgroepen gelijk. De verschillen tussen de adolescenten (14-18 jarigen) en de oudere groep volwassenen (51-69 jarigen) waren het grootst. Afbeelding 2 toont de verdeling van de consumptie van voedingsmiddelengroepen over de eetmomenten voor 14-18 jarigen en 51-69 jarigen.

‘Fruit’ en ‘Vis en schaal- en schelpdieren’ werden door de kinderen en adolescenten relatief meer bij het diner en minder bij de lunch gegeten. De fruitconsumptie bij het diner bestond bij de kinderen echter voor meer dan 40% en bij adolescenten voor bijna 30% uit appelmoes. De consumptie van ‘Melk(producten) en kaas’ was bij kinderen en adolescenten relatief hoger bij het ontbijt en lager bij de lunch. Bij adolescenten was de consumptie van ‘Smeer- en bereidingsvetten’ relatief lager bij de lunch en iets hoger bij het diner en tussendoor.

Plaats van consumptie
Ruim 70% van de inname van energie, verzadigde vetzuren en voedingsvezel van de totale bevolking vond thuis plaats.

In afbeelding 3 is het percentage buitenshuisconsumptie van voedingsmiddelengroepen weergegeven voor de totale populatie en de vier leeftijdsgroepen. Alle voedingsmiddelengroepen werden voornamelijk thuis geconsumeerd. ‘Groente’ en ‘Aardappelen’ zelfs voor meer dan 80%. ‘Vis en schaal- en schelpdieren’ en ‘Fruit’ werden relatief het meest buitenshuis gegeten, respectievelijk 37 en 35%.

Leeftijdsverschillen
De buitenshuisconsumptie verschilde tussen de leeftijdsgroepen. Bij de 51-69 jarigen was de bijdrage van de thuisconsumptie aan de inname van energie, verzadigde vetzuren en voedingsvezel hoger dan bij de jongere leeftijdsgroepen (circa 80% versus circa 70%).

Bij de 19-50 jarigen was de buitenshuisconsumptie van alle voedingsmiddelengroepen het hoogst, terwijl deze voor de meeste voedingsmiddelengroepen bij de 51-69 jarigen het laagst was. De consumptie van ‘Fruit’ en ‘Vis en schaal- en schelpdieren’ verschilde het meest tussen de leeftijdsgroepen. ‘Fruit’ werd het meest door de 19-50 jarigen (45%) en het minst door de 51-69 jarigen (21%) buitenshuis gegeten. ‘Vis en schaal- en schelpdieren’ werd door de kinderen van 7-13 jaar in vergelijking met de andere leeftijdsgroepen weinig buitenshuis gebruikt (15% versus 28-40%).

Conclusies en aanbevelingen
De voeding geconsumeerd bij de hoofdmaaltijden en vooral het diner levert de belangrijkste bijdrage aan de inname van energie, verzadigde vetzuren en voedingsvezel en aan de consumptie van de meeste onderzochte voedingsmiddelengroepen. De meeste voeding wordt thuis geconsumeerd. Toch zijn tussendoortjes en de consumptie buitenshuis met een bijdrage van 30% aan de energievoorziening ook van betekenis. Fruit wordt het meest tussendoor en, evenals vis, relatief vaak buitenshuis gegeten. Er zijn verschillen tussen leeftijdsgroepen in waar en wanneer men eet.

Om de kwaliteit van de voeding te verbeteren kan de consumptie van basisvoedingsmiddelen zoals fruit, groente, aardappelen, vis, graanproducten, magere melkproducten en smeer- en bereidingsvetten met minder verzadigde vetzuren worden gestimuleerd. Zowel veranderingen in het voedselaanbod, als verandering van consumentengedrag kan hieraan een bijdrage leveren.

Inzicht in de tijd en plaats van consumptie door bevolkingsgroepen kan worden gebruikt om voedingsvoorlichting beter af te stemmen op specifieke leeftijdsgroepen en bij activiteiten rondom een gezonde werkplek en schoolvoorzieningen. Zo zou bij voedingsvoorlichting aan 19-50 jarigen de relatief hoge buitenshuisconsumptie in ogenschouw kunnen worden genomen. De groenteconsumptie kan bij alle leeftijdsgroepen mogelijk worden gestimuleerd door het gebruik bij andere eetmomenten dan alleen het diner onder de aandacht te brengen, bijvoorbeeld een tomaat bij de lunch of rauwe worteltjes tussendoor. Ook bij het stimuleren van de fruitconsumptie kan de kennis van de huidige gewoontes per leeftijdsgroep met betrekking tot de verdeling van het fruitgebruik over de eetmomenten worden gebruikt. Op deze manier kan beter maatwerk worden geleverd in de voedingsvoorlichting en in de verbetering van het productaanbod op het werk en op scholen.

Meer informatie over methode en resultaten van de voedselconsumptiepeilingen is te vinden in de uitgebreide rapportage (1) en op de website over het voedingspeilingssysteem (5). De gegevens van het voedingspeilingssysteem dragen bij aan de ontwikkeling van beleid voor gezonde voeding en veilig voedsel, productinnovatie, voorlichting en voedingsonderzoek.

Referenties

  1. van Rossum CTM, Fransen HP, Verkaik-Kloosterman J, Buurma-Rethans EJM, Ocké MC. Dutch national food consumption survey 2007-2010; diet of children and adults aged 7 to 69 years. Bilthoven: RIVM, 2011. RIVM Report 350050006/2011.
  2. Brants H, Drijvers J, Niekerk M, Ocké M, van Rossum C. Zo eten kinderen en volwassenen in Nederland; Resultaten van de Voedselconsumptiepeiling 2007-2010. Voeding NU 2011; 13(11/12):12-14.
  3. Slimani N, Ferrari P, Ocké M, et al. Standardization of the 24-hour diet recall calibration method used in the European Prospective Investigation into Cancer and Nutrition (EPIC): general concepts and preliminary results. Eur J Clin Nutr 2000;54(12):900-917.
  4. RIVM. NEVO-tabel. Nederlands Voedingsstoffenbestand 2011. Den Haag: Voedingscentrum, 2011.
  5. www.rivm.nl/vcp

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 11 van november 2013 op bladzijde 16

Reageer op dit artikel