artikel

Verminderen vleesconsumptie lijkt duurzame én levensverlengende keuze *

Voedingsbeleid

Verminderen vleesconsumptie lijkt duurzame én levensverlengende keuze *

Wat is het verband tussen duurzame voeding en de levens- verwachting van mensen? Het RIVM heeft de relatie tussen de milieudruk van de voeding en het sterfterisico beschreven in een prospectieve cohortstudie van ruim 40.000 Nederlanders. De milieudruk van de dagelijkse voeding werd geschat via de indicatoren broeikasgasemissie en landgebruik. De milieudruk bleek niet geassocieerd met sterfte. Het onderzoek liet wel zien dat het vervangen van dierlijke voor plantaardige producten zowel de milieudruk verlaagt, áls de levensduur van de mens verlengt.

De deelnemers waren bij aanvang van de studie gemiddeld 50 jaar oud en grotendeels gezond. Ze werden 16 jaar gevolgd en ziekte en sterfte werd geregistreerd. De berekende milieudruk van de dagelijkse voeding bleek niet geassocieerd te zijn met sterfte, ook niet wanneer werd uitgesplitst naar sterfte aan de belangrijkste chronische ziekten (kanker en hart- en vaatziekten). Schattingen uit een modelleringsstudie laten zien dat verminderen van de vleesconsumptie of vervangen van 35 gram vlees per dag door plantaardige producten de milieudruk verlaagt en de levensduur verlengt.

Zuivel en vlees

Klimaatveranderingen en biodiversiteitsproblemen onderstrepen het belang van een duurzamere voedselketen (1). Voedselproductie en -consumptie dragen 20-30 procent bij aan de broeikasgasemissie in Europa (2). Door zuiniger om te gaan met voedsel – minder weggooien en niet meer te eten en drinken dan nodig – kan ecologische winst worden behaald. Volgens een Franse studie resulteert een calorisch adequaat voedingspatroon in gemiddeld 2-11 procent lagere uitstoot van broeikasgassen (3). Minder goed eten weggooien bespaart ook nog eens circa 12 procent op de uitstoot.

Niet alleen minder, ook anders eten en drinken baat waarschijnlijk. Een voedingspatroon dat voldoet aan de Richtlijnen Gezonde Voeding zou een verlaging van broeikasgassenuitstoot van 8 procent betekenen ten opzichte van hoe de gemiddelde Nederlander nu eet en drinkt (4). Maar weinig Nederlanders eten volgens deze richtlijnen. De productie van voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong zoals vlees en zuivel bepalen een aanzienlijk deel van de broeikasgassenuitstoot en het landgebruik. Het eten en drinken van meer plantaardige voedingsmiddelen en minder vlees is gunstig voor het verlagen van de uitstoot van broeikasgassen (5-7). Daarnaast is een dergelijk eetpatroon geassocieerd met een lagere kans op vroege sterfte (8-9).

De genoemde studies keken steeds apart naar of broeikasgasemissie of het risico op chronische ziekten. Het doel van dit cohortonderzoek was om te onderzoeken in hoeverre beide aspecten samengaan en een duurzamer voedingspatroon ook een gezonder voedingspatroon is en een langere levensduur geeft. Daarnaast schatten de onderzoekers het effect van minder vlees eten. De volledige versie van de publicatie is te vinden op de website van Environmental Health (http://www.ehjournal.net/content/13/1/27).

Onderzoekspopulatie
Het onderzoek is uitgevoerd in het EPIC-NL cohort. Dit is een populatiestudie van het RIVM en het UMCU. De 40.011 deelnemers zijn sinds 1993-1996 tot nu gevolgd. De deelnemers waren afkomstig uit Amsterdam, Doetinchem, Maastricht en Utrecht met een leeftijd tussen de 20 en 70 jaar bij aanvang van de studie. Zij hebben vragenlijsten ingevuld over hun levensstijl en medisch verleden. Daarnaast zijn ze door getraind personeel onderzocht (o.a. op bloeddruk, lengte en gewicht) en ze hebben bloed afgestaan. Ziekten en sterfte werden geregistreerd. Het gebruikelijke voedingspatroon werd nagevraagd met een voedselfrequentievragenlijst.

Milieudruk van de voeding
Voor de meest geconsumeerde voedingsmiddelen in Nederland zijn zogenaamde levenscyclus analyses (LCA) uitgevoerd om de milieudruk per voedingsgroep te bepalen. Deze ‘van grond tot mond’ analyse bevat de geschatte invloed op het milieu van alle stappen van begin tot einde van het productieproces tot consumptie (zowel productie, verwerken, verpakken, vervoer, opslag, bereiding en afvalverwerking). Als indicatoren voor milieu-impact zijn broeikasgasemissies en landgebruik gekozen. Broeikasgasemissies omvatten de uitstoot van koolstofdioxide (CO2) via verbranding van fossiele energie, van methaan (CH4) via de veestapel en de teelt van bepaalde gewassen (zoals rijst), en lachgas (N20) dat vrijkomt bij gebruik van (kunst)mest en het ploegen van het land. Broeikasgasemissie wordt uitgedrukt in C02-equivalenten per dag. Landgebruik is de oppervlakte van het land dat nodig is voor de productie van een hoeveelheid voedsel per jaar. Landgebruik wordt uitgedrukt in m2*jaar per dag.

In tabel 1 staat een overzicht per voedingsgroep van het aandeel in grammen per dag, broeikasgasemissie en landgebruik in het EPIC-NL cohort

Hoewel vlees maar voor 3,6% bijdraagt aan het aantal grammen voedsel dat mensen per dag tot zich nemen, draagt het 31,3% bij aan de broeikasgasemissies en 34,2% aan het landgebruik. Het levert daarnaast 13,1% van de dagelijkse energie-inname en ook belangrijke voedingsstoffen zoals eiwitten, ijzer, zink en B-vitaminen. Ook de categorie drank draagt voor een substantieel deel bij aan de broeikasgasuitstoot veroorzaakt door de voeding. Gemiddeld was er in deze populatie 3,87 kg CO2-equivalenten broeikasgasemissies en 3,61 m2*jaar landgebruik per persoon nodig voor een dagvoeding.

Duurzaam is gezond?
De individuele score op milieu-indicatoren is gebruikt om mensen in vier groepen in te delen (kwartielen) per indicator. In het hoogste kwartiel van broeikasgasemissie werd door de deelnemers meer groente en fruit, meer zuivel en vlees, meer vetten, soep en alcohol geconsumeerd dan in de lagere kwartielen. Ook de dagelijkse energie-inname was hoger. Deelnemers in deze minst gunstige milieucategorie waren gemiddeld jonger, omvatten een groter aandeel mannen, rokers en mensen die meer bewegen.

De relatieve sterfterisico’s geven aan dat in de zestien jaar dat deze mensen gevolgd zijn er geen verschil is tussen de verschillende categorieën en de kans om vroeg te overlijden (zie afbeelding 1). Hierbij corrigeerden de onderzoekers voor de genoemde verschillen in leeftijd, geslacht en energie-inname. Een hogere milieudruk van het voedingspatroon is dus niet geassocieerd met een ander sterfterisico. Voor broeikasgasemissie was het relatieve risico op overlijden 1,00, met een 95% betrouwbaarheidsinterval van 0,86-1,17 voor de hoogste ten opzichte van de laagste categorie. Voor landgebruik was dit risico 1,05, met een 95% betrouwbaarheidsinterval van 0,89-1,13. Ook voor oorzaak-specifieke sterfte (kanker en hart- en vaatziekten) vonden de onderzoekers geen verband met de milieudruk van het voedingspatroon.

Vlees vervangen of verminderenGemiddeld werd er in de onderzoekspopulatie 105 gram vlees per dag gegeten. Het Voedingscentrum adviseert de consumptie van vlees tot 70 gram per dag te beperken. Deze 35 gram vermindering hebben de onderzoekers gebruikt als uitgangspunt voor een modellering. Vijfendertig gram vlees werd in een model vervangen door een gelijke hoeveelheid aardappelen, pasta-rijst-couscous, groenten, fruit-noten-zaden, op melk gebaseerde toetjes, vis of kaas. Ook werd het effect geschat van 35 gram minder vlees zonder vervanging. Daarna werden de effecten op de geselecteerde milieu-indicatoren en het relatieve sterfterisico geschat. Eigenlijk alle vervangingen resulteerden in lagere milieudruk met de kleinste verschillen voor kaas (zie tabel 2). Het vervangen van vlees door aardappelen en kaas had geen effect of het sterfterisico. De grootste gezondheidswinst lijkt haalbaar bij vervanging van vlees door vis en de groep pasta-rijst-couscous. Voor vis is het echter zeer de vraag of de gebruikte indicatoren geschikt zijn omdat bijvoorbeeld de visstand een ander duurzaam aspect is dat nu niet werd meegenomen.

Dit onderzoek komt voort uit de kennisvraag ‘gezonde en duurzame voeding’ van het ministerie van Economische Zaken en is uitgevoerd door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)

Contactpersoon: Liesbeth Temme (liesbeth.temme@rivm.nl)

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 1/2 van januari/februari 2015 op bladzijde 19

Foto's

Reageer op dit artikel