artikel

‘Met preventie naar een positieve gezondheid’ *

Voedingsbeleid

‘Met preventie naar een positieve gezondheid’ *

Wat is er nodig om de gezondheid van de Nederlanders te verbeteren door preventie, in de wijk, op school, in de zorg, op het werk? Hoe kunnen professionals in de sectoren zorg en welzijn en vertegenwoordigers van de overheid daaraan bijdragen? En wat is er nodig om preventie in de zorg- en welzijnssector te integreren? Tijdens de vierde Preventieconferentie gingen enkele honderden medewerkers uit de zorg- en welzijnssector en van de overheid hierover met elkaar in gesprek met het doel te komen tot concrete aanbevelingen voor het overheidsbeleid.

‘Deze middag is eigenlijk één groot werkoverleg’, zo opende organisator Ferry Koper de bijeenkomst die 12 november werd gehouden in de Caballero Fabriek in Den Haag. In drie blokken, waarin de conferentie was ingedeeld, zou toegewerkt moeten worden naar een aantal concrete oplossingen uit het werkveld die vervolgens werden besproken met drie Tweede Kamerleden die aan het eind van de dag acte de présence gaven. Voor meer preventie in het gezondheidsbeleid van de overheid zijn wijzigingen nodig in het huidige systeem dat vertrekt vanuit ziekte en nog te veel gericht is op behandeling, zo was regelmatig te beluisteren tijdens de bijeenkomst.

Tot concrete voorstellen voor wetgeving kwam het deze dag nog niet. Maar Tweede Kamerlid Agnes Wolbert (PvdA) deed een oproep om in een volgende conferentie wel met concrete amendementen voor de politiek te komen. Ze gaf daarbij het voorbeeld van de bijeenkomsten van de organisatie van Kleine Kernen in Nederland. Zij houden ieder jaar workshops waarna (aanwezige) politici van concrete input voor wetgeving kunnen worden voorzien.

Niettemin passeerden tijdens de conferentiemiddag veel concrete initiatieven voor meer preventie en voor een meer gezamenlijke benadering van gezondheid in de zorg- en welzijnssector de revue. Ze gaven inzicht in de mogelijkheden en de beperkingen (en eventuele opheffing hiervan) in het huidige zorgstelsel.
Op de conferentie kwam naar voren dat preventie en een focus op gezondheid (in plaats van op ziekte) zich steeds meer als een olievlek in Nederland lijkt te verspreiden, niet alleen van bovenaf, vanuit Den Haag, maar vooral ook van onderaf, lokaal. Daarbij functioneert het Nationaal Programma Preventie (NPP) Alles is Gezondheid als smeermiddel.

Positieve gezondheid
In het eerste deel van de conferentie vertelden vertegenwoordigers van drie organisaties hoe zij omgaan met meer preventie en gezondheid. De voorzitter, Guy Schulpen van proeftuin Blauwe Zorg in Limburg, hield een korte inleiding waarin hij de knelpunten benadrukte waar zorgverleners nog tegenaan lopen als ze met meer preventie aan de slag willen. De belangrijkste knelpunten zijn: schotten tussen de verschillende financieringsvormen van zorg (waardoor het vrijwel onmogelijk is gelden anders in te zetten) en schotten tussen zorgverleners/-instellingen (wat samenwerking en overheveling van zorgtaken of transitie van cure naar preventie bemoeilijkt). Ook de versnippering in de zorg werkt volgens hem niet mee om toe te werken naar een ander zorgsysteem. Hij liet zien dat er in Nederland in de zorg- en welzijnssector 2400 beroepen zijn en 1800 opleidingen met veel verschillende belangen. Maar waar draait het om? ‘Je wilt uiteindelijk de zorg die je jezelf ook toewenst’, aldus Schulpen.

De eerste lezing van onderzoeker Machteld Huber, van het Institute for Positive Health, hing inhoudelijk als een paraplu over de andere presentaties heen. In haar voordracht met de titel ‘Positieve gezondheid. Van preventie van ziekte naar veerkrachtig en betekenisvol leven!’ ging ze in op een andere denkwijze om vanuit de zorgsector naar de mens te kijken. Ze verhaalde aan de hand van haar eigen leven, met ziekten, hoe ze omging met haar idee van gezondheid en hoe dit de inspiratie werd voor haar onderzoek op grotere schaal. Ze was meer mens dan de ziekte alleen. Haar onderzoek begon met de analyse van de definitie van gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 1948: ‘A state of complete physical, mental, and social well-being and not merely the absence of disease, or infirmity.’ Een opvatting die volgens haar niet langer houdbaar was en die ze, na onderzoek en overleg met veel deskundigen, in 2011 transformeerde naar: ‘Gezondheid als het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven’. De onderbouwing hiervoor werd gepubliceerd in het tijdschrift British Medical Journal. Via ZonMW kreeg Huber de mogelijkheid om verder te onderzoeken of er voor haar definitie draagvlak zou zijn. Hiervoor deed ze achtereenvolgens een kwalitatief en kwantitatief onderzoek onder honderden patiënten, behandelaars, beleidsmakers, verzekeraars, vertegenwoordigers in de sector van publieke gezondheid en burgers. Uit het kwalitatieve onderzoek, bestaande uit circa vijftig focusgroepinterviews, kwam onder meer naar voren dat het positief is dat de mens centraal staat en niet de ziekte, zoals in de oude WHO-definitie. Hieruit werd een advies gedestilleerd: ‘Neem gezondheid niet als doel op zich, maar als middel (…), namelijk opdat iemand zijn/haar ding kan doen.’ Met andere woorden, als je ziek bent, kun je nog heel wat zaken wel doen.

Zes dimensies voor gezondheid
Het kwalitatieve onderzoek leverde maar liefst 556 indicatoren voor gezondheid op. Op basis hiervan stelde Huber zes hoofddimensies voor gezondheid vast die betrekking hebben op: lichaamsfuncties, mentale functies en -beleving, spiritueel-existentiële dimensies, kwaliteit van leven, sociaal-maatschappelijke participatie en dagelijks functioneren. Aspecten van deze dimensies toetste ze vervolgens onder 1938 respondenten, onder wie behandelaren (artsen, fysiotherapeuten, verpleegkundigen, verzorgenden), patiënten, burgers, onderzoekers, gezondheidsvoorlichters, beleidsmakers en verzekeraars. Hieruit kwam naar voren hoe deze verschillende stakeholders denken over gezondheid en de dimensies die hiervan afgeleid zijn. Het blijkt dat de verschillende groepen nogal verschillend over gezondheid denken. Op de conferentie liet ze aan de hand van diagrammen duidelijk zien dat een patiënt anders tegen gezondheid aankijkt dan bijvoorbeeld de arts of zorgverzekeraar. De zienswijzen van patiënt en verpleegkundige liggen veel dichter bij elkaar. ‘Ik pleit voor een opvatting over gezondheid in meerdere dimensies’, zegt Huber. De onderzochte zes dimensies omschrijf ik algemeen als “positieve gezondheid”. Daarbij is de essentie dat de patiënt de regie voert en bepaalt wat nodig is voor zijn positieve gezondheid. Wat vindt iemand echt belangrijk? De zorgverleners en andere actoren kunnen de patiënt daarbij helpen.’ Ze stelde intensivering van de toepassing van motivational interviewing door zorgverleners voor. ‘Het is een beproefde techniek om de behoeften van een mens te leren kennen. Medewerkers in de zorgsector en het onderwijs zouden hier training in moeten krijgen.’ Ook zouden ze hierbij een scoringsinstrument op basis van de zes gezondheidsdimensies kunnen gaan gebruiken om inzichtelijk te maken hoe de patiënt ervoor staat.

Kleinschalige aanpak
In het tweede conferentieblok benoemde Jolande Sap, voorzitter van NPHF Federatie voor Gezondheid, dat steeds meer partijen in Nederland met de transitie van ‘nazorg’ naar ‘voorzorg’ bezig zijn. ‘Gezondheid vinden de meeste mensen een groot goed en als het daar iets mis mee is, willen ze dat gauw weer terug, maar als we om ons heen kijken, dan zijn er veel zaken die ons ongezond kunnen maken’, zegt Sap. ‘Het eten is vaak te zout, te vet, bevat te veel suiker. Hoe kan het dat dit blijft bestaan als we gezondheid ons hoogste goed vinden?’ In de kern gaat het volgens haar mis omdat er te veel producten voor een te goedkope prijs zijn, waarin kosten voor gezondheidszorg en milieu niet zijn verrekend. ‘Het is ook een economische kwestie’, zegt Sap. ‘Nog steeds is in de schappen de gezonde keuze de dure keuze en de ongezonde keuze de makkelijke en goedkope. Als we het over de gezondheidszorg hebben, dan hebben we “curepaleis” als façade aan de voorkant en een “preventieplaggenhut” aan de achterkant (preventie).’

Tijdens haar sessie werden de verrichtingen van het project Vitaal Vechtdal gepresenteerd. Dit is een samenwerking van de regionale en landelijke partners (onder andere de gemeenten Ommen, Hardenberg en Coevorden, zorgverleners, zorginstellingen, ziektekostenverzekeraars Zilveren Kruis, ONVZ en het ministerie van VWS). Ze zijn gekomen tot de oprichting van een burgercoöperatie van waaruit de zogenoemde Vitaal Vechtdal Polis wordt aangeboden. Het gaat om een gratis aanvullende verzekering op basis waarvan burgers meer mogelijkheden krijgen om preventief aan hun gezondheid te werken. Zo voorziet de polis in een extra controle op juist medicijngebruik, een eenvoudig toegankelijk preventieconsult (eerst via internet) en een betere coördinatie van arbo- en huisarts.

Panel met Kamerleden
Aan het einde van de middag voegden drie Tweede Kamerleden die zorg en preventie in hun portefeuille hebben zich bij de conferentiegangers. Gezondheidseconoom Guus Schrijvers legde hun de bevindingen van de middag voor. Aan Hanke Bruins Slot (CDA) stelde hij de vraag wat ze van coöperaties in de zorg vindt, daarbij refererend aan de nieuwe aanvullende Vitaal Vechtdal Polis. ‘Ik vind het buitengewoon wat daar gebeurt’, zei Slot. ‘Zorg is van ons allemaal en het is goed als er eigenaarschap is. Als dit gaat werken, dan hebben we iets nieuws, maar in de praktijk moet in 2016 gaan blijken of dit werkt en of het eventueel te transporteren is naar de rest van Nederland.’

Op een vraag van zorgverzekeraar Zilveren Kruis uit het publiek of mensen zullen gaan kiezen voor een zorgverzekeraar die preventie aanbiedt, gaf Bruins Slot aan dat zij samen met Agnes Wolbert (PvdA) streeft naar het veranderen van het denken over ziekte en gezondheid. Ook binnen het aanbod van zorgverzekeraars moet de aandacht verschuiven naar de voorkant. ‘Er waren al 15.000 mensen die kozen voor de Vitaal Vechtdal Polis, deze mensen herkennen daarin een meerwaarde waar ze wat aan kunnen hebben’, reageerde ze. ‘Ik zou het mooi vinden als zorgverzekeraars meer van ziekte naar gezondheid en gedrag gaan, ik zie daar een belangrijke rol voor hen weggelegd.’ Wolbert vulde haar aan: ‘Zorgverzekeraars hebben wel wat ruimte voor preventie, maar vooralsnog is de hele Zorgverzekeringswet ingericht op individuele indicaties en niet op groepsgewijze preventie. We hebben het kabinet gevraagd naar de wet te kijken en met voorstellen te komen dat een groepsgewijze aanpak wettelijk wel mogelijk kan worden. We verwachten deze voorstellen in januari.’ Ook haalde ze aan dat in de wettelijke taakomschrijving van wijkverpleegkundigen is vastgelegd dat preventie onderdeel is van de zorg. Bruins Slot lichtte toe dat de moties om te komen tot een andere zorgwet een tussenstap zijn naar mogelijk een grotere verandering. Erik Ziengs (VVD) voegde nog toe dat burgers niet van zorgverzekeraar overstappen op ideële gronden: ‘Daar zijn vaak ook andere redenen voor.’

De oproep van Schrijvers om vanuit de zaal met amendementen of moties aan Kamerleden te komen, als een soort preventieparlement, leverde vooralsnog geen concrete voorstellen op.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 12 van december 2015 op bladzijde 22

Reageer op dit artikel