artikel

Food Future Event: grenzen aan productontwikkeling

Voedingsbeleid

Food Future Event: grenzen aan productontwikkeling

Het Akkoord Productverbetering heeft in diverse categorieën al voor een verlaging van het gehalte aan zout, vet en/of suiker gezorgd. Maar hoe verhouden de Nederlandse activiteiten zich ten opzichte van andere Europese landen? En is in sommige productcategorieën de grens bereikt?

De Jaarprijs Goede Voeding ging dit jaar naar de AH Courgettespaghetti, AH Bloemkoolrijst en AH Broccolirijst van Koninklijke Vezet en Albert Heijn (zie laatste alinea).  De winnaars lieten de boerenkoolburger van Sofine/Jumbo en de notenballetjes van Schouten achter zich. Het winnende product willigt vele wensen van overheid en voedingsvoorlichting in: verhoogt groenteconsumptie, gaat voedselverspilling tegen door het gebruik van de stronk en draagt niet bij (bereidingswijze door consument daargelaten) aan een hoge inname van zout, vet en suiker. Producten die hier wel aan bijdragen, kunnen deze gehaltes verlagen door mee te doen aan het Akkoord Productverbetering.

 

Letterlijk tegen grenzen aanlopen

In Nederland is het Akkoord Productverbetering een samenwerkingsverband tussen industrie, overheid, retail en horeca. Maar op de schappen liggen ook producten uit het buitenland. ‘Het is daarom belangrijk dat het buitenland, ook meedoet’, vertelt Letteke Boot, senior beleidsmedewerker bij het ministerie van VWS tijdens haar presentatie op het Food Future Event. Productverbetering was daarom een van de speerpunten tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU.

 

Begin vorig jaar organiseerde het ministerie van VWS, samen met dat van EZ, een bijeenkomst over dit thema. ‘Belangrijk was dat niet alleen gezondheidsvertegenwoordigers vanuit alle lidstaten aanwezig waren, ook de Europese Commissie was present op het gebied van interne markt, bedrijfsleven en NGO’s. Dat we moeten samenwerken is bij iedereen doorgedrongen.’ Tweeëntwintig landen, vier grote Europese sectororganisaties van levensmiddelenbedrijven en vier NGO’s hebben een Roadmap for Action gesteund. Vervolgens zijn met alle EU-lidstaten Raadsconclusies aangenomen waarin onder andere is afgesproken dat elk land eind 2017 een nationaal plan van aanpak voor productverbetering heeft. ‘Nederland heeft zo’n plan al met het Akkoord. We horen dat veel landen daar nu actief mee bezig zijn.’

 

Monitoren hele uitdaging

Landen hebben ook afgesproken ten minste elke twee jaar te rapporteren over de voortgang van productverbetering. Voor suikerreductie is een benchmark afgesproken van tien procent verlaging. ‘Om de monitoring te verbeteren en vergelijking tussen landen gemakkelijker te maken, wordt hiervoor een blauwdruk ontwikkeld. Frankrijk coördineert dit, omdat zij een goed en eenvoudig toepasbaar systeem hebben’, vertelt Boot. In een andere werkgroep worden benchmarks die lidstaten hebben op een rijtje gezet. Het is nog een hele uitdaging om die informatie vergelijkbaar te maken, maar alleen het verzamelen levert al veel inzicht op.

 

De beweging in de EU levert Nederland ook al wat op, vertelt Boot. Tijdens de Nationale Voedseltop beloofde de frisdrankenindustrie om in de periode tot 2020 nog eens vijf procent extra (bovenop de tien procent) caloriereductie te bereiken. ‘Er is meer beweging in de landen om ons heen en dat zien we ook in Nederland terug.’

 

Uit de zaal komt de vraag of calorie- of zoutreductie niet wettelijk moet worden vastgelegd. Organisaties als foodwatch vragen daarom. Boot meldt dat dit aspect in aanloop naar het Europese voorzitterschap gepeild is, maar dat er geen draagvlak is voor gezamenlijke wetgeving op Europees niveau. ‘Dat is wel de horizon waar we naar toe moeten werken. Wetgeving op nationaal niveau heeft vanwege de internationale (en interne) markt veel nadelen.’ Het zoutgehalte in brood is in sommige landen wel wettelijk geregeld. De industrie vraagt om een gelijke aanpak. ‘Anders moeten ze in 28 landen iets anders doen’, legt Boot uit. De situatie in de landen is ook erg verschillend. Ze geeft een voorbeeld. ‘In Hongarije is de overheid verantwoordelijk voor de scholen. Zij kunnen zeggen: wij betalen, dus we kunnen eisen stellen aan de maaltijden op scholen. Zo werkt dat in Nederland niet.’

 

Treurige geschiedenis van het vinkje

De treurige geschiedenis van het Vinkje kwam aan bod in de lezing van Henrieke Crielaard, manager voeding en gezondheid bij het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL). Doordat de consument het Vinkje niet begreep, is het uiteindelijk gesneuveld. De voedingsapp die het Vinkje gedeeltelijk moet vervangen, wordt nu volop getest en zal waarschijnlijk in het najaar “live” gaan. ‘Iedereen is nu druk bezig het logo van de verpakkingen te halen’, meldt Crielaard.

 

In de zaal wordt wisselend gedacht over het logo. René Groen, directeur van Peijnenburg, vindt het jammer dat het verdwenen is: ‘De eisen waren gebaseerd op wetenschappelijke inzichten en boden ons een houvast bij de productverbetering van onze producten.’ Bart Merkus, directeur van Sofine en een van de genomineerden voor de Jaarprijs Goede Voeding, vindt het prima dat het Vinkje is verdwenen. ‘Wij zijn bij Sofine niet met vinkjes bezig. Onze focus richt zich op plantaardige voeding, zoals de boerenkoolburger. Dat is lekker en gezond eten en zorgt voor een goede toekomst voor onze kinderen.’

 

Voor productontwikkelaar Wouter Schouten van Schouten Europe BV, genomineerd met zijn notenballetjes, waren de criteria van het Vinkje wel een goed streven om naar toe te werken. ‘Maar bij vleesvervangers is naast smaak, vooral bite en textuur erg belangrijk.’ Dat beaamt ook Merkus.

De discussie over een alternatief voor de verdwenen richtlijnen van het Vinkje loopt nog.

 

Het luistert nauw wat je weergeeft in het een logo, beaamt Boot. ‘Zes gram is een maximum. Je wilt niet dat de indruk wordt gewekt dat de consument per dag zes gram zout móet consumeren. Verder wil je ook voorkomen dat consumenten heel de dag aan het rekenen zijn. Sommige consumenten moeten extra opletten, maar niet allemaal.’ Sessievoorzitter Annet Roodenburg oppert dat misschien een Schijf Van Vijf-logo als alternatief op verpakkingen kan.

 

Los van het Vinkje zijn veel bedrijven aan de hand van het Akkoord hun producten aan het verbeteren. Crielaard vertelt hoe dat proces in elkaar zit voor bijvoorbeeld suikerreductie in de categorie zuivel. ‘We kijken op welk nutriënt, of nutriënten, we willen inzetten en welke variaties er in vergelijkbare producten zitten. We kijken wat het gemiddelde is en wat het maximumgehalte zou moeten zijn als we het gemiddelde met een bepaald percentage willen laten dalen. Daar stellen we een aantal scenario’s voor op. Met deze gehaltes gaan bedrijven terug naar hun R&D-afdeling om te vragen of deze scenario’s haalbaar zijn. Daarna stellen we vast welke reductie mogelijk is en waar we op in zullen zetten. Sommige bedrijven moeten wel dertig procent suiker uit hun producten halen. Soms zijn dit kleine mkb-bedrijven die de kennis missen voor herformulering. We willen ook niet dat door een te scherpe vereiste reductie een heel schap aan de kant wordt geschoven.’

 

Crielaard geeft wel aan dat de eisen die het CBL stelt, ook gelden voor buitenlandse bedrijven die huismerken maken. Over buitenlandse merkproducten heeft de retail geen zeggenschap. ‘Die kunnen we als retail niet weigeren, omdat we anders in de problemen komen met de Autoriteit Consument en Markt (ACM).’ Ze geeft aan dat het samenwerkingsverband nu bezig is met verlaging van de in het Akkoord gestelde nutriënten in frisdranken, zuivel, vleesconserven en vleesbereidingen. ‘Dit jaar komen ook diepvriesproducten, pizza’s, ontbijtgranen, hartige broodjes, smeerkaas en groenteconserven aan bod.’ Annet Roodenburg vraagt of deze manier van het bereiken van reductie wel de juiste weg is. ‘Ja, een gezamenlijk aanpak werkt, omdat consumenten een breed aanbod krijgen van producten met minder zout en verzadigd vet. Daardoor wennen zij aan een andere smaak. Het gaat misschien wat minder snel dan we willen, maar het is een brede beweging.’

 

Crielaard merkt ook op dat bedrijven er nu een stapje bovenop doen na een eerste reductie. ‘Bij zuivel bijvoorbeeld. Na een eerste stap wordt gezegd: we kunnen nog wel een grotere vermindering bereiken.’ Waar de sector wel tegenaan loopt is dat ze niet kunnen communiceren. ‘Vanwege de Claimsverordening mogen we dat pas vanaf een verlaging van twintig tot dertig procent. Terwijl we soms ook bij kleinere reducties aan de consument uit willen leggen dat het product verbeterd is en misschien iets anders smaakt.’ Nog een vraag vanuit de zaal: hoe kiezen jullie een categorie die aan de beurt is? ‘Dat is een combinatie van de zaken. We kijken naar producten die veel gegeten worden en waarvoor nog flinke stappen mogelijk zijn. Soms zijn er ook nog wensen van de Tweede Kamer.’

 

Geen vezelclaim

René Groen, directeur van Peijnenburg, memoreert nog aan ‘de goede oude tijd’ van Sonja Bakker, waarin een plakje ontbijtkoek werd gezien als een gezond tussendoortje. Het bedrijf merkte vooral in Nederland een toegenomen aandacht voor minder suiker.

 

Ze zochten uit of het een blijvertje of een hype was en of het een grote of niche markt zou zijn. Uit het onderzoek bleek het zowel een blijvertje als een grote markt te zijn. Dit resulteerde in de ontwikkeling van Peijnenburg Zero. De reguliere variant werd ook aangepakt. Om een Vinkje te krijgen (ook in die goede oude tijd) zou het gehalte toegevoegde suikers per portie van veertig naar twintig gram moeten gaan. Dat is ook nu nog een te grote stap. Het streven is de komende jaren hier naar toe te groeien.

 

Het bedrijf probeert ook de ingrediëntendeclaratie zo transparant mogelijk te houden ten opzichte van zijn concurrenten en gaat nadrukkelijk de discussie aan met het publiek via bloggers. Daarnaast heeft Peijnenburg ervoor gekozen om claims als ‘bron van vezels’,  die wettelijk zijn toegestaan, in de toekomst niet meer te plaatsen op de voorzijde van de verpakking. Daarop komen alleen de kcal per portie te staan. ’We willen niet iets suggereren dat tot een discussie kan leiden, bijvoorbeeld over de aard van de gebruikte vezel.’ Peijnenburg Zero is tot nu toe een groot succes gebleken. ’Ondanks dat Zero duurder is dan de reguliere variant, verkoopt de koek zonder toegevoegde suikers toch goed. Het wordt bijna ons nieuwe normaal.’

 

Grens aan zoutreductie

Richard van der Kruijk, Algemeen Secretaris van de Vereniging voor de Nederlandse Vleeswarenindustrie (VNV), geeft aan dat eten voor de consument bijna een last is geworden. ‘Je moet eten wat je niet wilt, drinken wat je niet lust en bewegen terwijl je er geen zin in hebt.’ Van der Kruijk wijst op het feit dat de vleeswarensector, na brood, de tweede was die een convenant afsloot. Hij geeft aan dat de bedrijven eerst gekeken hebben of de marktvraag er wel was en vervolgens naar de normen. ‘We hebben vervolgens bij de retail aangegeven dat we die normen ook wel terug willen zien in de tenders.’

 

De vleeswarensector heeft onderzocht hoe de spreiding in zout aangepakt kan worden, met voedselveiligheid als absolute voorwaarde. ‘De druk kwam te liggen bij bedrijven bovenaan de spreiding.’ In twee jaar tijd heeft de vleeswarenindustrie een vermindering van 21 procent zout en 9 procent verzadigd vet weten te bereiken. Van der Kruijk benadrukt dat uitdagingen op het gebied van zoutreductie prima zijn, maar aan de zorg voor een voedselveilig product is niet te tornen.

 

De secretaris van de VNV benoemt daarbij dat er geen causaal verband is tussen herformulering en bijvoorbeeld listeria, maar dat hij wel ziet dat er steeds meer recalls vanwege listeria zijn. ‘We moeten daarom niet te lichtzinnig omspringen met herformuleren.’

 

 

Mag het rijst heten?

‘Nu moeten jullie niet allemaal naar de supermarkt rennen om bloemkoolrijst te kopen. Anders hebben we een tekort aan stronken’, zegt Menno Bron van Koninklijke Vezet met een knipoog. De winnaar van de Jaarprijs Goede Voeding geeft aan dat het houdbaar houden zonder toevoegingen de grootste uitdaging bij de ontwikkeling van de producten was.

 

Daarnaast was ook de vraag, zeker vanuit Albert Heijn, hoe de producten onder de aandacht van consumenten gebracht konden worden. De vraag vanuit de zaal of er nog veel discussie was of de term bloemkoolrijst misleidend was, werd bevestigd. ’We noemen het bewust bloemkool als alternatief voor rijst. We willen de groenteconsumptie van de consument verhogen. Door dicht bij het originele product te blijven, hadden we een goed “haakje” voor de communicatie. We hebben uitgezocht of de term gebruikt mag worden.’

 

 

 

Een aantal mensen uit de zaal gaf aan dat ze de nieuwe producten van Vezet al hadden geprobeerd, maar nog wel behoefte hadden aan recepten. Daar gaat AH meer aandacht aan besteden. Ook komt er in het voorjaar een nieuwe variant bij.

Foto's

Reageer op dit artikel