artikel

Welke kant gaat het op met de voedingswetenschap?

Voedingsbeleid

Welke kant gaat het op met de voedingswetenschap?

Net als in andere takken van wetenschap wordt in de voedingswetenschap gezocht naar antwoorden op fundamentele vragen. Voldoen bestaande onderzoeksmodellen of methoden nog wel? Is de wetenschap nog geloofwaardig (te maken) voor het publiek?
Het werd besproken tijdens de NAV-bijeenkomst over Nutrition in Transition.

En net als andere wetenschappen, bevindt ook de voedingswetenschap zich in een transitiefase. Dat constateerde een aantal voedingswetenschappers enkele jaren geleden al toen ze de werkgroep Nutrition in Transition oprichtten. Behalve voedingswetenschappers zijn filosofen, sociologen en artsen aan deze werkgroep verbonden, allen op persoonlijke titel.

Sinds 2015 komen ze regelmatig bij elkaar vanuit de kernvraag hoe de voedingswetenschap meer capable en credible gemaakt kan worden. Dit voorjaar waren de leden van de Nutrition in Transition-werkgroep te gast op een bijeenkomst van de Nederlandse Academie van Voedingswetenschappen in het Forumgebouw in Wageningen. Enkele vertegenwoordigers deden verslag van de verrichtingen tot dusverre en gingen aan de hand van de uitkomsten van een eerder gehouden workshop met de aanwezige NAV-leden in discussie.

Voedingsadviseur Jan de Vries lichtte in een notendop toe met welke problemen het voedingsonderzoek momenteel te maken heeft. Enerzijds is het de vraag hoe de geloofwaardigheid van de voedingswetenschap geborgd kan worden (credibility). De maatschappij verandert, mensen zijn kritischer en het geluid dat ‘(voedings)wetenschap ook maar een mening is’, wordt vaker gehoord. Terwijl de voedingsonderzoekers hard en gedegen werken, heeft het publiek er zijn eigen kijk op. Ook is het de vraag of de bestaande onderzoeksdesigns aan vervanging of verbetering toe zijn (capability).

Het klassieke farmacologische denkmodel, dat veelal in de medische wetenschap wordt gebruikt, en ook daar bediscussieerd wordt, is niet langer een-op-een van toepassing op de voedingswetenschap. In de afgelopen vijftig jaar hebben onderzoeken volgens dit model gezorgd voor veel vooruitgang in het verbeteren van gezondheid door aanpassingen in de voeding. De nu voorliggende vraagstukken laten zich echter minder gemakkelijk beantwoorden middels deze – reductionistische – manier van werken. Dat betekent niet dat oude werkwijzen overboord moeten, maar het is tijd om na te denken over een andere aanpak die ernaast gebruikt kan worden en hoe die er dan uit moet gaan zien. ‘Het gaat er in de voedingswetenschap bovendien niet om mensen te genezen, maar om ervoor te zorgen dat ze gezond blijven’, zegt De Vries. ‘We hebben tot nu toe veel geleerd in de voedingswetenschap, maar er is een grens aan de huidige methoden. We komen er steeds meer achter dat we multifactorieel naar problemen rond gezondheid moeten kijken, bijvoorbeeld naar die bij ouder worden. Sir Bradford Hill gaf in 1965 al zijn visie op het begrip causaliteit. In het licht van de huidige stand van de voedingswetenschappen en de maatschappelijke ontwikkelingen zullen we hier opnieuw naar moeten kijken.’

Omarm de patiënt of consument

Professor Gerjan Navis, die als internist/nefroloog verbonden is aan het Universitair Medisch Centrum Groningen en zich als de dokter in de transition-werkgroep profileert, ging op beide vragen in. In de discussie over nutrition in transition ziet ze parallellen met de discussies die in de geneeskunde al wat langer gevoerd worden en nu in voedingswetenschap volop spelen. ‘Ook artsen worden gedrukt in het farmacologische model’, lichtte Navis toe. ‘Wij worden geacht de complexe werkelijkheid vanuit een reductionistische denkwijze op te lossen. Maar ook in de geneeskunde lopen we, na een periode van snelle vooruitgang, nu tegen de beperkingen aan.’ Modellen die werken in een wetenschappelijke, en dus gecontroleerde, setting, hebben doorgaans beperkingen in real life, waar de omstandigheden veel meer variabel zijn. Ze lichtte toe dat het van belang is ‘om in gesprek te blijven met de mensen voor wie je het allemaal doet, voor wie je de oplossing bedenkt.’ Dat is een manier om de veelheid aan perspectieven in de werkelijkheid een plaats te geven. ‘Practice based evidence is het nieuwe weten’, stelt ze voor, voor iedereen die te maken heeft met problemen die in de praktijk moeten worden opgelost.

Ook bepleitte ze daarbij de stem van de patiënt of consument te omarmen als het om de oplossing van problemen gaat. In dit opzicht noemde ze het feit dat tegenwoordig iedereen over voeding meepraat een blessing in disguise. ‘Omarm het als aanvullend perspectief’, zegt Navis. ‘Ik heb liever dat een patiënt met mij meedenkt dan dat ik alles voor moet zeggen. We zijn het vaak niet gewend om naar de mening van de niet-professional te luisteren, maar het kan wel helpen uit de ivoren toren te komen.’

Daar staat haar verbazing tegenover als het gaat om alle roeptoeterij over voeding, waarin de onzin vaak sneller geloofd wordt dan de kennis van de hardwerkende voedingswetenschappers. ‘We doen ons best om de wereld – op een onderbouwde manier – een beetje gezonder te maken, maar in de buitenwereld roept iedereen maar wat. Daar is onderbouwing blijkbaar geen issue, als het verhaal maar verkoopt. Daar moeten we toch iets tegenover kunnen stellen!’

NAV-er, professor Frans Kok, vroeg zich af hoe practice based evidence het beste tot stand kan komen. ‘Het kan bijvoorbeeld met praktijkonderzoek in de vorm van een kwaliteitscyclus’, lichtte Navis verder toe. En ze gaf het voorbeeld van zoutbeperking bij nierpatiënten. ‘Als we er vanuit de medische praktijk, met diëtiste of arts, niet in slagen het zoutgehalte lager te krijgen dan 6 gram per dag, of niet lager dan het is in de algemene bevolking, dan moeten er andere (gedrags)interventies worden bedacht. De clou is dat je systematisch evalueert wat wel en niet werkt. Worden de doelen bereikt? Dan gaan we zo door. Niet? Dan proberen we het anders (of intensiever), enozvoorts. En dit op geaggregeerd niveau. Dergelijke kwaliteitscycli zijn bewezen effectief als middel tot zorgverbetering. Het zou enorm interessant zijn om dit ook voor voedingsinterventies uit te gaan werken. Het verschil met evidence based werken is dat je bij practice based methoden niet precies weet wat de oorzaak is van de effectiviteit, zodat je geen uitspraken kunt doen over de causaliteit. Het gaat om pragmatische trials, maar hiervoor gelden onverminderd de eisen van statistische significantie en reproduceerbaarheid.’

Mismatch tussen wetenschapper en leek

Professor Jogchem Plat van de Universiteit Maastricht, NAV-er en lid van de Transition-werkgroep, memoreerde dat de aanwezigen ronduit trots zouden mogen zijn op wat er is bereikt in de voedingswetenschap, maar hij merkte tevens op dat ‘er ondanks het succes veel ruis op de lijn zit’. In de afgelopen vijftig jaar heeft de heersende vorm van onderzoekstraditie (het bovengenoemde farmacologisch georiënteerde stofjesdenken) gezorgd voor veel vooruitgang in het verbeteren van gezondheid via aanpassingen in de voeding. Zoals gezegd, zijn de huidige kwesties minder gemakkelijk te beantwoorden met de traditionele onderzoeksmethoden en zou een andere aanpak uitkomst kunnen bieden.

Ook Plat bracht als voorbeeld naar voren dat practice based evidence en veldonderzoek prominentere plekken moet krijgen in het voedingsonderzoek. ‘Er zijn veel onderzoeksdesigns mogelijk die een bestaansrecht naast elkaar hebben, alle vormen ze een stukje van de puzzel.’ Daarnaast is er is volgens hem een mismatch tussen voedingswetenschap en de verwachting van de bevolking. ‘Voeding is een exacte wetenschap en er gaat veel tijd overheen voordat we opgedane kennis in de praktijk kunnen brengen. De consument wil snel een oplossing die, volgens onderzoek dat ze in de media hebben gezien, voorhanden lijkt. Wij moeten de kennis echter eerst kunnen repliceren en onderbouwen voor we ermee de praktijk in kunnen. Ondertussen hebben we te maken met een mondige populatie waarvan iedereen “ervaringsdeskundig” is en die sceptisch is ten aanzien van wetenschap in algemene zin. We moeten elkaar, meer dan we nu doen, zien te vinden als we geloofwaardig willen blijven.’

Edith Feskens, professor aan de Wageningen Universiteit, tevens voorzitter van de Nutrition in Transition-werkgroep haalde aan dat het imago en vertrouwen van de voedingswetenschap net zo onderhevig is aan kritiek als andere takken van wetenschap. ‘We kunnen naar de media blijven wijzen, maar het is belangrijk dat we er zelf wat aan doen. Nutrition is niet doomed. Ook zij pleitte voor meer samenwerking, die al begint bij de samenstelling van de onderzoeksagenda. ‘We moeten niet méér van hetzelfde gaan doen’, aldus Feskens. ‘Ook zouden nieuwsgierigheid en excellentie de basis moeten vormen voor de beloning van onderzoek. De vraag is wat er nodig is om dat te bereiken.’

Tweerichtingsverkeer

Voedingsconsultant Theo Ockhuizen die eveneens de uitkomsten van een eerder gehouden workshop toelichtte, benadrukte het belang van een tweezijdige communicatie voor meer geloofwaardigheid. Veel informatie is volgens hem zendergestuurd, vanuit de wetenschapper, zonder dat daarin de ontvangers goed gekend zijn. ‘In het maatschappelijke debat heeft de wetenschap de mogelijkheid om zijn waarde te laten kennen’, zegt hij. ‘Het gaat erom dat er meer interactie komt tussen de wetenschapper en de maatschappij. Wetenschappers moeten in de media niet zomaar alles naar buiten brengen om daarmee te scoren bij bijvoorbeeld de subsidiegevers. Helaas hangt kennis binnen de voedingswetenschap vaak af van veel factoren en stofjes, het is niet zo eenduidig als in de natuurkunde. We moeten duidelijk kunnen maken dat veranderingen vaak het gevolg zijn van voortschrijdend inzicht. Daarbij moeten we ook durven aangeven wat we niet weten. Een goed verwachtingsmanagement is van belang. En niet te veel beloven.’

Het idee werd geopperd om NAV-wetenschappers met het publiek per regio te laten praten op bijeenkomsten. Vanuit de zaal werd gesuggereerd te gaan werken met ambassadeurs. ‘Het imago van de voedingswetenschappen is geërodeerd, zeventig jaar voedingsvoorlichting heeft de overgewichtsepidemie niet kunnen voorkomen, we moeten daar wel aan werken.’

Reageer op dit artikel