artikel

De veiligheid van E-nummers *

Voedingscommunicatie

De veiligheid van E-nummers *

Op steeds meer verpakkingen staat tegenwoordig ‘bevat geen synthetische geur- of smaakstoffen’. Maar verschillen natuurlijke en synthetische stoffen qua veiligheid en effect aantoonbaar van elkaar? De angst van veel consumenten, die E-nummers maar eng lijken te vinden, wordt door producenten bevestigd door ‘natuurlijk’ te labellen of door E-nummers niet bij nummer maar bij de naam in de ingrediëntendeclaratie te noemen. Is de angst over de veiligheid van E-nummers terecht?

Additieven worden als hulpstoffen in voedingsmiddelen toegevoegd om bepaalde eigenschappen, zoals uiterlijk, kwaliteit en houdbaarheid te verbeteren of te behouden. Voorbeelden zijn kleurstoffen, smaakstoffen en conserveermiddelen. Additieven worden pas toegelaten als ze geen aanwijsbaar gezondheidsrisico opleveren. Na toelating als additief in de Europese Unie krijgen ze een E-nummer.

Voedseladditieven worden in de Warenwet gedefinieerd als alle stoffen met of zonder voedingswaarde die op zichzelf niet als voedsel worden gebruikt. Om technische redenen worden ze bij het vervaardigen, verwerken, enz. van eet- of drinkwaren opzettelijk toegevoegd met als gevolg dat de stoffen zelf een direct of indirect bestanddeel van de eet- of drinkwaren worden. Er gelden nogal wat randvoorwaarden voor het verkrijgen van de  status van voedseladditief, inclusief  een E-nummer. Additieven krijgen alleen maar een E-nummer:

  • indien er voldoende technische noodzaak voor het gebruik is aangetoond en het nagestreefde doel niet met andere economisch en technisch bruikbare methoden kan worden bereikt;
  • indien deze bij de voorgestelde hoeveelheden geen enkel gevaar voor de gezondheid en de consument opleveren, voor zover dit op basis van de beschikbare wetenschappelijke gegevens kan worden beoordeeld;
  • indien het gebruik ervan de consument niet misleidt.


In tabel 1 staan er een aantal voorbeelden van.

De ADI
Een ingrediëntenleverancier kan niet zomaar een stof als additief op de markt brengen. Als er een nieuwe stof is die mogelijk in aanmerking komt voor een E-nummer, dan moet eerst de ADI (aanvaardbare dagelijkse inname) worden vastgesteld. Dit is de gemiddelde hoeveelheid van een stof die dagelijks ingenomen kan worden zonder dat er waarneembare gezondheidsrisico’s zijn. De ADI wordt weergegeven in mg per kg lichaamsgewicht. Een ADI van 40 mg/kg (aspartaam E951) betekent dus dat iemand van 70 kg: 70 x 40 mg = 2.8 gram per dag binnen mag krijgen.

De ADI wordt meestal vastgesteld op basis van dierproeven. Hierin worden verschillende doses van de stof toegediend om vervolgens de dosis te bepalen waarbij er geen waarneembare negatieve effecten optreden. Deze dosis wordt de NOAEL (No-observed adverse effect level) genoemd. De ADI wordt vervolgens afgeleid van de NOAEL door deze te delen door een veiligheidsfactor. Voor de extrapolatie van dier naar mens bedraagt deze meestal een factor 100. Dus de hoeveelheid die je gemiddeld binnen mag krijgen is dus meestal 100 keer lager dan de NOAEL. Ook kan de ADI worden weergegeven als ‘not specified’ of ‘onbeperkt’. Dit betekent dat er in de hele range aan toegediende doses bij de dieren geen waarneembare gevolgen zijn opgetreden en dat er evenmin bij mensen nadelige gevolgen zijn te verwachten. Met andere woorden: er is geen maximum voor de inname van deze stof. Voorbeelden hiervan zijn de kleurstof chlorofyl (E140) en de smaakstof natriumglutamaat (E621). Het maximum voor gebruik wordt dan beperkt door het recept.

De meeste stoffen hebben wel een numerieke ADI. Dit betekent dus dat er bij een bepaalde concentratie (boven de NOAEL) een effect moet hebben plaatsgevonden. Deze effecten kunnen allerlei zaken zijn, zoals darmstoornissen, veranderde opname van voedingsstoffen, enz. Er zijn populaire publicaties in omloop die mensen waarschuwen om vooral bepaalde E-nummers niet te nemen, omdat deze schadelijk voor je gezondheid zouden zijn. Ze waarschuwen de consument dus voor effecten die bij hogere doses plaatsvinden dan de NOAEL, welke de dosis is waarbij er wel een effect op de proefdieren is gevonden. De schrijvers van die boekjes gaan hier voorbij aan de betekenissen van de ADI en de NOAEL.

Van ADI naar E-nummer
In de Europese Unie moeten nieuwe additieven worden geautoriseerd door de EFSA (Europese Voedselveiligheids Autoriteit). Goedkeuring van een additief moet volgens de wet:

  • vergezeld gaan van de vermelding van de levensmiddelen waaraan deze additieven mogen worden toegevoegd en de voorwaarden voor toevoegingen ervan;
  • beperkt worden tot de kleinste hoeveelheid die nodig is om het gewenste effect te bereiken;
  • geschieden met inachtneming van de ADI en de waarschijnlijke dagelijkse opname van het additief uit alle voedselbronnen.


Kortom, als er een risico bestaat dat er bij een normaal voedingspatroon overschrijdingen kunnen zijn van de ADI, dan wordt er geen E-nummer toegekend. Een alternatief is om het aantal soorten producten waarin het additief mag worden gebruikt, te beperken. Pas als een stof aan al deze voorwaarden voldoet, kan het een E-nummer krijgen. Het veiligheidsdossier moet door de ingediëntenfabrikant worden aangeleverd. (zie kader). Dit dossier wordt door onafhankelijke medewerkers van de EFSA beoordeeld.

Voortschrijdend inzicht
Behalve het vaststellen van nieuwe E-nummers, verzorgt de EFSA ook evaluaties van studies die nieuw licht (lijken) te werpen op eerdere veiligheidsevaluaties. Het kan zijn dat bij voortschrijdend inzicht blijkt dat stoffen toch nog onverwachte effecten hebben of dat ze niet meer aan nieuwere (strengere) toxicologsiche normen voldoen. Zo staan aspartaam en azo-kleurstoffen regelmatig ter discussie.

Aspartaam
Aspartaam (E951) is al ongeveer dertig jaar op de markt. Het is een intensieve zoetstof die, in combinatie met andere zoetstoffen, vaak in lightproducten wordt toegepast. Er zijn honderden veiligheidsstudies mee uitgevoerd. De consensus is dan ook dat aspartaam veilig is bij normaal gebruik. De afgelopen drie jaar zijn er twee Italiaanse onderzoeken gepubliceerd die consumptie van aspartaam in verband zouden brengen met de ontwikkeling van verschillende soorten tumoren (1,2). Het bijzondere aan deze studies is dat ratten gedurende hun gehele leven aan normale hoeveelheden aspartaam zijn blootgesteld. Er is gewacht tot de dieren een natuurlijke dood stierven en vervolgens is er verschil waargenomen in tumorgroei tussen de onderzoeksgroepen. Beide studies hebben veel stof doen opwaaien. De eerste studie is inmiddels door de EFSA uitgebreid bekeken (3). Er is vastgesteld dat de dieren die in het onderzoek zijn gebruikt al bepaalde ziekten hadden die los stonden van aspartaamgebruik. Ook de diagnose van de tumoren en de relevantie van de tumoren voor de mens werden in twijfel getrokken. De EFSA zag dan ook geen reden om haar visie op aspartaam te wijzigen. Dit voorjaar verwacht de EFSA een nieuwe Opinie uit te geven over de meest recente studie van dezelfde groep over aspartaam.

Azo-kleurstoffen
Vanaf dit jaar moet er op producten waarin synthetische azokleurstoffen zitten, zoals felgekleurde snoep en limonades, een waarschuwing komen te staan die luidt: “Dit product bevat azokleurstoffen. Kan hyperactiviteit en concentratiestoornissen bij kinderen veroorzaken”. De Britse Food Standards Agency (FSA) heeft producenten opgeroepen om, op vrijwillige basis, azokleurstoffen uit producten te halen. Aanleiding voor deze acties is onder meer een onderzoek van McCann (4). Volgens dit onderzoek veroorzaken de azokleurstoffen (in combinatie met het conserveermiddel natriumbenzoaat) hyperactiviteit bij kinderen. Ondanks dat de Europese Voedselveiligheids Autoriteit (EFSA(5)) het, na het bestuderen van de studie, niet eens was met de stelligheid van de conclusies van de onderzoekers, heeft het Europees Parlement toch besloten dat er, uit voorzorg, een waarschuwing op de verpakkingen moet komen te staan.

Natuurlijk of synthetisch
Ondank de uitgebreide evaluaties van de veiligheid, bestaat er bij de consument toch wantrouwen ten opzichte van E-nummers en dan voornamelijk synthetische toevoegingen in de voeding. Bij het vaststellen van een E-nummer wordt er geen rekening gehouden met de oorsprong van het additief, dus of het chemisch is gemaakt of dat het uit een natuurlijke bron wordt geïsoleerd. (Dit betekent trouwens ook dat een vegetariër niet aan een E-nummer kan zien of het al dan niet van dierlijke oorsprong is). Voor het vaststellen van de veiligheid van additieven is het niet echt relevant of een stof al dan niet een natuurlijke oorsprong heeft: als je naar de grondstoffen kijkt, dan zijn de natuurlijke stoffen even zuiver als synthetische stoffen. Een 99-100 procent zuivere stof van ‘natuurlijke oorsprong’ heeft namelijk nog maar weinig relatie tot de stof die van oorsprong in een natuurlijke matrix zat.

Toch zie je tegenwoordig op steeds meer verpakkingen ‘bevat geen synthetische geur- of smaakstoffen’ staan. ‘Natuurlijk’ etiketteren is in. Sommige productontwikkelaars gaan hierin erg ver. Zo wordt het aminozuur glycine, dat als broodverbeteraar (E640) voornamelijk als synthetisch aminozuur wordt toegevoegd, tegenwoordig weer veel meer uit huiden en botten van slachtdieren geïsoleerd, om het eindproduct als natuurlijk te kunnen etiketteren. Ten overvloede: qua veiligheid en effect verschillen de natuurlijke en synthetische stoffen niet aantoonbaar van elkaar.

Conclusie
Veel consumenten lijken E-nummers maar eng te vinden. Deze angst wordt door producenten nog eens bevestigd door ‘natuurlijk’ te labellen of door E-nummers niet bij nummer maar bij de naam in de ingrediëntendeclaratie te noemen (dit heet ‘clean label’). Dit mag van de Warenwet, maar de consument wordt hierbij wel een beetje op het verkeerde been gezet. De angst over de veiligheid van E-nummers is onterecht. Additieven zijn de best onderzochte stoffen die in onze voeding worden gestopt en worden alleen maar toegelaten als er een uitgebreid veiligheidsdossier van bestaat. Door de vervreemding van de consument met zijn eigen voeding(ssamenstelling), heeft hij een onterecht beeld bij de veiligheid van additieven. Bovendien is ‘natuurlijk’ een loos marketingbegrip geworden. Natuurlijke grondstoffen zien er exact hetzelfde uit als synthetische grondstoffen: vaak zijn het 99-100 procent zuivere stoffen, die je in de natuur in die vorm nooit zal tegenkomen.

 

1.         Soffritti M, Belpoggi F,  Esposti DD, Lambertini L, Tibaldi E, and Rigano A. First experimental demonstration of the multipotential carcinogenic effects of aspartame administered in the feed to Sprague-Dawley rats. Environ Health Perspect 2006;114: 379-385.
2.         Soffritti M, Belpoggi F, Tibaldi E, Esposti D D, and Lauriola M. Life-span exposure to low doses of aspartame beginning during prenatal life increases cancer effects in rats. Environ Health Perspect 2007;115:1293-1297.
3.         EFSA (2008) Assessment of the results of the study by McCann et al. on the effect of some colours and sodium benzoate on children’s behavior. In The EFSA Journal, Parma 2007;Vol. 660:1-54.
4.         McCann D, Barrett A, Cooper A, Crumpler D, Dalen L, Grimshaw K, Kitchin E, Lok K, Porteous L, Prince E, Sonuga-Barke E, Warner J O, and Stevenson J. Food additives and hyperactive behaviour in 3-year-old and 8/9-year-old children in the community: a randomised, double-blinded, placebo-controlled trial. Lancet 2007;370:1560-1567.5.         EFSA Opinion of the Scientific Panel on Food Additives, Flavourings, Processing Aids and Materials in contact with Food (AFC) on a request from the Commission related to a new long-term carcinogenicity study on aspartame.
The EFSA Journal, Parma 2006;356:1-43.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 1/2 van januari/februari 2009 op bladzijde 14

Reageer op dit artikel