artikel

NVD , DCN, BGN en Weight Watchers over voedingsvoorlichting *

Voedingscommunicatie

NVD , DCN, BGN en Weight Watchers over voedingsvoorlichting *

Hoe kijken vier prominente organisaties op voedingsgebied aan tegen de kwaliteit van de Voedingsinformatie waarover de consument in Nederland kan beschikken? En wat is hun rol daarbij? Voeding Nu peilde de mening van vertegenwoordigers van de Nederlandse Vereniging van Diëtisten, de Diëtistencoöperatie Nederland, de Beroepsvereniging Gewichtsconsulenten Nederland en Weight Watchers.

De Nederlandse Vereniging van Diëtisten (NVD) bestaat sinds 1941 en is een belangenorganisatie voor diëtisten in Nederland. Tot nu toe richt de organisatie zich nagenoeg niet op een breed publiek, maar op de circa 3.000 leden die in de meeste gevallen met individuele cliënten werken. ‘We denken er wel eens aan om ons als organisatie meer op de consument te richten, maar dat is tot nu toe nog niet aan de orde’, zegt NVD-directeur Anja Evers. ‘De kracht van de diëtist zit in het op maat behandelen van de patiënt, daar zijn we goed in. Al zouden we dat naar de buitenwereld nog wel wat beter moeten uitwerken, bijvoorbeeld door de inzet van verschillende media.’

Als het gaat om de algemeen verspreide voedingsinformatie, dan kan Evers zich goed voorstellen dat de consument soms door de bomen het bos niet meer ziet. ‘Ik ben daarom blij dat er een Voedingscentrum is dat heldere standpunten inneemt over bepaalde onderwerpen. Wat je nu ziet is dat iedere gek die wat over voeding roept in de media aandacht kan krijgen, daar moet een betrouwbaar tegenwicht tegenover staan. Hierom vind ik het ook jammer dat de verschillende productschappen, die ook aan informatieverspreiding doen, zijn afgeschaft.’

Evers ziet in dat andere informatiebronnen vaak goede bedoelingen hebben, zoals bedrijven die bijvoorbeeld via een foundation voedingsinformatie verspreiden, maar ze geeft als advies dat je zulke bronnen goed op hun merites moet beoordelen. ‘Iedereen heeft een belang. Voor een bedrijf is de uiteindelijke doelstelling toch om winst te maken.’ Maar hoe denkt ze dan over de samenwerking van non-profitorganisaties met het bedrijfsleven, denkend aan de stennis rond de suikercampagne van de Vlaamse diëtistenvereniging die gefinancierd werd door Coca-Cola? ‘We zouden nooit ons NVD-logo aan een campagne over suiker verbinden als die is gefinancierd door bijvoorbeeld Coca-Cola’, is ze stellig. ‘Het gaat ook om het beeld dat je voor de ontvanger schetst. Het past niet bij onze rol die we hebben als onafhankelijke zorgverleners. Waarmee ik niet zeg dat het verkeerd is om eens een glaasje cola te drinken. Melk zou een voorbeeld zijn van een product waar wij steviger achter kunnen staan, omdat het in een gezond voedingspatroon past. Voor cola ligt dat lastiger.’

Evers concludeert dat het voor consumenten ingewikkeld blijft om de juiste, gezonde keuze te maken, door al het aanbod van producten en informatie erover. Daarbij komt dat ook het aantal loketten waar je hulp over voeding kunt krijgen, zoals bij zorgcoaches of voedingswinkels, als paddenstoelen uit de grond schiet. ‘Voeding en gezondheid vormen een gat in de markt. Het is niet altijd duidelijk waar een coach voor staat, wij staan voor een gezonde voeding’, aldus Evers.

Diëtisten Coöperatie Nederland
Collega-diëtist Willy Gilbert-Peek, voorzitter van de Diëtisten Coöperatie Nederland (DCN), die zo’n 200 leden vertegenwoordigt, richt zich met haar organisatie sinds de oprichting in 1991 nadrukkelijk ook op de consument. Dit doet zij onder andere door de uitgave van voorlichtingsmaterialen, waaronder het DCN Voedingsdagboek en informatie via de website. In deze tijd moeten er meer media ingezet worden om de doelgroep te bereiken, is haar mening. Daarom zijn we actief op facebook en twitter en gaan we een app ontwikkelen. Ze spreekt daarbij meteen haar zorg uit over ‘de wildgroei aan voedingsinformatie’ die er voor de consument is. ‘Er zijn veel onbetrouwbare sites waardoor het lastig is om te bepalen wat nu wel en niet klopt.’ Dat soms ondeskundige voedingsinformatie wordt verspreid, wijt ze niet alleen aan de zenders van de informatie. ‘De voedingswetenschap is nog jong’, legt ze uit. ‘Er is nog veel te ontdekken en inzichten veranderen. Dit maakt het er voor de informatie aan de consument niet eenduidiger op.’

Ook de verschillen van mening tussen voedingswetenschappers zouden volgens Gilbert-Peek eerst ‘binnenskamers’ opgelost moeten worden, alvorens er in populaire tv-programma’s of andere massamedia in discussie over wordt gegaan. ‘De consument moet kunnen varen op betrouwbare bronnen, dan denk ik aan het Voedingscentrum of patiëntenverenigingen.’ Maar ook voor ons zelf zie ik een belangrijke rol. De diëtist kan wetenschappelijke literatuur interpreteren en is als geen ander in staat om uit de grote hoeveelheid voedingsinformatie datgene te halen wat voor de persoon tegenover haar relevant is. Onze ‘corebusiness’ is natuurlijk het aanpassen van de voeding bij medische problemen. Maar wij zijn ook professionals als het gaat om een advies over gezonde voeding of bij overgewicht. Bij gezondheidsbevordering is kennis alleen niet voldoende. Communicatie- en coachingsvaardigheden zijn essentieel en vormen een belangrijk onderdeel van de hbo-opleiding tot diëtist. Dit willen we voor het voetlicht brengen. Iedereen die op zoek is naar een goed advies over voeding in relatie tot gezondheid of ziekte kan bij de diëtist terecht.’

Beroepsvereniging Gewichtsconsulenten Nederland
De BGN is sinds de oprichting in 2005 snel gegroeid tot ongeveer 1.100 leden. Net als de diëtistenverenigingen richt BGN zich op belangenbehartiging. Tot nu toe richt BGN zich alleen op zorgprofessionals om de mogelijkheden van de gewichtsconsulent onder de aandacht te brengen,
zoals fysiotherapeuten en huisartsen. Volgens BGN-voorzitter Marianne Kramer gaat de organisatie zich in 2014 nadrukkelijker rechtstreeks tot de consument richten. ‘Veel mensen, meer dan vijftig procent in Nederland, kampen met overgewicht, het is onze kerntaak daar wat aan te doen’, zegt Kramer. ‘Je hoort in de media nog steeds dat eigen verantwoordelijkheid een oplossing zou zijn, maar dat werkt dus niet. Wij vormen de nuldelijn, laagdrempelig kunnen mensen bij ons terecht.’

Ook Kramer constateert dat er te veel voedingsinformatie is waardoor de consument door de bomen het bos niet meer kan zien. ‘Wat is goed? Wat klopt? Ga er maar aan staan. Het Voedingscentrum geeft goede informatie, maar dat is natuurlijk iets anders als het bewerkstelligen van gedragsverandering. Onze toegevoegde waarde in de strijd tegen overgewicht is dat we een-op-een of in groepsverband met mensen aan de slag kunnen. Uiteindelijk gaat het erom dat we chronische ziekten zo veel mogelijk weten te voorkomen. Onze kracht is dat we met praktische adviezen ons concentreren op mensen met overgewicht. Dat kunnen we ook eenduidig naar onze cliënten duidelijk maken. Daarmee verschillen we wel van een diëtist die veel terreinen tegelijk kan bestrijken.’

Weight Watchers Benelux
Sinds de oprichting van Weight Watchers (WW) in 1963 in New York volgen in 30 verschillende landen mensen met overgewicht het plan van Weight Watchers, dat in de loop der jaren steeds is aangepast aan nieuwe wetenschappelijke inzichten. Werd de WW-aanpak in de beginjaren alleen gekenmerkt door afvallen in groepsverband, tegenwoordig worden steeds vaker verschillende communicatiemiddelen als instrument ingezet voor de gestelde doelen (afvallen en leefstijlverandering), zoals print, internet, social media en een app. Ook zijn er veel speciale voedingsproducten die op het programma zijn afgestemd in de supermarkt of via internet te verkrijgen. Directeur Jeanine Lemmens van Weight Watchers Benelux geeft aan dat haar organisatie zich in de afgelopen jaren steeds nadrukkelijker op de zorgsector is gaan richten. In Engeland werkt Weight Watchers al jaren succesvol samen met de NHS (National Health Service), waarbij mensen met overgewicht worden doorverwezen naar het Weight Watchers-programma. Ook in Nederland vinden momenteel twee proefprojecten plaats met huisartsen, waarbij doorverwijzingen plaatsvinden. En binnenkort zullen de resultaten van een pilotstudie in het Diakonessenhuis verschijnen, waarin de resultaten staan die zijn opgedaan met het verwijzen van obese hartpatiënten naar Weight Watchers. Het WW-programma bleek bij twee derde van de deelnemende patiënten gunstige effecten op het gewicht te hebben. In het AMC-Amsterdam zijn inmiddels twee vervolgstudies met hartpatiënten begonnen.

‘We zien dat overgewicht in de loop der jaren verschoven is van een esthetisch probleem naar een gezondheidsprobleem’, constateert Lemmens. ‘Overgewicht draagt sterk bij aan het ontstaan van chronische ziekten, wat weer sterk samenhangt met de leefstijl van mensen. Hierdoor zijn wij ons sinds een paar jaar uitdrukkelijker op dit terrein gaan bewegen. Ons programma is goed onderbouwd en dat is wat wij naar buiten toe willen communiceren. In eerste instantie gebeurt dat op dit terrein naar zorgprofessionals.’

Hoewel er volgens Lemmens veel schort aan de aanpak van een ongezonde leefstijl en het terugdringen van overgewicht (het gaat langzaam, red.) is ze meer te spreken over het niveau van de voedingsvoorlichting in Nederland. ‘Er is veel informatie, maar er is wel goede kwaliteit te vinden. Op een site als die van het Voedingscentrum vind je degelijke informatie. Ook zijn er veel boeken van deskundigen die betrouwbaar zijn. Het niveau in Nederland ligt nog wat hoger dan in België. Maar met informatie alleen verander je de leefstijl van mensen niet of kun je ze niet beschermen tegen de overvloed aan eten die er is. Daarbij komt dat je te maken hebt met verschillende lagen in de bevolking, voor de upper class zal het begrip van een gezonde voeding makkelijker toepasbaar zijn dan voor mensen met een lagere sociaal economische status. Als Weight Watchers zetten we een stap verder dan informatieverspreiding alleen. We vertalen de kennis in een strategie die voor verschillende doelgroepen toepasbaar is.’

Tot slot merkt ze op dat ‘iedere gek’ zich in principe tot leefstijlcoach kan uitroepen. ‘Eigenlijk zou daar een soort keurmerk voor moeten zijn, maar voor dat ontwikkeld is, ben je zo tien jaar verder en daarvoor zijn de problemen te nijpend.’

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 5/6 van mei/juni 2013 op bladzijde 8

Reageer op dit artikel