artikel

Ontwikkelingen in de visvetzurendiscussie *

Voedingscommunicatie

Ontwikkelingen in de visvetzurendiscussie *

Nederlanders eten lang geen twee keer per week vis, terwijl bewezen is dat visvetzuren belangrijk zijn voor het normale functioneren van hart, gezichtsvermogen en hersenen. De aanbeveling staat echter op gespannen voet met berichten over overbevissing en uitputting van oceanen. Daarom is het belangrijk te zoeken naar alternatieve bronnen van visvetzuren in de voeding, zoals algen, krill, insecten en verrijkte producten.

De huidige visconsumptie van de volwassen Nederlandse bevolking ligt op circa 70 gram per week (Voedselconsumptiepeiling 2007-2010). Dit komt overeen met eenmaal in de twee weken vis. Uit gegevens van het Nederlands Visbureau blijkt dat een gemiddeld huishouden een keer in de tweeënhalve week vis koopt en jongeren onder de 35 jaar een keer per maand. Volgens het Nederlands Visbureau at in 2010 een gezin gemiddeld 7,9 kilo vis. Acht jaar eerder was dat 5,7 kilo. Er zijn veel mensen die helemaal geen vis eten. Dat haalt het gemiddelde omlaag.

Advies van twee naar één keer?
De Richtlijnen Goede Voeding (2006) bevelen aan twee keer per week vis te eten,  waarvan een keer vette vis, om het risico op hart- en vaatziekten te verlagen. Volgens de Richtlijnen moet de beschermende werking van visgebruik waarschijnlijk worden toegeschreven aan de langeketen-omega-3-vetzuren in vis. Of dit daadwerkelijk het geval is, is niet met zekerheid te zeggen. Daarom is de aanbeveling voor vis en niet voor visvetzuren. De relatie tussen omega-3-vetzuren uit planten, alfa-linoleenzuur, en het risico op hart- en vaatziekten is minder duidelijk dan bij vis.

Op basis van bevindingen uit diverse onderzoeken schatten onderzoekers dat één tot twee porties vis per week (ongeveer 250 mg visolievetzuren) het risico op coronaire hartdood verlaagt met 36 procent. De Gezondheidsraad is nu bezig de richtlijnen van de visaanbeveling te evalueren. De raad lijkt zich dan ook vooral te richten op de vraag of één keer per week (vette) vis (250 mg visvetzuren per week) voldoende is voor de preventie van hart- en vaatziekten of dat twee keer aanbevolen moet blijven worden (450 mg)(1).

Visvetzurenclaims goedgekeurd
Er zijn sterke aanwijzingen dat de inneming van voorgevormd EPA/DHA, zoals aanwezig in vette vis, extra bescherming geeft tegen hart- en vaatziekten. Op grond van de huidige wetenschappelijke onderbouwing heeft de EFSA vier claims als onderbouwd beoordeeld:

  • EPA en DHA dragen bij aan het in stand houden van een de normale werking van het hart.
  • DHA en EPA dragen bij aan het behoud van een normale bloeddruk en aan het behoud van normale triglyceride concentraties in het bloed.
  • DHA draagt bij aan de instandhouding van een normaal gezichtsvermogen.
  • DHA draagt bij aan de instandhouding van de normale hersenfunctie.


Aan visvetzuren worden nog veel meer positieve effecten toegeschreven. Zo zouden ze de kans op dementie, depressie, diabetes en gedragsstoornissen, zoals ADHD, verminderen. Voor al deze effecten geldt dat meer onderzoek nodig is. Hier zijn dus geen claims op goedgekeurd. Ook is niet helemaal zeker of het alleen de visvetzuren zijn die voor deze positieve effecten zorgen. Vis is bijvoorbeeld ook een bron van selenium, kalium en vitamine D. Een recent overzichtsartikel geeft aan dat dat er geen bewijs is dat visconsumptie het risico op diabetes 2 en diverse types kanker verlaagt (2).

Overbevissing en uitputting
De Gezondheidsraad heeft in 2011 (1) de richtlijnen tegen het licht gehouden vanuit ecologisch perspectief. De visstand wordt immers ernstig bedreigd. Vis komt vooral nog uit de oceanen, meren en rivieren, in tegenstelling tot het meeste voedsel dat hoofdzakelijk uit de landbouw afkomstig is – een soort kunstmatig ecosysteem. Hierdoor geldt specifiek voor vis het probleem van biodiversiteitsverlies in oceanen en de afnemende vangsten over de afgelopen twintig jaar in combinatie met een verschuiving in de vangst van carnivore vissen naar herbivore vissen, die zich lager in de voedselketen bevinden. Volgens de FAO zijn de afgelopen zestig jaar de gebieden waarin wordt gevist sterk uitgebreid. Naar schatting wordt wereldwijd 50 procent van de visvoorraden volledig bevist en is 30 procent overbevist of uitgeput. Tussen 1950 en 2005 zijn de populaties van vis en andere diersoorten in zeeën en oceanen met een kwart afgenomen (3).
De ecologische belasting van visconsumptie  hangt af van het soort vis (plant- of vleesetend, plaats in voedselketen), de oorsprong (locatie, wild of kweek) en de vangstmethode. Ook de bijvangst verschilt sterk per vangstmethode. Het Wereld Natuur Fonds en de Stichting Noordzee hebben met de VISwijzer een methode ontwikkeld om dit te rangschikken.

Alternatieve bronnen voor visvetzuren
De Gezondheidsraad geeft aan dat met het oog op de afnemende visstand zowel alternatieve bronnen van visvetzuren – de omega-3-vetzuren uit vis – als alternatieven voor deze vetzuren in theorie van groot belang kunnen zijn. Beide alternatieven kennen echter hun beperkingen.  Visvetzuren komen niet alleen in vis voor, maar ook in bepaalde vleessoorten, garnalen en krill. De hoeveelheid omega-3-vetzuren in vlees is klein. Wel is de hoeveelheid in het vlees deels afhankelijk van het soort voer: vlees van met gras gevoerde runderen bevat wat meer omega-3-vetzuren dan vlees van runderen die granen te eten krijgen. Recente onderzoeken laten zien dat met het toevoegen van lijnzaad in het voer het gehalte omega-3, waaronder DHA, flink omhoog gebracht kan worden.
Daarnaast is op grond van het visolievetzurengehalte in garnalen en krill te verwachten dat zij vergelijkbare effecten hebben als de omega-3-vetzuren in vis. Aan dit alternatief kleeft echter het bezwaar dat ook de uitgebreide vangst van garnalen en krill een ongunstig effect heeft op de biodiversiteit in zeeën en oceanen, aldus de Gezondheidsraad. Krill-olie is recent toegelaten als novel food. Ten slotte bevatten bepaalde planten een kortere vorm van omega-3-vetzuren, alfa-linoleenzuur. Voor alfa-linoleenzuur is echter het effect op hart- en vaatziekten in epidemiologisch en interventie-onderzoek minder overtuigend dan het effect van visolievetzuren (1).
Binnen het beleidsondersteunende project ‘Nieuwe marktgerichte duurzame eiwitconcepten’  is door Wageningen Universiteit begin 2013 een literatuuronderzoek uitgevoerd naar gezonde visalternatieven. De onderzoekers Van der Sluis en Vereijken concluderen dat er enkele potentiële alternatieven met perspectief in de toekomst zijn. Dit betreft bepaalde soorten algen, transgene oliegewassen en insecten. Het onderzoek naar deze bronnen is in volle gang. Micro-algen en transgene oliegewassen zijn in eerste instantie niet zozeer bedoeld voor humane consumptie maar als bron voor de extractie van olie. De geëxtraheerde olie kan dan als additief worden toegepast in diverse voedingsmiddelen. Die geëxtraheerde olie of de micro-algen en transgene oliegewassen als zodanig zijn in te zetten in diervoeder, dat op die manier verrijkte melk, eieren, kweekvis of verrijkt vlees kan opleveren. Insecten zijn zowel bedoeld voor humane voeding als diervoeder (4). Het verhogen van omega-3-vetzuren in vlees en melk via ALA-rijke bronnen zoals lijnzaad, zou mogelijk ook de vorming van transvetzuren, met name vacceenzuur, stimuleren, wat minder gewenst is.

Op beperkte schaal is omega-3 uit algen in capsulevorm verkrijgbaar via import. Het verdient volgens Wageningen Universiteit aanbeveling het Nederlandse algenonderzoek verder te stimuleren en dan in het bijzonder onderzoek naar het gebruik van algen als veevoer en voer voor (kweek)vis, of als bron van de productie van een omega-3 rijke algenolie. Hierdoor kan Nederland een belangrijke positie verwerven in deze snelgroeiende tak van industrie. Ook is het mogelijk dat insecten (met name insecten die worden gevoed met algen) een bijdrage kunnen gaan leveren aan de humane omega-3-vetzuurvoorziening, via hun gebruik voor veevoeder of rechtstreeks als de consumptie van insecten in de toekomst zou gaan toenemen. Onderzoek is nodig om de beperkte kennis over de omega-3-vetzuursamenstelling van insecten uit te breiden, en de insecten met de hoogste gehalten en beste consumptiekansen te selecteren (4).

Niet te veel vis en visolie
Visolie kan verontreinigingen bevatten, maar hiervoor gelden wettelijke limieten. Door milieuverontreiniging kunnen er schadelijke stoffen voorkomen in vis, dat kwam onder andere in de belangstelling door het promotieonderzoek van Isabelle Sioen van Universiteit Gent (5). Het gaat vooral om zware metalen, dioxines, PCB’s en toxafeen, een bestrijdingsmiddel dat onder meer in de katoenteelt wordt gebruikt. Roofvissen hebben de meeste last van vervuiling. Ook in kweekvis kunnen schadelijke stoffen voorkomen. Dat geldt als deze worden gevoerd met vismeel en visolie. De voordelen van omega-3-vetzuren wegen, ook bij zogende en zwangere vrouwen, op tegen de risico’s van resten methylkwik (6).  Kweekvis uit Nederland, ook kweekpaling, voldoet aan de normen. In de loop van de tijd is de vervuiling van de zeeën afgenomen. Maar om niet te veel schadelijke stoffen binnen te krijgen, is het belangrijk te variëren met vis. Daarbij geldt het volgende advies: eet met het oog op dioxines niet meer dan 4 porties vette vis per week (maximaal 600 gram). Voor vrouwen die zwanger zijn of zwanger willen worden of borstvoeding geven geldt: maximaal 2 porties vette vis per week (zie tabel 1) (7).

Hogere doseringen (meerdere grammen per dag) visolie kunnen de bloedstolling vertragen. Dit kan een probleem opleveren voor mensen die bloedverdunners gebruiken. Bij gebruik van hogere doseringen (als supplement) is het daarom verstandig dit met de (huis)arts te bespreken. Bovendien zijn er twijfels of supplementen wel effectief zijn tegen het voorkomen van hart- en vaatziekten (3).

Referenties
1. Gezondheidsraad (2011). Richtlijnen goede voeding ecologisch belicht. Den Haag, Gezondheidsraad: 92.
2. Weichselbaum, E., S. Coe, et al. (2013). “Fish
in the diet: A review.” Nutrition Bulletin 38(2): 128-177.
3. FAO (2012). The State of World Fisheries and Aquaculture. Rome, FAO Fisheries and Aquaculture Department.

4. van der Sluis, A. and J. Verei
jken (2013). Gezonde visalternatieven, literatuurstudie binnen het beleidsondersteunende project “Nieuwe marktgerichte duurzame eiwitconcepten” Wageningen, Wageningen UR Food & Biobased Research. Rapport nr 1383.
5. Sioen, I. (2007). The nutritional-toxicological conflict related to seafood consumption. Faculty of Medicine and Health Sciences. Gent, Universiteit Gent. : 233.
6. FAO/WHO (2010). Joint FAO/WHO expert consultation on the risks and benefits of fish consumption,  Rome, FAO Fisheries and Aquaculture Department.
7. SACN (2004). Advice on fish consumption: benefits & risks, Londen, Scientific Advisory Committee on Nutrition (SACN) & Committee on Toxicity (COT): 204.


Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 7/8 van juli/augustus 2013 op bladzijde 8

Reageer op dit artikel