artikel

Voedingsspecialist Boudewijn Breedveld verlaat Voedingscentrum *

Voedingscommunicatie

Voedingsspecialist Boudewijn Breedveld verlaat Voedingscentrum *

‘Eerlijk over eten’. Wie kent hem niet? De slogan van het Voedingscentrum. Voor Boudewijn Breedveld (64), adjunctdirecteur en manager kennis en kwaliteit van de voorlichtingsorganisatie, was het in de afgelopen tien jaar “zijn hoofdtaak” het adagium waar te maken. Eind maart nam hij afscheid met een symposium en werd zijn pensioen ingeluid, na zo’n dertig jaar actief te zijn geweest in de voedingsvoorlichting.

Boudewijn Breedveld begon in 1987 aan zijn carrière in de voedingsvoorlichting. Bij het toenmalige Voorlichtingsbureau voor de Voeding (Vovo) werd hij hoofd van de afdeling voedingsvoorlichting voor consumenten, het kader (voedingsprofessionals als diëtisten en medici) en het onderwijs. Als wetenschappelijk secretaris van de Voedingsraad – nu de beraadsgroep Voeding van de Gezondheidsraad – had hij daarvoor de eerste serie Richtlijnen Goede Voeding mee vormgegeven en was hij betrokken bij tal van voedingsadviezen, zoals die rond vitamines, mineralen, keukenzout, laag-energetische voedingen, sportvoeding en voedselveiligheid. ‘Ik vond het niet zo’n aantrekkelijk vooruitzicht dat ik mijn eigen adviezen nog een keer zou moeten gaan overdoen, bij de herziening’, vertelt Breedveld. ‘Mijn werk in verschillende voedingscommissies van de Voedingsraad was vooral wetenschappelijk, waarmee ik natuurlijk een mooie basiskennis had opgebouwd, maar ik wilde er op dat moment graag de praktijk mee in.’

Internet en ontlezing
Met de eerste Richtlijnen Goede Voeding in zijn vezels kwam hij binnen bij het Vovo dat in de toenmalige maatschappij nog vooral zijn werk deed met foldertjes, voorlichtingsbijeenkomsten voor consumenten en professionals en telefonische hulpdiensten. ‘Om onze voedingsboodschap over te brengen, zijn we continu meegegaan in de tijd’, verhaalt Breedveld. ‘Je moet innoveren om zo de doelgroep het beste te bereiken.’ Dat dit goed kan lukken, illustreert hij aan de hand van de brochure die wordt gemaakt voor ouders van pasgeboren baby’s. ‘Al sinds de jaren zestig worden hierover foldertjes verspreid via het kader in consultatiebureaus en nu zijn ze er ook als download. Sinds het begin is de oplage vrijwel gelijk aan het aantal baby’s in Nederland. We hebben het niet precies onderzocht, maar mensen die onze voedingsinformatie voor pasgeborenen nodig hebben, krijgen of vinden deze als het moment daar is, dat is altijd zo geweest.’

Inmiddels is internet het medium waarlangs het Voedingscentrum de consument en de professional in de voeding het vaakst bereikt. In 2013 kreeg www.voedingscentrum.nl 7,8 miljoen unieke bezoekers, een verdubbeling ten opzichte van 2012 en een verdriedubbeling ten opzichte van 2010. Breedveld: ‘Wij hebben in 1998, toen het Vovo opging in het Voedingscentrum al een keuze gemaakt voor internet. Dat werd toen nog gezien als een digitaal verkeersnetwerk, een digitale snelweg, waarmee je in een stad of dorp kwam, het huis van de voeding, met de eetkamer, de keuken, de bibliotheek, enz. Je kunt je voorstellen wat je daar voor informatie vond. De site was opgezet zoals iedereen dat toen deed. We zijn nu met de vierde versie van onze site bezig en vijftien jaar aan het innoveren. En er komen nog tal van andere digitale zaken bij, zoals Twitter en Facebook, waarmee sommigen van ons actief zijn. De verspreiding van ons schriftelijke materiaal stond op een lager pitje, maar we hebben het in de loop der jaren wel actueel gehouden en recent een upgrade gegeven. Het is sterk doelgroepgericht en biedt meer diepgang dan de site, met name als het om betaalde informatie gaat. Het wordt goed afgenomen, al zien we de laatste jaren wel een lichte daling, wat vooral te wijten is aan de ontlezing.’

Professionals en consumenten
Bij het formele begin van het Voedingscentrum in 2000 heeft de organisatie ervoor gekozen zich vooral op consumenten te richten. De naamsbekendheid was laag, 20 procent, maar door verschillende publiekscampagnes steeg deze naar 65 procent. ‘In 2010 besloot de overheid dat tv-campagnes niet meer gefinancierd zouden worden. Dat gold niet alleen voor voeding, maar ook voor zaken als roken, alcohol en drugs’, weet Breedveld. ‘We zijn toen gaan zoeken naar andere wegen om een zo groot mogelijk bereik te hebben. We hebben niet de illusie dat we met een organisatie van vijftig medewerkers heel Nederland kunnen bedienen. Zo hebben we ons medianetwerk sterk uitgebreid en gezocht naar multipliers, organisaties die ook onze boodschap kunnen doorgeven. Ook zijn we ons vanaf die tijd weer nadrukkelijker gaan richten op de voedingsprofessionals, waarvoor we inmiddels weer een apart onderdeel op de website hebben staan. Vooruitlopend op de nieuwe Richtlijnen Goede Voeding bezochten we ook alle regionale bijeenkomsten van diëtisten om goed voorbereid te zijn.’

Een gouden greep noemt Breedveld het verspreiden van factsheets, zowel via de website voor professionals als via vakmedia, waaronder Voeding Nu. ‘We hebben een tijdje geworsteld met de vraag hoe we de onderbouwing van de voedingsadviezen het beste zouden kunnen aanbieden. We beschikken voor intern gebruik over brondocumenten waarmee we onze standpunten onderbouwen, maar het is niet aantrekkelijk om deze zonder toelichting naar buiten te brengen. We vatten deze kennis nu samen in factsheets en sluiten daarmee aan op de terechte roep om transparantie. Ook kunnen we hiermee inspelen op de actualiteit. Mocht de consensus over een onderwerp veranderen, dan kunnen we de informatie in de factsheets eenvoudig aanpassen.’

Als het om de consument gaat, dan constateert Breedveld dat deze in de loop der jaren individueler is geworden, terwijl de voorlichting bevolkingsbreed gevoerd moet worden. ‘We hebben in de afgelopen tien jaar gezocht naar mogelijkheden om hierbij aan te sluiten’, zegt Breedveld. ‘We hadden hoge verwachtingen van adviezen op maat. We zijn daarom betrokken geweest bij verschillende onderzoeken hiernaar. Toch blijken adviezen op maat in de praktijk te veel te vragen van de mensen. En als je te veel vooraf gaat structureren, dan haken ze ook af. We hebben sinds kort Mijn Eetdagboek ontwikkeld en dat lijkt wel aan te slaan. Op onze site kunnen mensen op hun eigen account hun voeding bijhouden, daar hebben we inmiddels 6,2 miljoen bezoeken gehad in 2013.’

Schijf van Vijf
Hoewel de bezoekerscijfers van het Voedingscentrum groeien is er ook kritiek op de organisatie, met name de Schijf van Vijf moet het zo nu en dan ontgelden. Zo bazuint de auteur Chris Verburgh in zijn populaire boek de Voedselzandloper voort dat de Schijf van Vijf achterhaald is. ‘Ik heb nog geen onderzoeken gezien die vertellen dat een zandloper een beter voorlichtingsinstrument is dan de Schijf van Vijf’, pareert Breedveld. ‘Van een voorlichtingsmodel mag je niet verwachten dat je er de voeding mee verandert. Het plaatje houdt de samenleving scherp. Daar stopt het. De Schijf is voor ons vooral een kapstok voor het totale verhaal, waaronder de aanbevolen hoeveelheden als voorbeeldvoeding, de driedeling van producten in: bij voorkeur, middenweg en bij uitzondering. Deze indeling is destijds in de plaats gekomen voor een systeem van voedsel dat was ‘verboden’ en ‘toegestaan’, want dat had te veel het opgeheven vingertje in zich. Het systeem dat onder de driedeling ligt, de Richtlijnen Voedselkeuze, is onderzocht en effectief gebleken. De systematiek van indelen is inmiddels ook overgenomen door het Vinkje waarmee de indelingscriteria zijn geharmoniseerd. Het blijkt een effectief systeem en heeft plaats in de algemene voorlichting, het vertelt dat je wit- (bij uitzondering), bruin- (middenweg) of volkoren brood (bij voorkeur) kunt eten, zonder dat je ingewikkelde getallen nodig hebt en het is niet dwingend.’

Breedveld verwacht niet dat de Schijf van Vijf het veld zal ruimen. ‘Met 90 procent naamsbekendheid moet je dat niet weg doen. Ik kan me wel voorstellen dat we de Schijf gaan innoveren en er beter mee gaan inspelen op het tijdsgewricht als de nieuwe Richtlijnen Goede Voeding afkomen.’

Successen
Hoewel nog lang niet alle Nederlanders volgens de Richtlijnen Goede Voeding eten, weet Breedveld wel een paar successen te noemen die mede door toedoen van de voedingsvoorlichting tot stand zijn gekomen, zoals het terugdringen van het transvet en verzadigd vet in de voeding, van respectievelijk 1,7 naar < 1 procent en 18 naar 13 procent. ‘Dit is door een gecoördineerde actie van overheid en bedrijfsleven tot stand gekomen. Bij zout gaan we dezelfde kant op. Zout was in de jaren tachtig al een issue, maar het wordt pas nu serieus opgepakt door de sector. Inmiddels is ook de technologie verbeterd, waardoor er niet producenten niet meer kunnen roepen dat een verdere reductie niet meer kan. En als de bakkers collectief tot afspraken kunnen komen, waarom zouden alle soepboeren dat dan ook niet kunnen.’

Breedveld denkt dat de push- en pull-strategie die het Voedingscentrum in 2003 heeft opgepakt nog wel even stand zal houden. ‘Aan de ene kant stimuleren we bedrijven het aanbod door innovatie gezonder te maken en aan de andere kant stimuleren we de consument de gezondere keuze te maken, goed informeren waardoor ze beter kiezen, dat is de weg die we nog wel even zullen volgen. Dat kan zonder wetgeving, behalve als sectoren echt niet zouden willen. Ook fluor in tandpasta is zonder wet voor elkaar gekomen en vitamine A en D in smeervet regelen we nu via een convenant. Kaas vindt hij een mooi voorbeeld van de vooruitgang in de productontwikkeling. ‘We hebben dat van de Schijf van Vijf gehaald omdat er destijds, op wat zeemleren kazen na, geen alternatief was voor volvette kaas, maar nu is er veel meer keuze.’ 

Gedragsverandering
Volgens Breedveld zijn er twee zaken van belang als het om voedingsvoorlichting gaat: informatie verstrekken aan de consument en beïnvloeden van gedrag. ‘De overheid heeft hiervoor grofweg twee instrumenten: bescherming van de gezondheid en gezondheidsbevordering. In een aantal opzichten kunnen we hieraan via de voeding en de voorlichting hierover redelijk eenvoudig bijdragen, zoals door jodium aan broodzout toe te voegen. Maar bij complexere zaken, zoals de preventie en aanpak van overgewicht, is een groter verband nodig. Daarbij moeten alle maatschappelijke organisaties die er iets mee te maken hebben, betrokken worden, zoals nu in het Convenant Gezond Gewicht gebeurt. Voor complexere zaken, zeker gaat als het om gedragsverandering, kun je de verantwoordelijkheid niet bij één partij neerleggen.’

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 3/4 van maart/april 2014 op bladzijde 13

Reageer op dit artikel