artikel

25 jaar Diëtisten Coöperatie Nederland

Voedingscommunicatie

25 jaar Diëtisten Coöperatie Nederland

De Diëtisten Coöperatie Nederland (DCN) bestaat 25 jaar. In iedere uitgave van jaargang 2016 van Voeding Nu zal een portret van een DCN-diëtist verschijnen. Willy Gilbert-Peek, sinds 2003 voorzitter van DCN, doet de aftrap.

Ze gaat in op haar begintijd als diëtist in het Gemeenteziekenhuis in Dordrecht, haar bestaan als vrijgevestigd diëtist, haar docentschap en de oprichting en ontwikkeling van DCN.

‘Waarom ik diëtist wilde worden? Dat is eigenlijk niet zo spannend’, begint Willy Gilbert-Peek (62). Eerst dacht ze na de middelbare meisjesschool (MMS) een taal te gaan studeren, maar het onderwijs trok haar niet zo. Toen haar moeder haar wees op een artikel in Libelle over het diëtistenvak, liep ze ook niet meteen warm: ‘Je weet hoe dat gaat tussen moeders en dochters op die leeftijd, maar ik heb het uiteindelijk toch gelezen.’ En zo kwam ze via de diëtisten- opleiding in Den Haag in 1974 in haar eerste baan terecht. Inmiddels is ze 41 jaar als diëtist actief en ze vierde in december vo- rig jaar haar 40ste jaar in het onderwijs. Toch voor de klas gekomen? ‘Zo ging dat in die tijd’, vertelt ze. ‘Toen ik op mijn 21ste ging werken in het ziekenhuis mocht – moest – ik naast mijn werk als diëtist meteen les gaan geven aan verpleegkundigen. De diëtisten gaven er voedings- en dieetleer, de artsen pathologie. Het waren destijds allemaal in service-opleidingen die later zijn overgenomen door de ROC’s.’

Verschuiving naar hotelmatige zorg

Een belangrijke taak van de diëtist was in die tijd de controle op de juiste samenstelling van de maaltijden die via de lopende band in de centrale keuken werden geportioneerd. Van de circa 500 maaltijden in het Dordtse ziekenhuis waren er 300 dieetmaaltijden. ‘Patiënten zonder dieet mochten een dag van te voren kiezen tussen twee menu’s. Voor mensen met dieet was er geen keuze, behalve de zogenaamde ‘negatieve keuze’. Je mocht aangeven wat je echt niet lustte. Alle maaltijden moesten worden gecontroleerd. De enige luxe in de tijd was de zogenaamde ‘klasse’-afdeling voor patiënten die een extra verzekering hadden. Zij hadden een tweepersoons- of soms een eenpersoonskamer. Op de gewone afdelingen waren zalen van 6 of 8 bedden. De patiënten op de klasse-afdeling kregen bij de broodmaaltijd een zogeheten klassenhapje en roomboter in plaats van margarine. Als ik eraan terugdenk, vind ik dat anno 2016 wel raar klinken, maar we zien wel dat in de loop der jaren in de instellingen de gehele zorg, inclusief de voedingszorg, is opgeschoven naar een meer hotelmatige zorg. Ziekenhuizen moeten net als hotels servicegericht werken. Je kunt elke maaltijd kiezen van een buffetwagen en als je wilt, kun je iets extra’s bestellen.’ ‘Krantje, croissantje’ is een nieuwe term die binnen het facilitair bedrijf van zorginstellingen gebezigd wordt.

Mondiger

Met trots vertelt Gilbert-Peek dat het Albert Schweitzer Ziekenhuis in Dordrecht (het voormalige Gemeente Ziekenhuis waar ze haar carrière begon) in 2013 en 2014 is uitgeroepen tot het beste, klantvriendelijkste ziekenhuis van Nederland. ‘Je ziet dat alle zorginstellingen in Nederland bezig zijn met cliëntgerichte service’, zegt Gilbert-Peek. ‘We zijn opgeschoven van systeemdenken naar klantgericht denken. Veertig jaar geleden was er niet zo veel keuze voor de patiënt; de mensen uit de oudere generaties waren vooral dankbaar dat er voor hen gezorgd werd. Hoewel er toen natuurlijk ook wel geklaagd werd. Je kunt nu eenmaal gemakkelijker klagen over het eten dan boos worden op de dokter, van wie je uiteindelijk toch afhankelijk bent. De patiënt van nu is veel mondiger en neemt niet zonder meer genoegen met het aanbod.’

Toch onderwijs

Hoewel ze als zestienjarige niet voor het onderwijs wilde kiezen, rolde ze er gedurende haar werkzame leven steeds verder in. Na zes jaar in het ziekenhuis gewerkt te hebben, solliciteerde ze als docent aan de Prinses Margriet School, een op- leiding voor verpleegkundigen en verzorgenden, de voorloper van het ROC waar ze nu nog steeds werkt; het Albeda College in Rotterdam. Daarnaast geeft ze ook nog les aan het Da Vinci College in Dordrecht. ‘De overstap destijds van het ziekenhuis naar het onderwijs had ook te maken met het feit dat ik zwanger was’, verklaart Gilbert-Peek. ‘De meeste banen voor diëtist waren toen fulltime, deeltijd moest nog uitgevonden worden. In het onderwijs kon ik wel in deeltijd werken. Ik heb het altijd leuk en nuttig gevonden om onderwijs met mijn andere werkzaamheden als diëtist te combineren.’ Gilbert-Peek noemt voedingskennis als onderdeel van het diëtistenvak erg belangrijk, maar zeker zo belangrijk, zo niet belangrijker vindt ze de communicatie van de diëtist. ‘Het is een praatvak, waarin het gaat om het overbrengen van kennis, het inspireren en stimuleren van patiënten of in het geval van onderwijs de leerlingen of collega’s’, licht ze toe. ‘En je moet goed kunnen luisteren en doorvragen. Een diëtist moet met verschillende patiënten op de juiste golflengte kunnen communiceren, daar is subtiliteit voor nodig. En als diëtist moeten we gesprekspartner zijn voor de arts of specialist, van het begin af aan moet je mee kunnen denken over de behandeling. In tegenstelling tot mijn begintijd is de arts vaker bereid te luisteren naar de diëtist. Op dit gebied hebben we in de loop der jaren een flinke professionaliseringsslag gemaakt.’

Vrijgevestigd diëtist

Behalve als diëtist in de kliniek en als docent werkt Gilbert-Peek sinds 1984 als vrijgevestigd diëtist. ‘Het is geen grote praktijk, dat kan ook niet als je daarnaast ook nog les- geeft’, zegt ze vanachter haar praktijkbureau in Dordrecht. Vanuit deze functie kwam ze bij de Diëtisten Coöperatie Nederland terecht die in 1991 werd opgericht. ‘De meeste diëtisten waren in dienst bij de thuiszorg. Zij waren kosteloos door de cliënt te raadplegen’, zegt Gilbert-Peek. ‘Voor de vrijgevestigde diëtisten moesten cliënten van het begin af aan zelf betalen. Om een goede mond-tot-mond-reclame te krijgen moest je jezelf echt waarmaken. Voor de belangen-behartiging van diëtisten was er de Nederlandse Vereniging voor Diëtisten (NVD). Voor ons als vrijgevestigden was in die tijd nog niet veel aandacht. Er kwam behoefte aan een eigen organisatie, bijvoorbeeld om gemeenschappelijk als gesprekspartner op te kunnen treden naar de zorgverzekeraars.’ Zo werd op 2 december 1991 de Ver- eniging voor Zelfstandig en Freelance Werkende Diëtisten opgericht. ‘Een mijlpaal was dat ziekenfonds Zilveren Kruis als eerste een vergoeding gaf voor vrijgevestigde diëtisten’, zegt Gilbert-Peek. Hierna groeide de vereniging snel uit tot 220 leden en werd de verenigingsvorm omgezet naar coöperatie, waardoor de naam DCN ontstond, waarvan Gilbert-Peek in 2000 vice-voorzitter werd.

Belangrijk voor de eerstelijnsdiëtisten is volgens Gilbert-Peek de invoering van de ketenzorg op het gebied van diabetes, cardiovasculair risicomanagement en COPD geweest. ‘Hierdoor zijn diëtisten veel meer betrokken bij de multidisciplinaire samenwerking in de eerste lijn. Daarbij draait het vaak ook om de financiën, maar als dat eenmaal is opgelost, dan zie je dat er samen meer bereikt kan worden. Daarbij wordt wel eens de vraag gesteld wat precies het aandeel van een diëtist is in de behandeling. Wat is haar meerwaarde? Dat is moeilijk te definiëren, want een betere HbA1C, een beter LDL of een beter gewicht bereik je niet alleen, maar met zijn allen. Het is lastig te meten wie voor welke effectiviteit zorgt. Voor mij is van belang dat een cliënt of patiënt weer een betere regie over zijn of haar leven krijgt, daar draag je aan bij. Het is bijvoorbeeld belangrijk dat iemand een goede uitleg krijgt over de relatie voeding en diabetes. “Nu begrijp ik pas goed waar ik met mijn eten op moet letten”, is een uitspraak die ik vaak hoor. En ook belangrijk: iemand moet (weer) zonder schuldgevoelens kunnen genieten van zijn eten. Dat zijn belangrijke zaken, die specifiek onderdeel zijn van het werk van de diëtist: het bespreekbaar maken van de psychosociale aspecten rondom voeding. Om te kunnen meten wat de diëtist op dit vlak bereikt, heb ik bij onze zorggroep een “Voedingsbelevingsmeter” ontworpen.’

Tijdens haar consulten maakt Gilbert-Peek veel gebruik van het DCN-Voedingsdagboek dat de organisatie jaarlijks uitgeeft. ‘Om zaken te verduidelijken’, legt ze uit. ‘De pagina’s met de afbeeldingen van koolhydraatrijke producten zijn bijvoorbeeld erg handig. Cliënten vinden het prettig om het boek mee te krijgen, zodat ze een en ander kunnen nalezen. Het werkt ook als een logboek, waarin ze hun voeding kunnen bijhouden.’ Ze is trots op het het voedingsdagboek waarvoor ze het idee zo’n vijftien jaar geleden kreeg. Dankzij haar medeauteurs Eva Lincklaen, Henriette Verhoeven en Ellen van der Niet groeide het uit tot een praktisch bruikbaar boek.

Voedingsprofessional

Je kunt aan de ene kant blij zijn dat er in de huidige tijd veel aandacht voor voeding is, vindt Gilbert-Peek als ze ten slotte nog ingaat op de hypes rond voeding, maar ze constateert tevens dat er veel mensen zijn die zomaar wat roepen. ‘Er zijn veel mensen die zichzelf specialist noemen en zaken roepen die geen hout snijden’, zegt ze. ‘Het is een kwalijke zaak als mensen daardoor in verwarring raken of nog erger. Zo komt het voor dat cliënten in een zorginstelling geen koffie mogen drinken omdat het vocht afdrijft en niet als vocht meegeteld zou mogen worden. Ik heb de indruk dat de ruis op het gebied van voeding steeds erger wordt. De diëtist is de deskundige bij uitstek die de kloof tussen wetenschap en praktijk kan overbruggen, relevantie kan duiden en die algemene adviezen vertaalt naar een individueel advies voor de persoon tegenover zich. Eigenlijk gun ik iedereen het advies van een professional: de diëtist, die als een soort tom- tom helpt bij de navigatie door voedingsland.’

Reageer op dit artikel