artikel

Symposium zuivel en bloeddruk *

Voedingswetenschap

Symposium zuivel en bloeddruk *

Tijdens het symposium Zuivel & bloeddruk: Theorie en praktijk van de Nederlandse Zuivel Organisatie (NZO) kwam onder meer naar voren dat er een grootschalige interventiestudie nodig is om te bewijzen dat (magere) zuivel een bloeddrukverlagend effect heeft. Een verlaging van de bloeddruk door een gezonder voedingspatroon is niet alleen relevant voor mensen met hypertensie, maar ook voor mensen met extra risico op hart- en vaatziekten die geen verhoogde bloeddruk hebben.

De combinatie van leefstijlverandering en gebruik van geneesmiddelen werken goed samen bij het verlagen van de bloeddruk. Dat geeft een sterker resultaat dan het hanteren van één van deze twee maatregelen volgens nefrologe Gerjan Navis, de eerste spreker van de dag. Voor de bloeddruk geldt: hoe lager hoe beter. ‘Er is geen drempel aan de onderkant voor de bloeddruk’ zegt Navis. Dit gaat voor iedereen op, maar voor patiënten met kwetsbare nieren geldt dat zij een lagere bloeddruk nodig hebben. Wie geen kwetsbare nieren heeft, kan de teugels iets laten vieren. Ook geldt dat door hoger zoutgebruik de bloeddruk bij dikke mensen harder stijgt dan bij dunnere mensen. Navis geeft als tip vaker de 24-uursurine te meten van patiënten. ‘Zo weet je zeker wat ze binnengekregen hebben. Ook kun je dan eiwit en calcium meten en echt zien of de bloeddrukverlaging gelukt is’, aldus Navis.

Magere zuivel

Observationele onderzoeken in Europa en de VS laten wel relaties zien tussen magere zuivel, een gezonde leefstijl en lagere bloeddruk, maar er is nog geen oorzakelijk verband tussen alleen magere zuivel en bloeddruk. Jacqueline Dekker, hoogleraar diabetesepidemiologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, gaf aan dat in veel maar niet in alle studies een verlaagde kans op hypertensie werd gevonden door meer zuivel. De Nederlandse Hoornstudie laat dit verband niet zien maar een aantal Europese prospectieve onderzoeken wel, waaronder de Womens Health studie en de CARDIA studie. Er zijn een aantal op bloeddrukverlaging gerichte interventiestudies gedaan met magere zuivel als onderdeel, maar omdat het hierin ging om de combinatie groente en fruit, magere zuivel, vis en noten, minder vlees en minder (verzadigd) vet, kan niet gesteld worden dat het effect door magere zuivel komt. Het Dash-dieet, waar zowel Marianne Geleijnse en Jaap van Binsbergen over spraken tijdens het symposium, is positief vanwege de gunstige natrium-kaliumratio en meer bloeddrukverlaging door een extra natriumbeperking. Ronald Mensink zei in zijn presentatie dat vooral om het onderliggende mechanisme van de bloeddrukverlaging te begrijpen hierover verder onderzoek gedaan moet worden. Ook geeft hij aan dat vet uit zuivel geen (negatief) effect heeft op de bloeddruk, dat eiwit wel een bloeddrukverlagend effect lijkt te hebben en dat koolhydraten ten opzichte van vet en eiwit het minst gunstig lijken te zijn. Volgens hem laten lactotripeptiden uit zuivel in in vitro en dierexperimentele studies een bloeddrukverlagend effect zien. De lactotripeptiden remmen het enzym ACE (Angiotensine Converting Enzyme), dat aan het endotheel zit en een belangrijke functie heeft bij de bloeddrukregulatie. Er zijn humane studies (uit Finland en Japan) die bij deze bevindingen aansluiten, hoewel ook steeds meer humane studies de eerder gevonden gunstige effecten niet onderschrijven. ‘Calcium’, zegt Mensink ten slotte, ‘lijkt een mogelijke bloeddrukverlagende kandidaat te zijn omdat deze de hoeveelheid natrium in het lichaam verlaagt.’

Gedragsverandering

Jolein Lestra, van het Julius Centrum van de Universiteit Utrecht, liet zien dat er een lineair verband is tussen het cardiovasculaire risico en de bloeddruk. ‘Verlaging van de bloeddruk is dus altijd goed, ook voor mensen die geen te hoge bloeddruk hebben’, gaf ze aan. Mensen die extra risico hebben op hart- en vaatziekten, zoals diabetes type 2 patiënten, zijn ook gebaat bij bloeddrukverlaging. Deze mensen zullen dan aanpassingen moeten maken in hun leefstijl. Lestra benadrukt hierbij de vraag: hoe help je als diëtist mensen zelf hun voedingsgedrag te overdenken en te sturen? Elke patiënt heeft variërend gedrag, een andere leerstijl en verschillende doelen. Daarom moet de voorlichting ‘tailored’, oftewel, op maat zijn. Zij suggereert hiervoor drie ‘theory based’ modellen te gebruiken. Zo is er de sociaal cognitieve leertheorie (Bandura) waarmee verandering geleerd wordt in een sociale omgeving, het Stages of Change model (Prochaska) waarin goed gedrag in fases bijgebracht wordt en de keuze van de patiënt uitgelokt wordt door Motivational Interviewing toe te passen. Met het gebruik van zo’n model kunnen achteraf de effecten gezien worden. Door het verschil in gedrag van mensen kan de ene patiënt ter verlaging van de bloeddruk misschien beter gebaat zijn bij het gebruik van minder zout bij de bereiding van de voeding, terwijl de ander zich liever richt op het eten van meer groente. Voor het leerproces en blijvende gedragsverandering is een actieve rol van de patiënt nodig. Als zorgprofessional is op dit gebied veel te bereiken door de patiënt huiswerk mee te geven, door hem of haar te laten bedenken wat belemmert, wat helpt en wat diegene wil weten. Jaap van Binsbergen: ‘Het gaat nu over de diëtist. Hoe moet de arts hiermee omgaan?’

‘Leg de kwestie bij de patiënt neer en blijf je als arts verantwoordelijk voelen. De verwijzende arts werkt bovendien volgens de literatuur als grote motivator voor de patiënt.’ Antwoordde Lestra.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 1/2 van januari/februari 2009 op bladzijde 22

Reageer op dit artikel