artikel

Supplementen bij kanker *

Voedingswetenschap

Supplementen bij kanker *

Wat is de beste voedingstherapie tegen kanker en moeten patiënten supplementen gebruiken of niet? Hoe kunnen mensen met supplementen omgaan ter preventie van kanker? Voeding Nu vroeg twee geneeskundigen, die niet zich niet alleen baseren op evidence based medicine, naar hun mening over voeding en supplementen bij kanker. De antwoorden blijken niet eenduidig. Wel pleiten beide voor gezonde voeding als basis, eventueel aangevuld met suppletie. Over welke soort supplementen nodig zijn verschillen zij van mening.

Gert Schuitemaker, orthomoleculair geneeskundige
‘Op basis van wat ik weet is de beste preventie tegen kanker in de eerste plaats goede voeding en voldoende beweging. Dit moet aangevuld zijn met een multivitamine die in elk geval vitamine C, E, selenium, magnesium en zink bevat. Voor een persoon begint preventie eigenlijk bij zijn moeder, strikt genomen al vóór de zwangerschap om een optimale omgeving voor de foetus te creëren. Maar ook blijkt meer en meer dat de conditie van de vader, of beter gezegd de kwaliteit van de zaadcel, een factor van betekenis is. Daarom is het gewenst dat beide ouders een multivitamine nemen, maar ook omega 3-vetzuren. Na de borstvoeding is een jong kind gebaat bij een kindermultivitamine en vanaf twee jaar een preparaat  met de ADH voor volwassenen.’

‘De beste voedingstherapie tegen kanker is producten te eten die direct uit de zee of van het land komen, met zo weinig mogelijk tussenkomst van industrie. Gekeken naar de evolutieleer is dat te onderbouwen want ons genoom is al van oudsher gewend aan dat soort moleculen. De verhouding tussen vlees en vis is ook belangrijk. Nu eten mensen veel te weinig vis wat resulteert in een onvoldoende inname van omega-3 vetzuren. De mens is niet op de steppe opgegroeid maar bij riviermondingen en meren en at vroeger al meer vis. Met rood vlees moeten we oppassen gezien de relatie met dikke darmkanker. Voeding levert al lang niet meer de voedingsstoffen die het zou moeten leveren. Dit is te wijten aan het monocultuurbeleid met bemesting, wat arm is aan micronutriënten, en gericht is op houdbaarheid en smaak en niet op gezondheid.’

‘Ik vind dat veel wetenschappers een vooroordeel hebben over voedingssupplementen. Dat vooroordeel wordt gevoed doordat onderzoek wordt gedaan volgens het medisch onderzoeksmodel. Uiteraard ben ik blij met elk onderzoek dat gedaan wordt met voeding en voedingssupplementen, maar ik beschouw het als een historische fout om voedingsonderzoek te doen met slechts één voedingsstof. Neem foliumzuur ter voorkoming van een baby met open ruggetje. De publiekscampagne noemt alleen deze vitamine terwijl al lang bekend is dat vitamine B12 hierin ook een belangrijke rol speelt. Dit is onlangs nog weer bevestigd, maar de voedingsvoorlichting noemt alleen foliumzuur. Zoals ook weer blijkt uit het recente rapport met de vitamine D-aanbevelingen van de Gezondheidsraad. Voor de bewijsvoering worden alleen gerandomiseerde studies geaccepteerd. Met als gevolg dat de commissie uitsluitend het bewijs van een preventieve werking van vitamine D tegen bot gerelateerde aandoeningen hard genoeg bevond. Alle observationele onderzoeken, ook bij diverse vormen van kanker, werden verder genegeerd. Ik vind dit alles bijzonder onwetenschappelijk. Walter Willett van Harvard University in Boston is dé voedingsepidemioloog en geeft aan dat alles wat we tot nu toe van kankerpreventie weten afkomstig is van observationele epidemiologie en niet van gerandomiseerde onderzoeken. Meer gerandomiseerd onderzoek is ook welkom, maar dan niet met maar één voedingsstof omdat voedingsstoffen samenwerken.’

‘Iets concreets zeggen over suppletie bij de behandeling van kanker is heel moeilijk, daar is veel ervaring voor nodig. Dan ben ik ‘overvraagd’. Maar de meeste kankerpatiënten hebben voedingsdeficiënties en dan beschouw ik het als een kunstfout om deze deficiënties niet te behandelen. Ook als er behandeld wordt met chemotherapie of bestraling. Onderzoek met vitamine C en selenium is veelbelovend en ik moedig onderzoek zeer aan. Vitamine D moet in het kielzog mee. Kennis van het humane genoom en de epigenetica gaat ons mogelijk ook helpen meer te kunnen zeggen over welke nutriënten uitkomst bieden tegen kanker.’

Bertil de Klyn, arts voor natuurgeneeskunde en niet-toxische-tumor-therapie (NTTT)

‘Bij de beste voedingstherapie tegen kanker gaat het niet sec om voeding als therapie, maar om voeding als onderdeel van de behandeling. Houtsmüller beschrijft daarin de meest algemene voedingstherapie. Het is goed om Houtsmüller als basis te hanteren met een zekere mate van vis. Soms kan een antioxidantdieet afgewisseld worden met een oxiderend dieet waarin veel vette vis zit.

‘Over suppletie ben ik positief, daarmee kun je de behandeling bijsturen. Voornamelijk door de plantaardige stoffen die een remmende werking hebben op kanker en de sporenelementen, die ondersteunend zijn voor het immuunsysteem. Ik heb het niet over een multivitamine maar bijvoorbeeld over een antioxidantenformule, van curcumine (geelwortelconcentraat), genisteïne(sojaconcentraat), selenium, lycopeen en mariadistelconcentraat. Sommige plantaardige stoffen hebben een aangetoonde anti-tumorwerking. Ook kan vitamine C en D geadviseerd worden.’

‘De behandeling van kanker is voor elk mens anders, vanwege verschillen tussen personen zelf en de soort kanker. Bij darmkanker speelt de lever een rol en voor de vertering kan pancreasextract een goede aanvulling zijn. Borstkanker heeft te maken met het lymfesysteem en de hormonale werking, daarom kan melatoninesuppletie hulp bieden omdat het werkt op de hormoonreceptoren. De beste aanpak is dat je alles doet aan behandeling binnen de complementaire therapie naast de reguliere therapie. Met palliatieve behandeling is het anders, dan maak je een keuze, bijvoorbeeld zo lang mogelijk geen chemotherapie geven om de eigen afweer op peil te houden. Bij curatieve behandelingen gaat het om ‘en-en’: bijvoorbeeld operatie, chemo- én voedingstherapie.’

‘Het kan zijn dat patiënten een slechte voedselkeuze hebben als gevolg van smaakverandering na een chemotherapie. Mensen zijn bovendien vaak misselijk en dan eten ze niet. Dat is niet uitzonderlijk, maar je moet wel goed voedsel eten om te herstellen. Herstel gaat langzamer bij slechte voedselkeuze. Na chemotherapie zijn groente- en fruitdrankjes aan te bevelen omdat de lever dan geen eiwitten hoeft te splitsen. Tijdens de chemotherapie is juist een oxiderend voedselpatroon gewenst. Het is immers niet gewenst dat antioxidanten de werkzame vrije radicalen in de chemotherapie neutraliseren.’

‘Preventie begint al op jonge leeftijd. In de praktijk zie ik dat steeds meer jonge mensen kanker krijgen. Ik zou veel jongeren als compensatie voor een ongezonde leefstijl preventief suppletie in de vorm van een antioxidantcomplex of fruit- en groentesappen in capsulevorm aanbevelen.’

‘Binnen mijn praktijk is aan een overzicht van de afgelopen drie jaar te zien dat het grootste deel van de kankerpatiënten die ik op mijn manier behandel langer leven met hun ziekte. Van de vijftig mensen die met kanker in behandeling kwamen zijn in drie jaar drie mensen overleden. Mensen met een slechte prognose op langere termijn vallen hier ook onder. Ik propageer niet dat mensen altijd genezen in mijn praktijk, maar er wordt ook winst behaald wanneer achteruitgang uitgesteld wordt. Binnen de vereniging (ABNG-2000)  streven we al jaren naar meer onderzoek doen. Dat is vastgelopen op onvoldoende subsidies en moeite met inclusie van patiënten. Bovendien zijn ethische commissies ook moeilijk te overtuigen.’

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 4 van april 2009 op bladzijde 18

Reageer op dit artikel