artikel

Rol van linoleenzuur bij preventie van hart- en vaatziekten *

Voedingswetenschap

Rol van linoleenzuur bij preventie van hart- en vaatziekten *

De rol van omega 3-vetzuren voor de gezondheid van de mens, vooral in relatie tot de preventie van hart- en vaatziekten is onderwerp van discussie. Om helderheid over vermeende positieve effecten van deze vetzuren te verschaffen is in Wageningen onderzoek gedaan bij biggen. Doel was te achterhalen of de inname van linolzuur de gunstige effecten belemmert. Dit blijkt bij biggen het geval.

Het samenspel van omega 3- (n-3)- en omega 6- (n-6)-vetzuren in onze voeding is eerder in Voeding Nu beschreven (1). Aanleiding was een artikel in het British Medical Journal (BMJ), waarin werd gesteld dat positieve effecten van omega 3-vetzuren in het voedsel op de gezondheid van de mens, vooral in relatie tot de preventie van hart- en vaatziekten, niet waren aan te tonen in epidemiologisch onderzoek.

Er bleven vragen bestaan. In Nederland waren het vooral het Voedingscentrum en de Nederlandse Hartstichting die deze conclusie niet overnamen en het gebruik van omega 3-vetzuren, vooral uit vette vis, bleven aanmoedigen.

In het artikel in Voeding Nu is erop gewezen dat tussen omega 3- en omega 6-vetzuren competities bestaan, waarmee de publicatie in het BMJ geen rekening hield (1). Linoleenzuur (omega 3) en linolzuur (omega 6) worden beide door middel van hetzelfde enzym (Δ6-desaturase) omgezet. Daarna vindt verdere omzetting plaats naar de functionele vetzuren: eicosapentaeenzuur (EPA; omega 3) respectievelijk eicosatetraeenzuur of arachidonzuur (ARA; omega 6). Overmatige consumptie van linolzuur (LA) zou de omzetting van α-linoleenzuur (ALA) wellicht negatief kunnen beïnvloeden. Of de toediening van omega 3-vetzuren positieve effecten tot gevolg heeft, kan dus afhangen van de opgenomen hoeveelheid linolzuur.

Enkele jaren geleden is daarover in Nederland onderzoek bij vrijwilligers verricht (2). De conclusie was echter dat niet de verhouding LA:ALA de omzetting van ALA beïnvloedde, maar alleen de hoeveelheden van beide onverzadigde vetzuren. Daar moet wel bij worden aangetekend dat deze verhouding in alle drie gevallen zeer hoog was (7:1 of 19:1). De toename van EPA in de variatie met veel ALA is dan ook niet bijzonder groot.

Vetzuurcompetitie
Het is vooral om deze laatste reden dat besloten werd een experiment met biggen uit te voeren. Daarbij ging het om de vraag of de omzetting van ALA in EPA (en nog verder) wordt gehinderd door een overmatige LA-opname. Van veel belang is onder welke omstandigheden linoleenzuur kan worden omgezet in EPA. Het is immers dit omega 3-vetzuur dat de tegenspeler is van ARA. Beide vetzuren produceren stoffen die de bloedstolling regelen (1). Uit EPA worden verbindingen gevormd die de vorming van vettige plaques in de bloedvaten tegengaan. Deze komen overigens vooral voor op plaatsen waar, door wat voor reden ook, een beschadiging in het bloedvat aanwezig is. Verbindingen die uit ARA ontstaan, dragen er zorg voor dat bloedstolling buiten de bloedvaten wel plaatsvindt.

Ook gehalten aan cervonzuur (C22:6n-3 of DHA) zijn in het onderzoek gemeten. Dit sterkst onverzadigde vetzuur, dat uit EPA wordt gevormd, is vooral van belang in de hersenen en in de netvliezen.

Onderzoek met biggen
In het afgelopen jaar is bij de leerstoelgroep Diervoeding van Wageningen Universiteit de studie met biggen uitgevoerd die meer inzicht moest bieden in de mate waarin een hoge LA-opname de vorming van EPA uit ALA remt, en omgekeerd de mate waarin een hoge ALA-opname de vorming van ARA uit LA remt. Het onderzoek, dat is uitgevoerd door Walter Gerrits, Willem Smink en enkele van hun collega’s, is voorafgegaan door een literatuurstudie. Daaruit bleek dat veel waardevol onderzoek over dit onderwerp in de tweede helft van de vorige eeuw is gepubliceerd, te beginnen in de late jaren vijftig en nog steeds voortgaand (4-10). De competitie tussen linolzuur en linoleenzuur werd in deze periode, althans in grote lijnen, bij stukjes en beetjes ontdekt. De vraag bleef echter of linoleenzuur in de voeding van de mens inderdaad van belang kan zijn bij het verminderen van de kans op hart- en vaatziekten.

Omdat de uitkomsten van het onderzoek van belang zijn voor de voeding van de mens (belangrijke mechanismen in de omzetting van onverzadigde vetzuren zullen niet wezenlijk verschillen van die van het varken), worden de hoofdzaken hier weergegeven.

In deze studie werd aan 32 geltjes (vrouwelijke biggen) gedurende vier weken één van de volgende voeders verstrekt:
1) weinig linolzuur (LA; omega 6) en weinig linoleenzuur (ALA; omega 3): weinig LA, weinig ALA;
2) weinig LA, veel ALA;
3) veel LA, weinig ALA en
4) veel LA, veel ALA.

De gehalten in de voeders zijn deels gebaseerd op het onderzoek van Goyens et al. (2): hoog LA 7 en%, laag LA 3 en%, hoog ALA 1,1 en%, laag ALA 0,4 en%. Daarbij moet dan ook worden bedacht dat een deel van het gevormde EPA zal worden omgezet in DHA. Dit kan meer zijn dan de gemeten hoeveelheid, omdat veel van het overtollige DHA wordt afgebroken. Daarnaast moet worden genoemd dat delta-6-desaturase gemakkelijker linoleenzuur omzet dan linolzuur (4).

Resultaten
Uit de resultaten blijkt dat de gehalten aan ARA en EPA in bloed en organen duidelijk afhangen van de gehalten aan linolzuur en linoleenzuur in het voer. De competitie tussen de omega 3- en omega 6-ketens was zichtbaar in de gemeten gehalten in bloed en in lever. Veel LA remt de omzetting van ALA naar EPA en veel ALA remt de omzetting van LA naar ARA.

Afgezien daarvan blijkt, bij toevoeging van voldoende ALA, duidelijker in EPA wordt omgezet dan in de studie van Goyens et al (2). Op het niveau van de hersenen was deze competitie veel minder duidelijk. EPA komt in hersenweefsel nauwelijks voor en DHA-gehalten werden niet of nauwelijks door de behandelingen beïnvloed. Uit recent onderzoek bij varkens in een vergelijkbare setting (3) blijkt dat directe opname van DHA veel sterker doorwerkt in DHA-concentraties in hersenweefsel dan de opname van ALA in het hier beschreven experiment. 

Ook werden gehalten aan cervonzuur (C22:6n-3 of DHA) gemeten. Toename van DHA in bloed en weefsels is ook in het experiment met biggen minder duidelijk. DHA is vooral van belang bij de ontwikkeling van de hersenen en ook voor de netvliezen. Zijn de hersenen eenmaal volgroeid, dan is de behoefte aan DHA betrekkelijk klein en zal de overmaat worden geoxideerd tot CO2. In dit experiment begint dit zich wellicht al enigszins af te tekenen.

Enzym
De belangrijke vraag is onder welke omstandigheden linoleenzuur goed wordt omgezet in EPA. Dit vetzuur is immers de tegenspeler van ARA. Op grond van de beschikbare literatuur lag de gedachte voor de hand dat de verhouding van linolzuur en linoleenzuur in het voer (c.q. de voeding) in belangrijke mate bepaalt hoe de gehalten van EPA en ARA in bloed en organen zullen zijn.

Competitie tussen linolzuur en linoleenzuur hangt niet alleen af van de opname van beide vetzuren, maar mogelijk ook van de hoeveelheid enzym die deze onverzadigde vetzuren omzet. Als de beschikbaarheid van dit enzym groot is, zal de competitie tussen linolzuur en linoleenzuur een veel kleinere rol spelen dan in het geval van een relatief beperkte beschikbaarheid. Wellicht kunnen ook daarmee tegenstrijdige resultaten in de literatuur worden verklaard. Het competitie-effect ligt overigens wel erg voor de hand bij de zeer grote overmaat linolzuur ten opzichte van linoleenzuur in het huidige voedingspatroon van Europeanen en Noord-Amerikanen.

Nabeschouwing
De resultaten van dit onderzoek zouden aanleiding kunnen geven tot onder andere een volgend onderzoek met vrijwilligers, die dan echter moeten worden geselecteerd op basis van hun inname van linolzuur. Indien deze duidelijk lager is, kan wellicht worden vastgesteld of de vorming van functionele omega 3-vetzuren uit linoleenzuur in wat grotere hoeveelheden verloopt.

De auteur dankt Walter Gerrits voor zijn hulp bij het samenstellen van dit overzicht.

Referenties
1. Ruiter A. Fundamentele benadering van essentiële vetzuren gevraagd. Voeding Nu 2006;6:17-19.
2. Goyens PLL, Mensink RP, Zock PL, et al.
Conversion of α-linolenic acid in humans is influenced by the absolute amounts of α-linolenic acid and linoleic diet and not by their ratio. Am J Clin Nutr 2006;84:44-53.
3. Dullemeijer C, Zock PL, Coronel R, et al.
Differences in fatty acid composition between cerebral brain lobes in juvenile pigs after fish oil feeding. Brit J Nutr 2008;78:1-7.
4. Holman RT. Nutritial and metabolic interrelationships between fatty acids. Federation Proceedings 1964;23:1062-1067.
5. Bézard J, Blond JP, Bernard A, et al. The metabolism and availability of essential fatty acids in animal and human tissues. Reprod Nutr Dev 1994;34:539-568.
6. Bjerve KS, Mostad IL, Thoresen L. Alpha-linolenic deficiency in patients on long-term gastric-tube feeding: effect of ethyl linolenate on plasma and erythrocyte fatty acid composition and biosynthesis of prostanoids. Am J Clin Nutr 1987;46:570-576.
7. Brenna JT. Efficiency of conversion of
α-linolenic acid to long chain n-3 fatty acids in man. Curr Opin Clin Nutr Metab Care 2002;5:127-132.
8. Burdge GC, Calder Ph C. Dietary
α-linolenic acid and health-related outcomes: a metabolic perspective. Nutr Research Rev 2006;19:26-52.
9. Jakobsson A, Westerberg R, Jacobsson A. Fatty acid elongases in mammals: Their regulation and roles in metabolism. Progress in Lipid Research 2006;45:237-249.
10. Lands WEM. Fish and human health.
Academic Press, Inc 1986;170 pp.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 5 van mei 2009 op bladzijde 28

Reageer op dit artikel