artikel

‘(Top)sporter kan nog veel leren van de sportdiëtist’ *

Voedingswetenschap

‘(Top)sporter kan nog veel leren van de sportdiëtist’ *

Wat is een optimale vochtinname voor (top)sporters onder warme of koude omstandigheden? Dat was de centrale vraag tijdens het symposium Vocht bij koude en hitte, van Beijing naar Vancouver dat het Network for food experts (NVVL) half april hield. Terwijl de zomer nog voor de deur staat, wierpen sommige sprekers hun schaduw al vooruit op de winterspelen van 2010 in Vancouver. Vanuit sportief, voedingskundig en klimatologisch inzicht gingen ze in op voeding en vocht bij inspanningen.

Een eyeopener was de casus van ex-wielrenster Anouska van der Zee die (als knecht) in de ploeg zat van Leontien van Moorsel en rondes als de Tour de France en de Giro reed. ‘Ik heb tien jaar iets verkeerd gedaan’, bekende Van der Zee, die inmiddels zelf voor sportdiëtist studeert aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. ‘Ik was tijdens mijn wielercarrière meer met mijn gewicht en mijn voeding bezig, dan met mijn prestaties. Ik weet nu dat ik het niet goed heb gedaan. Het hoofddoel was mijn percentage lichaamsvet naar beneden te krijgen en gewicht te verliezen. Hoe mijn lichaamssamenstelling er verder uitzag, dat merkte ik wel na de finish. Om minder te wegen, dronk ik weinig en at ik alleen banaan, brood en muesli, geen pasta. Als ik uren trainde op de rollerbank, nam ik ook zo weinig mogelijk in om twee of drie kilo kwijt te raken. Deze werkwijze was in de ploeg normaal, Leontien die won immers alles, en hanteerde dezelfde werkwijze. Waarom zou deze aanpak dan niet werken? Ondanks de overwinningen bleek ook dat Leontien anorexia had. Ik heb gemerkt dat ik mentaal heel ver kon gaan in het niet innemen van eten of vocht, het kon een kick geven om zonder inname een duurtraining te doen. Ondertussen had ik wel vaak hoofdpijn, kon ik flauwvallen en natuurlijk een verstoord eet- en drinkgedrag. Ik snakte naar het moment na een wedstrijd dat ik bij een benzinestation een Cola light kon drinken, dan had ik pas het gevoel dat ik wat binnenkreeg, maar 0,0 calorie natuurlijk. Nu weet ik door mijn studie dat wat ik deed heel krom was. Toch kan het er zo nog aan toe gaan, ook op professioneel niveau. Voor een verstandig eet- en drinkgedrag ontbreekt het vaak aan kennis. Focus op het vetpercentage, geen dikke konten op de fiets, is voor veel trainers nog steeds belangrijk, maar het gaat natuurlijk ook om een uitgebalanceerde voeding en vochtinname om sneller te herstellen en uiteindelijk beter te presteren. Vooral bij meerdaagse duursporten is een goed en snel herstel van belang.’

Sportdiëtiste Anja van Geel die het symposium bezocht en onder andere betrokken is bij de begeleiding van Nederlandse topsporters op Papendal herkent het beeld van Van der Zee maar al te goed: ‘Natuurlijk is het wegwerken van vet belangrijk, want het is extra gewicht. Het kan tijdens een schaatswedstrijd bijvoorbeeld net gaan om een paar tienden van seconden verschil. Wat we steeds vaker doen, is het monitoren van de individuele sporters, want er zijn nogal wat interpersoonlijke verschillen. De een kan met wat meer lichaamsvet een betere prestatie halen dan de ander. Je moet individueel afspraken maken. Het is belangrijk dat je als diëtist aan iedereen die bij de sporters betrokken is, duidelijk maakt waar je met de voeding naar toe werkt, zowel in de trainingen als in de wedstrijden.’

Medeorganisator van het NVVL-symposium en sportdiëtiste Anne-Marijke Ambergen valt haar bij: ‘Hoe iemand het beste presteert aan de hand van zijn of haar voeding is toch vaak een kwestie van trial and error, de een reageert immers anders dan de ander op voeding. Extra kennis is geen overbodige luxe in deze wereld. Sporters horen van deze of gene of van elkaar wat ze moeten doen of ze kijken naar sporticonen, maar dat is niet altijd de juiste weg. De sportdiëtetiek staat wat dat betreft nog in de kinderschoenen. Een sporter kan nog veel leren van de sportdiëtist’

Vocht
Onderzoeker Fred Brouns van de Universiteit Maastricht ging tijdens zijn lezing in op de geschiedenis van de sportdrankenmarkt en de voedingskundige effecten. ‘De wereld van sportdranken is booming’, zei hij, terwijl hij een dia liet zien van de wereldwijde omzet voor sportvoeding die zo’n 11 miljard dollar bedraagt, verdeeld over 57 procent softdrinks, 35 procent energydrinks en 8 procent vaste voeding (repen en dergelijke). ‘Het merendeel van deze voeding en dranken wordt gebruikt door niet-atleten, maar liefst meer dan 90 procent. De vraag is natuurlijk of de recreatieve sporters er baat bij hebben. Velen hebben het idee: als ik dit drink, dan presteer ik beter, maar van een reeks van stoffen die op de verpakking van sommige producten staan is de werking of het effect op de prestatie niet bewezen, antioxidanten, taurine, glucosamine, ribose, om wat voorbeelden te noemen. Vaak zijn claims als ‘minder verzurig’, ‘minder spierkramp’, ‘zonder deze drank geen herstel binnen 24 uur’, niet aangetoond en betreffen marketing issues.’

Wat is er dan wel waar? Onderzoeken die hij in samenwerking met anderen van de Universiteit Maastricht deed met topsporters, onder andere in de Panasonic-ploeg Peter Post, tussen 1984 en 1986, lieten zien dat wielrenners in de Tour de France een enorme energiebehoefte hebben. Zo lag het gemiddelde energieverbruik op 6200 KCal per dag met pieken van meer dan 8000. Wetend dat iets meer dan 70 procent van de energie verloren gaat als wamte betekent dat dan ook een enorme warmtebelasting. ‘In zulke gevallen, onder ook nog warme omstandigheden, boven de dertig graden, is zeer veel vochtaanvoer nodig’, zegt Brouns. ‘Veel drinken betekent ook dat de drank zo snel mogelijk door het lichaam moet kunnen worden opgenomen. Wij hebben daar in Maastricht enorm veel onderzoek naar gedaan en hebben aangetoond dat de snelste maaglediging en wateropname in de darm ontstaat indien aan de drank 40-60 gram koolhydraten per liter aan wordt toegevoegd. Een hogere koolhydraatconcentratie vertraagt de maaglediging, en vermindert de snelheid van de vochtopname. Conclusie: tijdens een wedstrijd in warme omstandigheden is het raadzaam om een drank te consumeren waar niet teveel koolhydraten in zitten. Uit onze onderzoekingen bleek ook dat de osmolariteit van de oplossing – isotoon of niet – een ondergeschikte rol speelt het gaat vooral om het effect van de koolhydraten. In de winter, bij koude omstandigheden, zou je misschien wel gebaat zijn bij een hoger energetische drank, omdat het zweetverlies dan doorgaans veel minder is en je dus ook minder zult drinken. Ter ondersteuning van het prestatievermogen kun je dan beter hoger energetische dranken innemen en deze mogen zelfs warm zijn. Een vuistregel voor de energietoevoer is dat je beter niet meer dan 60 gram koolhydraten per uur in kunt nemen. Het optimum ligt ergens tussen 40-60 gram. Afhankelijk van de noodzakelijke vochttoevoer kan een ieder dan zelf uitrekenen in hoeveel vocht deze hoeveelheid het best kan worden opgelost.’

Ook keken onderzoekers van de Universiteit  Maastricht naar het type suiker dat het beste gebruikt kan worden voor een snel herstel, gewone kristalsuiker (sacharose/sucrose) of het hoogwaardiger koolhydraat maltodextrine. Brouns conclusie: voor een snelle energieopname en oxidatie is gewone suiker het goedkoopste en net zo goed. Een recente verrassing vond hij in een Engels onderzoek waarbij magere melk als experimentele rehydratiedrank was gekozen. ‘Dit bleek een bijzonder goed rehydratie-effect te hebben waarbij dan ook nog eiwitten voor de spiereiwitsynthese worden toegevoerd. Dat zal zeker tot verdere marktontwikkelingen leiden’, aldus Brouns.

Praten als brugman
Sportvoedingsdeskundige Joris Hermans van de Hogeschool Arnhem en Nijmegen, die als dagvoorzitter van het symposium optrad en zelf topsporters begeleidt, constateert dat in veel gevallen de basisvoeding van sporters niet goed is. ‘Wat je ziet, is dat er steeds meer producten op de markt komen, sportdranken of poeders, die gezien worden als vervanging van onderdelen van een goede basisvoeding’, zegt hij. ‘Het is goed dat die producten er voor sporters zijn, maar ze dienen eigenlijk als aanvulling op een goede basisvoeding, ze zijn niet de basis zelf. Het merendeel van de sporters in Nederland, dat zijn niet de topsporters, hebben deze producten niet nodig, gezien hun inspanningen. Iemand die de marathon van Berlijn voorbereidt kan er natuurlijk best baat bij hebben, maar de meesten sporten niet op dit hoge niveau. Het gaat in deze gevallen veel meer om het optimaliseren van normaal voedingsgedrag. In de prestatie zullen de meesten weinig merken van de dranken die ze innemen. Aan de andere kant moeten we ook niet tegen sportdranken zijn als sportdiëtisten. Ze zijn belangrijk voor de topsporters, de ontwikkeling van nieuwe dranken ook, en zonder de massa die deze producten koopt, zouden ze ook niet op de markt zijn. Als het over dit soort onderwerpen gaat, lijkt het een beetje op een haat-liefdeverhouding met de industrie. Maar het is een moeilijk probleem, want ook in sub- en topsport leven ideeën die niet zomaar te doorbreken zijn. Je moet praten als brugman om verkeerd voedingsgedrag, dat de trainer een pupil ingeeft, te veranderen. En vaak nemen ze het van je aan als je nog op de sportvloer bent, maar ben je weg, dan verandert het weer in het oude patroon. Als sportdiëtist is het van belang bij de trainingen en wedstrijden aanwezig te zijn. Invloed via andere kanalen uitoefenen, bijvoorbeeld via de mail, helpt vaak niet.’

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 5 van mei 2009 op bladzijde 9

Reageer op dit artikel