artikel

Effecten van verzadigde en onverzadigde vetten op hart- en vaatziekten *

Voedingswetenschap

Effecten van verzadigde en onverzadigde vetten op hart- en vaatziekten *

Volgens de aanbevelingen van de Gezondheidsraad is het van belang het aandeel verzadigde vetzuren in onze voeding te verlagen door deze te vervangen door onverzadigde vetzuren om de kans op hart- en vaatziekten te verlagen. Echter, zijn alle verzadigde vetzuren wel slecht voor de gezondheid, en hebben ze ook allemaal dezelfde effecten? In dit artikel van Henriëtte Grooten, wetenschappelijk specialist Voeding en Gezondheid van het productschap MVO, wordt een overzicht gegeven van de verschillende verzadigde vetzuren, in welke voedingsmiddelen ze zitten en wat bekend is over de effecten ervan op hart- en vaatziekten.

Oliën en vetten zijn nodig voor de aanmaak van celstructuren en voor het leveren van energie (calorieën). Bovendien leveren ze de vetoplosbare vitamines A, D, E en K en de essentiële vetzuren linolzuur en alfa-linoleenzuur. De Gezondheidsraad beveelt aan dat tussen de 20 tot 40 procent van de calorieën uit vet moet komen en maximaal 10 procent in de vorm van verzadigde vetzuren (1). De gemiddelde hoeveelheid vet in de voeding is de afgelopen tien jaar met tien procent gedaald: van 100 naar 89 gram per dag, het aandeel verzadigd vet is ongeveer gelijk gebleven. De huidige gemiddelde inname van verzadigd vet in de voeding is ongeveer 12 energieprocent (zie afbeelding 1). Dit is voor een volwassen man ongeveer 28 gram en voor een volwassen vrouw ongeveer 22 gram verzadigd vet per dag. Ruim 90 procent van de Nederlanders eet te veel verzadigd vet.

Verzadigde vetzuren
Palmitinezuur is het verzadigde vetzuur dat het meeste voorkomt in het Nederlandse voedingspatroon, gevolgd door stearinezuur. Beide vetzuren behoren samen met laurinezuur en myristinezuur tot de zogeheten lange keten verzadigde vetzuren. Naast deze vetzuren bevat onze voeding ook de korte keten verzadigde vetzuren boterzuur en capronzuur en de middellange keten vetzuren caprylzuur en caprinezuur. In Tabel 1 zijn de verschillende verzadigde vetzuren vermeld en tevens in welke vetten deze vetzuren vooral voorkomen. Uit deze tabel komt naar voren dat de verschillende verzadigde vetzuren zowel in dierlijke als plantaardige vetten en alle producten die deze vetten als ingrediënt hebben voorkomen (met uitzondering van boterzuur dat alleen in zuivelproducten voorkomt). Wel kan de verhouding van de verschillende verzadigde vetzuren binnen producten van dierlijke en plantaardige oorsprong verschillend zijn.

Gezondheidseffecten
In de literatuur zijn weinig onderzoeksgegevens beschikbaar over de relatie tussen specifieke verzadigde vetzuren en het ontstaan van hart- en vaatziekten. Wel zijn er gegevens over de totale hoeveelheid (on)verzadigde vetzuren en hun risico op hart- en vaatziekten. Er zijn enkele interventieonderzoeken uitgevoerd naar de invloed van de vetzuursamenstelling van de voeding op het ontstaan van coronaire hartziekten zoals is weergegeven in het rapport van de Gezondheidsraad in 2001 (4). In veel van deze onderzoeken zijn dierlijke vetten vervangen door plantaardige oliën en bleef de totale vetinneming ongewijzigd. In drie onderzoeken verlaagde de interventie de kans op hart- en vaatziekten, in het vierde onderzoek niet. Diverse publicaties na die tijd zijn gepoold en tonen zowel een beschermend effect (5) als geen effect aan (6) als verzadigde vetzuren isocalorisch werden vervangen door meervoudig onverzadigde vetzuren.

Cholesterolwaarden
Bepaalde cholesterolwaarden in het bloed worden gezien als goede voorspellers om het risico op hart- en vaatziekten te kunnen inschatten. Verzadigde vetzuren verhogen vooral het ongunstige LDL-cholesterol en in mindere mate het gunstige HDL-cholesterol. Ten opzichte van onverzadigde vetzuren verhogen verzadigde vetzuren ook de ratio tussen totaal/HDL-cholesterol. Deze ratio wordt gezien als de beste voorspeller voor het risico op hart- en vaatziekten, dat wil zeggen hoe hoger de ratio hoe hoger het risico. De Gezondheidsraad heeft in 2006 (1) onderscheid gemaakt tussen de verschillende verzadigde vetzuren als het gaat om hun effect op cholesterolwaarden, grotendeels gebaseerd op de meta-analyse van Mensink et al. (7). Vergeleken met koolhydraten heeft laurinezuur een gunstig effect op de verhouding totaal/HDL-cholesterol, myristinezuur en palmitinezuur hebben een gering effect, terwijl stearinezuur de verhouding iets verlaagt (afbeelding 2). Dit laatste wordt grotendeels onderschreven door Kris-Etherton et al. (8). De onderzoekers veronderstellen op basis van verschillende studies dat stearinezuur het LDL-cholesterol verlaagt (in vergelijkbare mate als de onverzadigde vetzuren C18:1 en C18:2), maar het is nog onduidelijk welk effect stearinezuur heeft op het HDL-cholesterol (sommige studies tonen een gunstig effect aan, terwijl andere studies een ongunstig of geen effect aantonen). Netto betekent dit dat ten opzichte van onverzadigde vetzuren stearinezuur de ratio verhoogt (7). Onderzoek naar effecten van verzadigde vetzuren op cholesterolwaarden met een ketenlengte tussen de 4 en 10 C-atomen zijn schaars, maar er zijn aanwijzingen dat ze weinig effect hebben op de verschillende cholesterolwaarden in het bloed bij de gebruikelijke (lage) innamen (9, 10).

Andere biomarkers
Om de invloed van vetten en vetzuren op het risico op hart- en vaatziekten vast te kunnen stellen, worden steeds vaker ook andere biomarkers bestudeerd, die bijvoorbeeld betrokken zijn bij de bloedstolling en/of ontstekingsreacties. Vetten in de voeding kunnen namelijk de vetzuursamenstelling van onder andere bloedplaatjes en andere celmembranen beïnvloeden, maar kunnen ook precursors zijn van bepaalde ontstekingsmodulerende stoffen en genexpressie beïnvloeden. Als er gekeken wordt naar het ontstaan van ontstekingsreacties is de literatuur naar de effecten van de verschillende verzadigde vetzuren hierop tegenstrijdig. Kris-Etherton et al. (8) concluderen dat stearinezuur minder trombose veroorzaakt dan de andere lange keten verzadigde vetzuren, gebaseerd op onderzoek naar effecten op samenklontering, fibrinolyse en hematologie. Baer et al. (11) laten in een interventieonderzoek echter zien dat een voeding rijk aan stearinezuur (STE, 11 energieprocent) de concentratie van het ongunstige fibrinogeen significant verhoogt, zowel in vergelijking met een voeding rijk aan koolhydraten als met een voeding rijk aan een mengsel van laurinezuur, myristinezuur en palmitinezuur (LMP). Het onderzoek zegt alleen iets over een hoge concentratie STE en het is nog onduidelijk wat het effect zou zijn van een lagere, gebruikelijkere dosering. Er werden in deze interventie geen verschillen gevonden tussen een STE-voeding en LMP-voeding op andere risicomarkers zoals C-reactief proteïne, interleukine 6 en E-selectine. In deze studie zijn de effecten van laurinezuur, myristinezuur en palmitinezuur niet afzonderlijk gemeten.

Conclusie
Een mengsel van verzadigde vetzuren veroorzaakt een ongunstiger cholesterolgehalte in het bloed ten opzichte van onverzadigde vetzuren en dit wordt gezien als een voorspeller voor het risico op hart- en vaatziekten. Hierom adviseert de Gezondheidsraad dat het aandeel verzadigd vet in onze voeding niet meer dan maximaal tien energieprocent moet zijn. De voeding bestaat uit verschillende verzadigde vetten, met lange keten en korte keten, die niet allemaal hetzelfde effect hebben op de verschillende biomarkers. Palmitinezuur en stearinezuur komen het meeste voor in onze voeding en beide vetzuren komen in zowel dierlijke als plantaardige bronnen voor. De korte keten verzadigde vetzuren en stearinezuur lijken weinig effect te hebben op cholesterolwaarden vergeleken met koolhydraten. Laurinezuur heeft zelfs een gunstig effect. Echter ten opzichte van onverzadigde vetzuren zijn de lange keten verzadigde vetzuren ongunstiger; voor de korte keten vetzuren is nog meer onderzoek nodig.

Als er gekeken wordt naar andere factoren zoals markers voor inflammatie en tromboseneiging van het bloed, dan zijn er nog onvoldoende gegevens of de verzadigde vetzuren verschillende effecten veroorzaken. Daarom kan op basis van de huidige wetenschap nog niet geconcludeerd worden dat de effecten van de diverse verzadigde vetzuren op het risico van hart- en vaatziekten verschillend zijn. Het blijft dan van belang om het aandeel verzadigde vetzuren verder te verlagen tot de aanbeveling door ze te vervangen door onverzadigde vetzuren.

Referenties

  1. Gezondheidsraad. Richtlijnen Goede Voeding. Publicatie nr 2006/21. Den Haag, 2006
  2. Bockisch M, Fats and Oils Handbook. AOCS Press, Illinois, 1998.
  3. Hulshof K et al. De inneming van vetzuren en vetzuurclusters (voedselconsumptiepeiling 1997-1998). TNO-rapport V5896, 2004.
  4. Gezondheidsraad. Voedingsnormen energie, eiwitten, vetten en verteerbare koolhydraten. Publicatie 2001/19. Den Haag, 2001.
  5. Jakobsen MU et al. Major types of dietary fat and risk of coronary heart disease: a pooled analysis of 11 cohort studies. Am J Clin Nutr 2009;89:1425-1432.
  6. Parodi PW. Has the association between saturated fatty acids, serum cholesterol and coronary heart disease been over emphasized? Int Dairy J 2009;19:345-361.
  7. Mensink RM et al. Effects of dietary fatty acids and carbohydrates on the ratio of serum total to HDL cholesterol and on serum lipids and apolipoproteins: a meta-analysis of 60 controlled trials. Am J Clin Nutr 2003;77:1146-1155.
  8. Kris-Etherton PM et al. Dietary stearic acid and risk of cardiovascular disease: intake, sources, digestion, and absorption. Lipids 2005;40:1193-1200.
  9. Steijns JM. Dairy products and health: focus on their constituents or on the matrix? Int Dairy J 2008;18:425-435.
  10. Erkkilä A et al. Dietary fatty acids and cardiovascular disease: an epidemiological approach. Progress Lipid Res 2008;47:172-187.
  11. Baer DJ et al. Dietary fatty acids affect plasma markers of inflammation in healthy men fed controlled diets: a randomized crossover study. Am J Clin Nutr 2004;79:969-673.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 6 van juni 2009 op bladzijde 25

Reageer op dit artikel