artikel

Symposium: Psychische en sociale druk door gewichtstoename bij borstkanker *

Voedingswetenschap

Symposium: Psychische en sociale druk door gewichtstoename bij borstkanker *

Wat is er nu bekend, wat zijn de aanbevelingen en wat weten we nog niet? Deze vragen kwamen aanbod tijdens het symposium Voeding en Kanker, preventie en genezing dat Voeding Nu begin juni organiseerde in het congrescentrum Figi in Zeist. Tijdens dit symposium van Voeding Nu gingen de sprekers tijdens het ochtendgedeelte in op de preventie bij voeding en kanker en tijdens de middag op aspecten van genezing bij voeding en kanker.

Dorien Voskuil, onderzoeker en docente van de Haagse Hogeschool, ging ’s middags in op het onderwerp gewichtstoename bij borstkankerpatiënten. Jaarlijks krijgen ongeveer 12.500 vrouwen de diagnose borstkanker. Voskuil bracht naar voren dat er een toename is in het aantal ex-borstkankerpatiënten. Volgens onderzoek is de vijfjaarsoverleving ongeveer 85 procent en indien de kanker helemaal beperkt is tot de borst 90-100 procent. Een ontwikkeling daarbij is dat een aanzienlijk deel van de borstkankerpatiënten te maken krijgt met ongewenste gewichtstoename als gevolg van de behandeling en veranderde leefstijlgewoonten. Een toename in het gewicht en overgewicht bij borstkankerpatiënten verhogen beide het risico op recidief, co-morbiditeit en overlijden. Er ontstaat hierbij een toename van de vetmassa en een afname of stabilisatie van de vetvrije massa, ook wel sarcopenic obesity genoemd. ‘Zonder interventie zal er maar zelden een terugkeer naar het gewicht van voor de ziekte zijn’, zegt Voskuil. ‘Ongeveer 35 tot 85 procent van de borstkankerpatiënten komt na adjuvante chemotherapie gemiddeld zo’n anderhalf tot vijf kilo in een jaar aan, terwijl dit voor gezonde vrouwen ongeveer een halve kilo is. Behalve de lichamelijke risico’s kan gewichtstoename bij vrouwen met borstkanker psychisch en sociale druk meebrengen.’

Onderzoek
Voskuil illustreerde haar lezing met een recent retrospectief cohort-onderzoek dat is gedaan onder (ex-)borstkankerpatiënten van onderzoeker W. Heideman et al. (Eur J Cancer, 2009).  Hierin kwam naar voren dat in een periode van 1974 tot 2006 26 procent van de patiënten, die behandeld zijn met chirurgie en radiotherapie, na ongeveer één jaar een toename van meer dan vijf kilo in gewicht had. Na drie jaar was dit al 30 procent. Slechts 18 procent had na één jaar een gewichtsverlies van meer dan twee kilo. Dit was na drie jaar nog maar 16 procent.

Oorzaken van gewichtstoename is een te hoge energie-inneming ten opzichte van het energieverbruik, de behandeling die de patiënt ondergaat met adjuvante chemotherapie en chemotherapie in combinatie met hormonale therapie. Ook spelen lichamelijke gevolgen zoals de postmenopauzale status, vermoeidheid en een verminderde lichamelijke activiteit en afname van de vetvrije massa en het rustmetabolisme een belangrijke rol bij een toename van het gewicht. Uit het onderzoek blijkt na behandeling met een gecombineerd systematische therapie patiënten na vijf jaar zo’n 4,5 kilo aankomen. Dit is meer dan wanneer bijvoorbeeld alleen chemotherapie of een hormonale therapie zou zijn toegepast.

‘Opvallend is dat slechts een kleine minderheid advies krijgt om gewichtstoename te voorkomen of om af te vallen’, zegt Voskuil. ‘Artsen zijn vaak blij als patiënten aankomen dit in tegenstelling tot de patiënten zelf.’

Aanbevelingen
Bij het komen tot aanbevelingen voor gewichtsbeheersing tijdens behandeling van borstkanker moet er volgens Voskuil rekening gehouden worden met twee uitgangspunten: gezond gewicht en overgewicht/obesitas. ‘De doelstelling tijdens de behandeling is preventie van ongewenste gewichtsveranderingen en het behoud van de vetvrije massa’, zegt Voskuil. ‘In de praktijk kunnen de aanbeveling van de Richtlijnen Goede Voeding worden gevolgd. Ook is het zaak patiënten goed voor te lichten en de hulpverlener zou het lichaamsgewicht moeten monitoren.’

Catechines
Onderzoeker Ir Ilja Arts, Universitair Docent Epidemiologie aan de Universiteit, ging tijdens haar ochtendlezing in op thee en de relaties met het ontstaan van longkanker. Thee is populairder bij vrouwen dan bij mannen vertelde zij. De belangrijkste bioactieve ingrediënten in thee die met kanker in verband worden gebracht zijn flavonoïden. Met name de flavenolen en catechinen uit groene en zwarte thee worden in verband gebracht met de incidentie van longkanker. Maar, stelde Arts de vraag, zal een dagelijkse kop thee helpen om longkanker te kunnen voorkomen?

Een kopje zwarte thee bevat 20-85 milligram catechine en 5-10 milligram flavonoïden (afhankelijk van de soort thee). En het blijkt dat de maximale hoeveelheid catechine pas na 5 minuten dippen ontstaat. Thee draagt voor ongeveer 80 procent bij aan de totale catechine-inname. Andere producten zoals chocolade, appels, ander fruit en wijn leveren een stuk minder.

Longkanker
‘Het verband tussen flavonoïden en longkanker is tot nu toe in twaalf studies onderzocht, acht cohort studies en vier patiëntcontrole studies’, zegt Arts. ‘In drie studies, alle cohortstudies, werd een significant verlaagd risico op longkanker gevonden bij een hoge inname van flavonoïden. In één patiëntcontrole studie werd een significant verhoogd risico gevonden.

Naar de relatie tussen thee en longkanker werden twintig onderzoeken verricht. Hierbij vonden er vier een significant beschermend verband en twee een significant risicoverhogend verband. De resultaten voor groene en zwarte thee verschilden daarbij niet essentieel van elkaar’, aldus Arts.

Opvallend was wel dat de studies waarin een positief verband gevonden werd allemaal oudere patiëntcontrole studies waren, waarin recall-bias een rol kan spelen en het in kaart brengen van confouders niet altijd even grondig gebeurde. Over het algemeen lieten studies naar flavonoïden, thee en longkanker geen of een licht beschermend verband zien. In vier van de zeven studies onder niet-rokers werd een significant beschermend verband gerapporteerd. Om de relatie tussen inname van thee, flavonoïden en longkanker beter te kunnen bestuderen moeten er meer onderzoek gedaan worden onder niet- rokers. ‘Een van de belangrijkste risicofactoren op het ontstaan van longkanker is roken’, zegt Arts. ‘Opvallend is dat rokers meer koffie dan thee drinken.’

Discussie
Tijdens het symposium ontstond nog enige discussie naar aanleiding van de lezing van huisarts Bertil de Klijn uit Ellecom. Hij behandelt (ex-)kankerpatiënten op een niet-reguliere manier, naast hun behandeling volgens de reguliere evidence-based methode, met de zogeheten non toxic tumor therapie (NTTT). Aanpassing van de leefstijl en de voeding staan hierin centraal. ‘Door een optimale voeding zonder toxinen aan te bieden wordt het lichaam gezuiverd’, zegt hij. ‘Daarbij is de inname van antioxidanten gewenst als bescherming tegen ontsteking en de optimalisatie van metabole processen. Voor een betere immuunfunctie moet de tumorgroei omlaag, wat onder meer kan door detoxificatie. De immuunfuctie is essentieel voor het overwinnen van kanker. Behalve immuunstiumulatie door het dieet is een aangepaste levensstijl waarin ook ruimte is voor mediatie en psychotherapie van belang.’

Een van de preparaten die hij zijn patiënten aanbeveelt is gemaakt op basis van maretak (Viscum alba). ‘Het is een in Duitsland algemeen geaccepteerd preparaat, zowel in de reguliere als alternatieve geneeskunst’, aldus De Klijn, die zijn lezing besloot met de woorden, ‘dat de wetenschap het belang van het effect van liefde en toewijding over het hoofd ziet bij de genezing van kanker, terwijl dat wel eens de belangrijkste factoren zouden kunnen zijn. All you need is love.’

Zijn stellingname riep de twijfel op van onderzoeker Bas Bueno-de Mesquita van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, die tevens op het symposium sprak. ‘Ik ben in verwarring’, zei hij tegen De Klijn. ‘Want waar is het wetenschappelijke bewijs voor dit soort zaken. Ik zie het niet.’

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 7/8 van juli/augustus 2009 op bladzijde 21

Reageer op dit artikel