artikel

Overgewicht, eten en bewegen bij schoolkinderen in Europa *

Voedingswetenschap

Overgewicht, eten en bewegen bij schoolkinderen in Europa *

De prevalentie van overgewicht varieert sterk binnen Europa, van 11 procent bij meisjes in Duitssprekend Zwitserland tot meer dan 40 procent bij Griekse jongens. Kinderen uit gezinnen met lager opgeleide of allochtone ouders hebben een grotere kans op overgewicht, met name in Nederland. Daarom is preventie in de laatste jaren van de basisschool extra belangrijk.

Samen met collega’s in tien Europese landen heeft Johannes Brug de ENERGY-studie opgezet. Het doel was om beter inzicht te krijgen in het vóórkomen van overgewicht en daaraan gerelateerd eet- en beweeggedrag, en om handvatten te bieden voor preventie. Een cross-sectioneel onderzoek in acht landen was onderdeel van deze Energy-studie (zie kader). Per land werden ongeveer 1.000 kinderen in de leeftijd van 10-12 jaar, één van hun ouders, en hun schoolomgeving onderzocht. In elk van de landen werd een steekproef van basisscholen genomen, gestratificeerd naar urbanisatiegraad.

Getrainde onderzoeksassistenten maten gewicht, lengte en middelomvang van de kinderen en namen vragenlijsten af. Hierin werden enkele eet- en beweeggewoonten nagevraagd die samenhangen met het risico op overgewicht bij kinderen. Vragen over het gedrag zelf, maar ook over persoonlijke en omgevingsdeterminanten van de eet- en beweeggewoonten. Wat betreft voeding gingen de vragen over hoeveel frisdrank en vruchtensap kinderen dronken, hoe vaak ze ontbeten, welke andere maaltijden gebruikelijk waren, en of en hoe vaak ze tijdens het eten televisie keken. Verder werd er met betrekking tot bewegen nagevraagd hoeveel tijd de kinderen besteedden aan sport en aan fietsen en lopen van en naar school. Ook andere activiteiten, zoals tv kijken en computeren, werden nagevraagd. De zittende activiteiten kregen speciale aandacht in de studie omdat steeds meer onderzoek laat zien dat te veel zitten bijdraagt aan het risico op metabole aandoeningen inclusief overgewicht, deels onafhankelijk van hoeveel mensen bewegen. Bij een deel van de kinderen werd met behulp van accelerometers de hoeveelheid bewegen en zitten objectief gemeten.

De ouder kreeg een vragenlijst over de thuissituatie en de specifieke eet- en beweeggedragingen van het kind. Ook docenten en andere medewerkers van de scholen moesten vragenlijsten invullen om enig inzicht te krijgen in schoolbeleid en -praktijk met betrekking tot eten en bewegen. Tot slot werd de schoolomgeving in kaart gebracht middels een zogenaamde ‘audit’. De mogelijkheden op en om school voor bewegen en sporten, en het kopen en nuttigen van voedsel werden door onderzoekmedewerkers geobserveerd en gescoord.

Resultaten: drie patronen
Het analyseren van de gegevens is nog in gang, maar uit de eerste reeds gepubliceerde analyses van de gegevens over de verschillen in overgewicht en gedrag komen drie duidelijke patronen naar voren. Zo is er in Europa een kloof zichtbaar tussen het Noordwesten en het Zuidoosten. Kinderen in de Zuid- en Oost-Europese landen hebben een veel grotere kans op overgewicht, met Griekenland als extreem. In Griekenland is bijna 40% van de meisjes en meer dan 40% van de jongens te dik. De prevalentie van overgewicht en obesitas in Nederland is veel lager (15% van de meisjes; 17% van de jongens), maar Zwitserland, Noorwegen en Vlaanderen doen het nog iets beter. In de Zuidoost-Europese landen is het gedrag van kinderen ook minder gezond. Ze sporten en bewegen minder, kijken meer televisie en slaan het ontbijt vaker over. Maar Nederlandse kinderen drinken het meeste frisdrank en sap; ze rapporteren gemiddeld ongeveer een liter per dag, waarvan ruim de helft frisdrank.

Opleidingsniveau en afkomst
De tweede kloof is zichtbaar in opleidingsniveau van de ouders (figuur 2). Kinderen van ouders waarvan er tenminste één relatief hoog is opgeleid, hebben een duidelijk lagere BMI, een kleinere middelomtrek, en beduidend minder kans op overgewicht. Ze hebben ook een gezonder eet- en beweegpatroon dan kinderen van twee lager opgeleide ouders. Deze resultaten zijn vrij consistent zichtbaar in de verschillende landen, behalve in Griekenland. De derde kloof is etnisch (figuur 3). Kinderen van ouders die beide geboren zijn in het land waar het onderzoek plaatsvond, of kinderen waar thuis de taal van het land van onderzoek werd gesproken, hebben een lagere BMI, middelomtrek, en kans op overgewicht. Ze vertonen ook gezonder gedrag dan andere kinderen. Die verschillen worden veel kleiner wanneer wordt gecorrigeerd voor verschillen in opleidingsniveau van de ouders. Ook deze etnische kloof is vrij consistent zichtbaar, en is met name duidelijk in Nederland. Maar ook in Hongarije, Vlaanderen, Noorwegen en Zwitserland was de kloof waarneembaar. In Nederland blijft het verschil statistisch significant als wordt gecorrigeerd voor opleidingsniveau van de ouders. Dit wijst erop dat de etnische verschillen in Nederland meer zijn dan een verschil in het gemiddeld opleidingsniveau tussen autochtonen en allochtonen. En dit geeft aan dat andere sociaaleconomische of culturele verschillen mede bepalend zijn. Het feit dat deze verschillen zichtbaar zijn en blijven terwijl de onderzoekers slechts een zeer grove en weinig specifieke maat voor etniciteit konden gebruiken die geen recht doet aan verschillen tussen verschillende groepen allochtonen, suggereert dat het verschil robuust is.

Griekenland toont een duidelijk ander patroon in verschillen naar etnische afkomst, daar zijn allochtone kinderen juist minder dik. Door middel van nadere analyses wordt getracht meer zicht te krijgen op de redenen en mechanismen achter deze verschillen.

Energy-studie
Als onderdeel van de Energy-studie is een cross-sectioneel onderzoek uitgevoerd in acht Europese landen, namelijk België (Vlaanderen), Griekenland, Hongarije, Nederland, Noorwegen, Slovenië, Spanje en (Duitssprekend) Zwitserland. Per land werden ongeveer 1.000 kinderen in de leeftijd van 10-12 jaar, één van hun ouders, en hun schoolomgeving onderzocht. In elk land werd de dataverzameling conform een standaard protocol en met dezelfde meetinstrumenten uitgevoerd. Hierdoor was het voor het eerst mogelijk om werkelijk goede vergelijkingen tussen landen in Europa op deze uitkomsten in deze leeftijdsgroep te maken. Met de keuze voor de genoemde landen waren alle regio’s van Europa, inclusief enkele relatief nieuwe EU-lidstaten, vertegenwoordigd. www.projectenergy.eu

Referenties
Brug J, van Stralen MM, Chinapaw MJ et al. Differences in weight status and energy-balance related behaviours according to ethnic background among adolescents in seven countries in Europe: the ENERGY-project. Pediatr Obes. 2012 Oct;7(5):399-411.
Brug J, van Stralen MM, Te Velde SJ et al.
Differences in weight status and energy-balance related behaviors among schoolchildren across Europe: the ENERGY-project. PLoS.One. 2012;7(4):e34742.
Chinapaw MJ, Yildirim M, Altenburg TM et al. Objective and self-rated sedentary time and indicators of metabolic health in Dutch and Hungarian 10-12 year olds: the ENERGY-Project.
PLoS.One. 2012;7(5):e36657.
Herzig M
, Dössegger A, Mäder U et al. Differences in weight status and energy-balance related behaviors among schoolchildren in German-speaking Switzerland compared to seven countries in Europe. Int J Behav Nutr Phys Act 2012, 9:139
Singh AS, Vik FN, Chinapaw MJ et al., Brug J. Test-retest reliability and construct validity of the ENERGY-child questionnaire on energy balance-related behaviours and their potential determinants: the ENERGY-project.
Int.J.Behav.Nutr.Phys.Act. 2011;8:136.
van Stralen MM, Te Velde SJ, Singh AS et al.
Brug J. EuropeaN Energy balance Research to prevent excessive weight Gain among Youth (ENERGY) project: Design and methodology of the ENERGY cross-sectional survey. BMC Public Health 2011;11:65.
Yildirim M, Verloigne M, de B, I et al. Study protocol of physical activity and sedentary behaviour measurement among schoolchildren by accelerometry – Cross-sectional survey as part of the ENERGY-project. BMC Public Health 2011;11:182.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 9 van september 2013 op bladzijde 13

Reageer op dit artikel