artikel

Voeding Nu Basics over suiker en zoetstoffen *

Voedingswetenschap

Voeding Nu Basics over suiker en zoetstoffen *

Ongeveer zeventig gewichtsconsulenten en diëtisten kwamen op 1 oktober bijeen voor een Voeding Nu Basics-scholing over Suiker en zoetstoffen. Drie sprekers gingen dieper in op de rol van koolhydraten, toegevoegde suikers en zoetstoffen in de voeding.

In de nazomer gooide de directeur van de GGD Amsterdam, Paul van der Velpen, de knuppel nog in het hoenderhok door suiker op één lijn te stellen met alcohol en tabak. Hij kwalificeerde het als een drug die verslavend is. Tijdens de bijeenkomst maakte de eerste spreker, professor Gertjan Schaafsma, van Schaafsma Advisory Services, duidelijk dat er geen bewijs voor is om suiker verslavend te noemen. ‘Het kan wel gebeuren dat mensen die van zoete zaken houden daar aan wennen, wat kan leiden tot gewoontegedrag. Doordat suiker als plezierig wordt ervaren, willen mensen bekrachtiging. Niet voor niets is suiker de gouden standaard voor alle zoetstoffen.’

Schaafsma zette uiteen dat koolhydraten de insulinespiegel verhogen waardoor grote neutrale aminozuren en glucose door de spieren worden opgenomen. Als gevolg hiervan komt er doorgaans meer tryptofaan in het bloed dat de bloed-hersenbarrière kan passeren. ‘Hierdoor zou in de hersenen de aanmaak van serotonine, een stof waardoor je je prettiger gaat voelen, kunnen wordt verhoogd. Dit geldt voor alle koolhydraten en is dus niet specifiek voor suiker. Deze werking wordt ook wel in verband gebracht met de neiging van mensen om meer koolhydraten te eten als ze zich minder prettig of depressief voelen, bijvoorbeeld als de winter voor de deur staat en het lang grijs weer wordt.’

Ook bracht Schaafsma de diagnosecriteria voor verslaving naar voren zoals die gelden voor verslaving aan middelen als alcohol, nicotine of cocaïne. Daarbij gaat het onder andere om:

  • Het optreden van tolerantie;
  • Ontwenningsverschijnselen specifiek voor het middel;
  • Inname van steeds grotere hoeveelheden;
  • Drang om te stoppen, maar pogingen om te stoppen of minderen mislukken;
  • Veel tijd wordt gebruikt voor verkrijging of gebruik van het middel;
  • Het middelengebruik vermindert sociale activiteiten, werk, etc;
  • Aanhoudend gebruik, ondanks kennis over negatieve effecten.


‘Als drie of meer van deze symptomen zich gelijktijdig voordoen binnen een jaar, dan is er sprake van verslaving’, zegt Schaafsma. ‘Bij suiker is dit niet het geval.’ Wel concludeerde hij dat het voor gewichtsbeheersing nuttig is om toegevoegde suikers en geraffineerd zetmeel te beperken.

Voor een extra belasting op suikerhoudende producten ziet hij echter geen reden. Schaafsma: ‘Als je zo denkt, dan zou je op alles wat plezier geeft en bijdraagt aan ongezondheid extra belasting kunnen gaan heffen; bijvoorbeeld ook op ligstoelen, want deze zetten aan tot inactief gedrag.’

Richtlijnen voor koolhydraten
Schaafsma lichtte verder toe welke richtlijnen er zijn voor de inname van koolhydraten volgens verschillende instanties, zoals de Nederlandse Gezondheidsraad, de Europese Voedsel- en Veiligheidsautoriteit (EFSA), de Wereldgezondheidsorganisatie en de gezondheidsraden van Groot-Brittannië en Scandinavië. ‘Het heeft mij mijn hele voedingscarrière gestoord dat de richtlijnen voor de inname van koolhydraten niet gelijk liggen’, zegt hij. ‘Natuurlijk zal een WHO hogere aanbevelingen hebben omdat in derdewereldlanden meer inname van energie door koolhydraten gewenst is, maar voor andere westerse landen zou meer standaardisering gewenst zijn.’ Zo hebben de noordelijke landen en Groot-Brittannië de bevolkingsbrede aanbeveling om met de toegevoegde suikers onder de 10 à 11 energieprocent te blijven, terwijl de VS, EFSA en de Nederlandse Gezondheidsraad geen kwantitatieve richtlijn geven. ‘De Gezondheidsraad geeft wel aan dat je onder 20 energieprocent moet blijven voor een gezonde voeding, maar dat is wel erg veel’, zegt Schaafsma, die zelf lid is geweest van menig commissie van de beraadsgroep voeding van deze adviesraad. ‘Als je kijkt naar het suikergebruik in Nederland, dan zien we dat de Nederlanders ongeveer rond 12 energieprocent via toegevoegde suikers binnenkrijgen. Het is vooral voor mensen met overgewicht van belang dat ze letten op hun energie-inname.’

Vanuit de zaal kwam nog de vraag of zoetstoffen in light-frisdranken in het lichaam een insulinerespons kunnen opwekken, waarna een hongergevoel zou kunnen ontstaan, dat weer zou kunnen aanzetten tot eten. Volgens Schaafsma zijn er aanwijzingen gevonden dat sommige zoetstoffen een lichamelijke reactie uitlokken in het honger- en verzadigingssysteem, maar voor conclusies op dit terrein, laat staan aanbevelingen, is het volgens hem nog veel te vroeg.

Tot slot benadrukte Schaafsma het belang van de mondgezondheid bij het gebruik van dranken met suiker of light-frisdrank. Light is even belangrijk om in de gaten te houden als gesuikerde drank.

(On)veilige E-nummers
Meer discussie dan het onderwerp verslaving riep de bespreking van zoetstoffen en E-nummers op. Stephan Peters, manager kwaliteit en kennis van het Voedingscentrum, hield een heldere uiteenzetting over dit onderwerp. Met zijn achtergrond als toxicoloog benadrukte hij dat toxicologen eigenlijk uitgaan van de mate van ónveiligheid van stoffen in de voeding. ‘Mensen willen graag 100 procent zekerheid als het om toevoegingen in het eten gaat, maar dat is niet te bereiken’, aldus Peters. Hij legde andermaal duidelijk uit hoe de veiligheid van additieven wordt bepaald. Toch leek er nog steeds een zeker ongeloof onder de aanwezigen te zijn. Negatieve informatie over additieven, die onder meer via internet makkelijk te vinden is, bijvoorbeeld over aspartaam of cyclamaat, is voor velen blijkbaar een reden voor ongeloof in de stellingname van wetenschappers over de veiligheid. ‘Gelooft u mij, ik heb alle literatuur goed bekeken en dat is een hele klus, als u uzelf wilt overtuigen van de onderzoekingen naar e-nummers en zoetstoffen, dan zult u de literatuur zelf moeten nagaan. Het enige dat je kunt doen is vertrouwen op wetenschappers.’

Volgens Peters is er onder vrijwel alle wetenschappers consensus over de veiligheid van kunstmatige zoetstoffen. De perceptie van de veiligheid van additieven onder hen is dan ook beter dan die van de consument. ‘De zoetstoffen die een alternatief vormen voor suiker zijn volledig veilig bevonden voor de mate waarin mensen ze levenslang kunnen innemen.’ De publicaties over additieven die rondcirkelen leggen volgens hem de nadruk te veel op de onderzoeken met negatieve uitkomsten. ‘Hierin worden de onderzoeken misbruikt die wijzen op blootstellingen bij erg grote hoeveelheden aan additieven. Die studies zijn nodig om te bepalen wanneer een stof een gevaar kan opleveren. Zo kun je zelfs water giftig laten blijken. Want als je ineens 10 liter water drinkt, ga je ook dood. Het gaat uiteindelijk om de hoeveelheid die je binnen krijgt. Bij het vaststellen van een E-nummer is er juist rekening gehouden met de blootstelling van de mens aan het additief. Die is zo laag dat er geen risico’s kunnen ontstaan. Door die publicaties waarbij, ongeacht de blootstellingsdosis, de gevaren naar voren worden gehaald, blijven deze bij de mensen hangen; de andere kant wordt dan niet of nauwelijks meer gezien. Mensen snappen het vaak niet.’

Tijdens zijn lezing wees Peters erop dat het Voedingscentrum waarschijnlijk de beperking die op de zoetstof cyclamaat ligt gaat opheffen. Er zijn aanwijzingen dat de stof zo veilig is, doordat de blootstelling zo laag is, dat zowel kinderen als volwassenen zich niet hoeven beperken bij bijvoorbeeld het drinken van frisdrank met deze zoetstof. ‘Daarnaast wachten we de evaluatie van EFSA over aspartaam af tot we met nieuwe aanbevelingen naar buiten komen.’

Over aspartaam kwam de vraag naar voren of dit kankerverwekkend zou kunnen zijn. ‘Als een stof kankerverwekkend is, dan wordt deze niet toegelaten, dat blijkt al in een beginstadium’, verklaarde Peters. Aspartaam bestaat uit twee peptiden die door enzymen in het lichaam snel worden afgebroken. Daarbij komt methanol vrij dat giftig zou kunnen zijn. Als reactieproduct bij de afbraak van aspartaam komt het echter in veel lagere hoeveelheid voor, dan bijvoorbeeld in producten in de natuur, zoals een appel. ‘Aspartaam is al meer dan veertig jaar in gebruik en er is geen ongewenst effect van bekend’, aldus Peters.

Praktijk
Als derde spreker kwam oprichter van de Academie voor Leefstijl en Gezondheid, Yneke Vocking aan het woord. Zij ging in op drie casussen uit haar praktijk. Aan de hand van de voedingen van drie van haar cliënten liet ze zien waar in hun voeding de ‘verborgen’ suikers zitten. Door nauwgezet naar de voeding te kijken is bij mensen met overgewicht gerichter in te grijpen in hun voedingspatroon om zodoende een te hoge energie-inname te vermijden. Ze pleitte ervoor dat het Voedingscentrum voortaan toegevoegde suikers in de vorm van mono- en disachariden zou opnemen in de Eetmeter. ‘Dat zou het gebruik van suikers in voedingsmiddelen een stuk inzichtelijker maken’, aldus Vocking. ‘Dat voorkomt bijvoorbeeld het misverstand dat oerzoet en agavesiroop gezonde vervangers zijn voor bietensuiker.’ Ze concludeerde dat het goed mogelijk is een gezonde voeding te hebben waar suiker een onderdeel van is. Ze waarschuwde er wel voor matig te zijn met frisdranken, vruchtensappen en producten uit de ‘uitzondering-lijst’, met name in een voeding die laag-energetisch zou moeten zijn.

De volgende Voeding Nu Basics bijeenkomst gaat over Zuivel en wordt gehouden op 26 november, eveneens in de Yakult-fabriek in Almere.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 10 van oktober 2013 op bladzijde 12

Reageer op dit artikel