artikel

Nieuwe Richtlijnen Goede Voeding meer gericht op voedingsmiddelen en -patronen *

Voedingswetenschap

Nieuwe Richtlijnen Goede Voeding meer gericht op voedingsmiddelen en -patronen *

In de voedingswereld wordt reikhalzend uitgekeken naar de nieuwe Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. De Richtlijnen zijn gebaseerd op de stand van de wetenschap over de relaties tussen voeding en gezondheid. Officiële voedings- voorlichters gebruiken de Richtlijnen voor communicatiebood- schappen aan consumenten en voor diëtisten en gewichts- consulenten vormen ze een leidraad voor voedingsadvies. Professor Daan Kromhout is vice-voorzitter van de Gezond- heidsraad en nauw betrokken bij de totstandkoming van de nieuwe richtlijnen die in 2015 worden verwacht.

Als voorzitter van de Beraadsgroep Voeding, een vaste commissie van de Gezondheidsraad, geeft Daan Kromhout sturing aan de totstandkoming van de nieuwe richtlijnen. Tot nu toe gebeurde dat laatste vooral achter de schermen. Kromhout geeft deze keer alvast een blik in de keuken van de Beraadsgroep Voeding.
In het werkprogramma van de Gezondheidsraad werd dit najaar al aangekondigd dat het
accent in de nieuwe richtlijnen meer komt te liggen op het directe verband tussen voedingsmiddelen, supplementen, voedingspatronen en gezondheid. Hiervoor zijn op grond van de Volksgezondheidstoekomstverkenningen van het RIVM tien belangrijke ziekten geselecteerd waarvoor de verbanden met voeding worden geëvalueerd. In de vorige Richtlijnen lag het accent steeds op voedingsstoffen, macronutriënten en micronutriënten. ‘Er is de laatste jaren steeds meer bewijs gekomen voor de relaties tussen voedingsmiddelen, voedingspatronen en gezondheid’, zegt Kromhout. ‘Daar houden we bij de opstelling van de nieuwe richtlijnen dan ook veel meer rekening mee dan voorheen. Dat wil niet zeggen dat we niet meer kijken naar de individuele voedingstoffen, maar de som is meer dan het geheel der delen. Natuurlijk moeten we wel weten wat er in de voedingsmiddelen zit en of ze in een bepaald voedingspatroon de behoefte aan voedingsstoffen zullen dekken. Hiervoor kijken we ook naar de voedselconsumptie van de Nederlanders.’
Hoe de Beraadsgroep de beschikbare wetenschappelijke informatie beoordeelt, wordt weergegeven in twee zogenoemde achtergronddocumenten. Deze geven stap voor stap aan welke keuze de raad heeft gemaakt. Zowel voor de voedingsstoffen en supplementen als voor voedingsmiddelen en voedingspatronen is een achtergronddocument in de maak. Bovendien verschijnt er een samenvattend document met de uiteindelijke Richtlijnen. 

Zoveel mensen, zoveel…
Het is duidelijk dat mensen door hun voedingspatronen en de voedingsmiddelen die daarin passen al dan niet tot een gezonde voeding komen, maar zoveel mensen zoveel patronen en zoveel voedingsmiddelen zoveel keuze daartoe. Kun je daar richtlijnen voor maken? Kromhout benadrukt dat er een omslag in het denken nodig is om van de klassieke voedingskundige benadering, waarin de nadruk ligt op nutriënten, over te stappen naar aanbevelingen met voedingsmiddelen en voedingspatronen. Sinds de ontdekking van de werking van vitamines en mineralen in het begin van de vorige eeuw zijn de officiële voedingsadviezen immers gemaakt vanuit ideeën over tekorten en behoeften van bepaalde voedingsstoffen in de bevolking. ‘Door richtlijnen in termen van voedingsmiddelen in relatie tot gezondheid uit te drukken, sluiten we meer aan bij de belevingswereld van consumenten’, zegt Kromhout. ‘Ik denk dat het heel goed mogelijk is dat mensen in het huidige aanbod van voedingsmiddelen een keuze kunnen maken die bij hen past, die de behoefte aan voedingsstoffen dekt en bovendien gezond is.’

Voedingssupplementen
De huidige Richtlijnen Goede Voeding dateren van 2006. Op basis hiervan heeft het Voedingscentrum de Richtlijnen Voedselkeuze gemaakt waarin de wetenschappelijke kennis over voeding en gezondheid op een toegankelijke manier voor het publiek is vertaald. Hieruit vloeit bijvoorbeeld de Schijf van vijf voort en de indeling van voedingsmiddelen volgens de criteria ‘bij voorkeur, middenweg en bij uitzondering’. Betekent de nieuwe aanpak van de raad dat een vertaalslag overbodig wordt, aangezien kennis over voedingsmiddelen voor consumenten veel concreter is en makkelijker toepasbaar lijkt? Volgens Kromhout niet. ‘Het is onze taak om in kaart te brengen welke wetenschappelijke evidentie er is voor de relaties tussen voedingsstoffen, voedingsmiddelen, voedingspatronen en gezondheid, het is vervolgens aan de voedingsvoorlichters om dit verder te vertalen naar verschillende doelgroepen. Zij kunnen aangeven hoe je in de praktijk hiermee om kunt gaan, hoe je je voedingspatroon bijvoorbeeld kunt aanpassen. Alleen hoef je niet meer de vertaalslag te maken van nutriënten naar voedingsmiddelen. Maar we zijn nog niet klaar, ik kan nog niet zeggen hoe dit er allemaal definitief gaat uitzien.’

Het noemen van voedingsmiddelen in de nieuwe richtlijnen is niet helemaal nieuw, want in de Richtlijnen van 2006 werd bijvoorbeeld vis er al uitgelicht. Dat resulteerde in de praktische aanbeveling om twee keer per week vis te eten, waarvan een keer vette vis. ‘We eten nog steeds te weinig vis’, zegt Kromhout. Hoe de visconsumptie in Nederland omhoog zou moeten gaan, vindt hij het domein van de voedingsvoorlichters. Hij kan nog niet zeggen hoe de nieuwe aanbeveling er precies uit komt te zien.

Wel geheel nieuw in de voedingsrichtlijnen zal de aandacht voor voedingssupplementen zijn, bezien als onderdeel van het voedingspatroon. Veel Nederlanders gebruiken dagelijks supplementen. Volgens de Voedselconsumptiepeiling gaat het om ongeveer 40 procent van de Nederlanders. ‘Over supplementen komen steeds meer data naar buiten’, zegt Kromhout. ‘Gezien hun aard vallen ze onder de nutriënten. De vraag is welke supplementen zinvol zijn en welke niet. Houden we onze adviezen bijvoorbeeld beperkt tot vitamine D waarover de raad in 2012 heeft geadviseerd of zijn er ook redenen om aan andere vitamines aandacht te besteden. Maar over het algemeen zie ik bij deze richtlijnen de nutriënten eerder als een sluitstuk dan als een startpunt.’

Mediterraan, Japans of DASH
Voor de opstelling van de Richtlijnen bestudeert de raad de wereldwijd verschenen wetenschappelijke literatuur die er over de relaties tussen voedingsstoffen, voedingsmiddelen, voedingspatronen en gezondheid is verschenen. Daarbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar uitkomsten van onderzoek dat is gedaan naar de effecten van gezonde voedingspatronen die zijn uitgeprobeerd in onderzoekssituaties, zoals de Amerikaanse DASH-voeding
(Dietary Approaches to Stop Hypertension). Ook gaat de aandacht uit naar uitkomsten van onderzoek naar het traditionele Mediterrane patroon van o.a. de Kretenzers (met hun actieve leefstijl) of het voedingspatroon van Japanners. Bevolkingsgroepen die onder meer door hun leefstijl hoge leeftijden halen.

‘Dit wil niet zeggen dat we zulke patronen een-op-een kunnen vertalen naar Nederland, maar je kunt wel elementen in hun voeding vinden die bij ons in een gezond voedingspatroon zouden passen. Dat geldt ook voor de DASH-voeding, die weinig zout bevat, veel groente en fruit en magere zuivelproducten’, licht Kromhout toe. ‘De Japanners eten bijvoorbeeld veel vis, dat zal in Nederland niet zo gauw gebeuren, maar je treft er ook voedingsmiddelen aan die bij ons heel gewoon zijn, zoals groente, fruit, en gezonde vetten. Ook treffen we in dit soort voedingen meer peulvruchten aan dan bij ons. Dit voedingsmiddel staat wat verder van ons eetpatroon af. Het is jammer dat in de voorlichting tot nu toe daar niet veel aandacht voor is geweest, waarschijnlijk ook omdat peulvruchten gezien wordt als armeluisvoedsel, maar ze zijn wel heel voedzaam.’

Kijken naar de buren
‘De uitkomsten van het onderzoek naar verbanden tussen voeding en gezondheidseffecten kunnen we meenemen in de modelberekeningen voor de Nederlandse situatie, zoals die door het RIVM worden uitgevoerd’, vervolgt Kromhout. ‘We weten wat de Nederlanders gemiddeld eten en welke nutriënten ze binnenkrijgen. Als we weten welke patronen gezondheidswinst opleveren, kunnen we berekenen welke nutriënten Nederlanders meer zouden kunnen binnenkrijgen. Dit kunnen we vervolgens weer vertalen naar voedingsmiddelen en aanbevelingen voor voedingspatronen. Er zijn tal van modellen mogelijk waarin een breed scala aan voedingsmiddelen en dranken kan worden opgenomen.’

Ook wordt bij de opstelling van nieuwe Richtlijnen gekeken naar voedingsadviezen die in andere landen door overheidsinstellingen of instituten worden gegeven, zoals de Dietary Guidelines van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Australië en de adviezen van de Nordic Council voor de Scandinavische landen. ‘Methodologisch wijken we wel af van wat ze in andere landen doen bij het trekken van conclusies uit onderzoek naar voeding en gezondheid’, licht Kromhout toe. ‘We hebben afgesproken dat we ter onderbouwing van de nieuwe richtlijnen alleen nog maar de uitkomsten van prospectieve studies meenemen. In dit soort onderzoek is informatie over de voeding verzameld voordat iemand ziek werd. We gebruiken geen uitkomsten van patiënt-controleonderzoek meer. Het is gebleken dat deze studies over het algemeen onbetrouwbaarder blijken te zijn. In dit soort onderzoek wordt bij patiënten pas achteraf nagegaan wat de voeding van een patiënt was voordat hij of zij ziek werd. Daardoor zit in dit onderzoek een te grote onbetrouwbaarheidsfactor. Iemand kijkt terug naar zijn patroon, maar de rapportage is dan gekleurd door de ziekte.’

Behalve naar prospectieve follow-up studies kijkt de raad ook naar interventiestudies (gecontroleerde voedingsproeven) waarin de effecten van voeding worden nagegaan op de risicofactoren bloeddruk, LDL-cholesterol en gewicht en op harde eindpunten zoals hart- en vaatziekten en diabetes. Bij de evaluatie zal de nadruk liggen op meta-analyses en systematische reviews. Kromhout: ‘Ook hier stellen we hoge eisen aan, want er zijn bijvoorbeeld nogal wat “kreupele” meta-analyses in omloop. We analyseren de meta-analyses op kwaliteit en geven dan aan op welke gronden we individuele studies afkeuren. De Beraadsgroep baseert het uiteindelijke oordeel alleen op methodologisch goed uitgevoerde studies.’

Megaklus
Kromhout geeft aan dat het opstellen van de Richtlijnen een megaklus is. ‘We werken nu met een team van 2 fte’, zegt hij. ‘Ook de raad wordt geconfronteerd met bezuinigingen. Al onze aandacht gaat daarom nu uit naar de Richtlijnen. Ik verwacht ze in 2015, maar welke maand precies, dat moet ik nog even in het midden laten.’

Richtlijnen Goede Voeding
In 1986 bracht de Voedingsraad de eerste Richtlijnen Goede Voeding uit. Ze werden opgesteld omdat er steeds meer bewijzen kwamen voor relaties tussen voeding en chronische ziekten, zoals hart- en vaatziekten en diabetes. De Richtlijnen worden onder meer gebruikt in de voedingsvoorlichting en bij het maken en meten van het effect van voedingsbeleid in Nederland. Ze worden opgesteld op verzoek van de bewindslieden van VWS en EZ (destijds LNV); eens in de vijf tot tien jaar worden ze geactualiseerd; tussentijds geeft de raad deeladviezen, bijvoorbeeld voedingsnormen voor vitamine D of de gezondheidseffecten van ecologisch verbouwd eten. In de Richtlijnen van 2006 werd voor het eerst het aspect beweging meegenomen en werden er voor het eerst richtlijnen gemaakt voor vis. Slechts een klein deel van de Nederlanders weet zich aan de Richtlijnen te houden. De consumptie van groente en fruit is bijvoorbeeld te laag, evenals de visconsumptie. In de loop der jaren is wel het energiepercentage verzadigd vet in ons eten afgenomen van 18 naar 13 procent.

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 12 van december 2013 op bladzijde 8

Reageer op dit artikel