artikel

Screening op ondervoeding in ziekenhuizen *

Voedingswetenschap

Screening op ondervoeding in ziekenhuizen *

Bij opname in het ziekenhuis is gemiddeld één op de vier patiënten ondervoed. Ondervoeding is geassocieerd met onder andere verminderde afweer, meer complicaties en hogere mortaliteit. Vroege herkenning en behandeling van ondervoeding is essentieel om de ernst van de ondervoeding te beperken en gevolgen te voorkomen.

Sinds 2007 is screening op ondervoeding opgenomen in de Basisset prestatie-indicatoren (PI) van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Deze indicator stelt dat alle patiënten binnen 24 uur na opname gescreend moeten worden met een gevalideerd screeningsinstrument (SNAQ of MUST). Alle Nederlandse ziekenhuizen zijn verplicht om jaarlijks gegevens aan te leveren over het percentage patiënten dat bij opname in het ziekenhuis gescreend is op ondervoeding.

Recent heeft de Stuurgroep Ondervoeding onderzocht welke factoren, in de periode 2007 tot 2010, geassocieerd waren met een hogere score op de prestatie indicator screening ondervoeding.

Stijgende lijn
Er wordt steeds beter gescreend op ondervoeding in Nederland; in 2007 werd 51% van alle patiënten gescreend (n=75 ziekenhuizen, n=340.000 opnames); in 2010 was dat 72% (n=97 ziekenhuizen, n=1.050.000 opnames). Uit de meest recente rapportages blijkt dat deze lijn zich verder doorzet tot 80% gescreende patiënten in 2012. Naast een toename in het aantal gescreende patiënten, is ook een geleidelijke afname waarneembaar in het percentage patiënten dat ondervoed is op basis van de screeningsuitslag.

Screeningspercentages
Een hoger gerapporteerd screeningspercentage bleek geassocieerd met een hoger aantal klinische opnames in het desbetreffende ziekenhuis, de aanwezigheid van protocollair vastgelegde verwijsafspraken bij een positieve screeningsuitslag, en screening met de SNAQ. De aanwezigheid van protocollaire verwijsafspraken duidt op een betere structuur en multidisciplinaire verantwoordelijkheden. De SNAQ is een snel en eenvoudig  instrument en vergt geen berekeningen, terwijl de MUST gebruik maakt van berekeningen van de BMI en het percentage gewichtsverlies. De ziekenhuizen die met de SNAQ screenden hadden een hoger screeningspercentage.

Aan de ziekenhuizen is gevraagd naar verklaringen voor het (niet-) succesvol screenen binnen hun eigen ziekenhuis. Als belangrijkste barrières werd een hoge werkdruk, onvoldoende betrokkenheid van artsen en verpleegkundigen en onduidelijkheden met betrekking tot multidisciplinaire verantwoordelijkheid het meest genoemd. Belangrijkste succesfactoren waren de betrokkenheid van andere disciplines, screening als vast item in een (elektronisch) dossier, en continue motivatie en scholing door diëtisten.

Geconcludeerd kan worden dat de prestatie-indicator een belangrijk instrument is om de screening op ondervoeding in de ziekenhuizen te borgen. Door te screenen met een snel en eenvoudig instrument en goede protocollaire afspraken te maken, kan de screening nog verder bevorderd worden.

Leistra E, van Bokhorst-de van der Schueren MA, Visser M, van der Hout A, Langius JA, Kruizenga HM. Systematic screening for undernutrition in hospitals: predictive factors for success. Clin Nutr. 2014;33(3):495-501.

www.stuurgroepondervoeding.nl

Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 9 van september 2014 op bladzijde 29

Reageer op dit artikel