artikel

Nutriënteninname bij melkdrinkers en melkmijders *

Voedingswetenschap

Nutriënteninname bij melkdrinkers en melkmijders *

Kinderen consumeren steeds minder basisvoedingsmiddelen, waaronder melk en melkproducten. Onderzoekers van het Julius Centrum bekeken het verschil in nutriënteninname bij kinderen (7-13 jaar) die weinig of geen melk drinken en kinderen die gemiddeld 2 of 3 glazen per dag drinken. Een voedingspatroon met voldoende basisvoedingsmiddelen blijkt belangrijk voor een goede nutriënteninname. Dit zou kinderen al vanaf jonge leeftijd moeten worden aangeleerd.

Een voedingspatroon met basisvoedingsmiddelen zoals melk en melkproducten, groente, fruit, brood, vis en vlees is van belang voor de inname van voldoende voedingsstoffen en legt samen met voldoende beweging de basis voor een gezond lichaam (1). De inname van basisvoedingsmiddelen staat echter onder druk (2). Het opvoedklimaat verandert en kinderen krijgen meer keuzevrijheid van hun ouders. Het glas melk bij de boterham, het stuk fruit tussendoor en een gedegen portie groente is niet altijd meer vanzelfsprekend. In de leeftijdsgroep van 7 en 8 jaar eten kinderen gemiddeld 80% minder fruit en gebruikt 60% minder melk en melkproducten dan aanbevolen. In de leeftijdsgroep van 9 tot en met 13 jaar geldt dat bij 90% van de kinderen de inname van fruit en bij 80% de inname van melk en melkproducten onder de aanbevelingen ligt (2).

Het al jong aanleren van een gezond voedingspatroon dat hoofdzakelijk bestaat uit basisvoedingsmiddelen is belangrijk. Jong aangeleerde eetgewoonten gaan immers een heel leven mee (3). Daarnaast zijn aangeleerde ongezonde eetgewoonten later in het leven moeilijk te veranderen. Zelfs als een persoon zelf graag wil veranderen (4).

Melk op het menu
Om goed te begrijpen wat de impact is van de lage consumptie van een basisvoedingsmiddel op nutriëntinname, moet het hele voedingspatroon in ogenschouw worden genomen. Als laag-melkdrinkers bijvoorbeeld veel vlees eten, is het niet waarschijnlijk dat deze mensen een te lage inname van vitamine B12 hebben. Maar als laag-melkdrinkers in vergelijking tot hoog-melkdrinkers geen extra kaliumbronnen zoals groente en fruit consumeren, zou het kunnen dat laag-melkdrinkers minder kalium binnen krijgen dan hoog-melkdrinkers.

Het Julius Centrum van het Universitair Medisch Centrum Utrecht heeft daarom op basis van de Voedselconsumptiepeiling (VCP) 2007-2010 gekeken naar het verschil in voedingsmiddel- en nutriëntinname tussen kinderen (7-13 jaar) die weinig of geen melk drinken (gem. 0,0 gram/dag) en kinderen met de hoogste melkinname (gem. 459,5 gram/dag)[1]. Deze cijfers zijn gepresenteerd door Joline Beulens, assistent-professor Epidemiologie bij het Julius Centrum, UMC Utrecht, op het congres ‘Jong geleerd is oud gedaan’ begin oktober.

De VCP-analyses die zijn uitgevoerd door het Julius Centrum laten zien dat een derde van de kinderen in Nederland weinig of geen melk drinkt. Verder tonen de cijfers dat kinderen die weinig of geen melk drinken, gemiddeld genomen meer zuiveldranken en yoghurt consumeren. Echter, ook wanneer deze consumptiehoeveelheden bij elkaar worden opgeteld, ligt de gemiddelde consumptie van melk en melkproducten bij kinderen die weinig tot geen melk drinken onder de aanbeveling van 400 ml (4-8 jaar) en 600 ml (9-18 jaar) per dag. De melkconsumptie is tussen de groep kinderen die geen tot weinig melk drinkt en de groep kinderen met de hoogste melkinname niet het enige verschil in het voedingspatroon. Uit de VCP-analyse komt naar voren dat een hogere melkconsumptie bij kinderen samengaat met een hogere inname van brood, groente en fruit, en een lagere inname van softdrinks, koffie en thee. De softdrink inname is ongeveer 150 ml lager bij kinderen die twee tot drie glazen melk drinken, vergeleken met de kinderen die weinig of geen melk drinken. ‘We hebben niet een-op-een bekeken of softdrinks, koffie en thee vervangen worden door melkproducten, maar gezien deze resultaten is het wel waarschijnlijk dat er vervanging plaatsvindt’, aldus Beulens.

Inname micronutriënten
De verschillen in voedingsmiddelinname tussen kinderen die meer en minder melk drinken zie je ook terug in de nutriëntinname, blijkt ook uit de VCP-analyses. Kinderen die meer melk drinken (en ook meer brood, groente en fruit eten, bleek uit de analyse van het totale voedingspatroon) hebben gemiddeld een hogere inname van de vitamines A, B12, thiamine (vitamine B1), riboflavine (vitamine B2), en de mineralen kalium, calcium, fosfor, zink, jodium, foliumzuur en magnesium. Een voldoende inname van deze micronutriënten is belangrijk voor de groei en ontwikkeling van botten, het functioneren van spieren, de energiestofwisseling en de werking van het zenuwstelsel en het immuunsysteem.

Daarnaast hebben kinderen met een hogere melkconsumptie een gemiddeld hogere inname van energie, eiwit en verzadigd vet. Vooral verzadigd vet is een punt van aandacht, aangezien de voeding van kinderen gemiddeld te veel verzadigd vet bevat (2,5).

Kinderen die weinig of geen melk drinken, krijgen gemiddeld minder van de typische zuivel gerelateerde voedingsstoffen binnen zoals eiwit, riboflavine, vitamine B12 en de mineralen calcium, fosfor, kalium, zink, jodium, in vergelijking met kinderen die veel melk drinken. Desondanks is voor een deel van deze voedingsstoffen (waaronder riboflavine en vitamine B12) de inname binnen het gehele voedingspatroon voldoende, maar blijkt de lagere inname van met name kalium en zink een punt van aandacht met het oog op de aanbevelingen van de Gezondheidsraad[2]. Melk en melkproducten zijn in het Nederlandse voedingspatroon een belangrijke leverancier van zink en kalium. Verder suggereren de VCP-analyses dat kinderen die geen tot weinig melk drinken gemiddeld genomen de inname van deze nutriënten niet volledig compenseren door het eten van andere voedingsmiddelen.

Jong geleerd is oud gedaan
Uit de recente VCP-analyses blijkt dus dat een derde van de kinderen in Nederland weinig of geen melk drinkt en dat er een relatie bestaat tussen melkconsumptie en nutriëntinname. De verwachting is dat ook een lage inname van basisvoedingsmiddelen zoals groente, fruit en granen effect heeft op de nutriëntinname. Meer onderzoek is nodig om te bepalen op welke nutriënten de specifieke basisvoedingsmiddelen het grootste effect hebben. Algemeen kunnen we stellen dat het consumeren van voldoende basisvoedingsmiddelen belangrijk is om een goede nutriënteninname te waarborgen. Het al jong aanleren van een gezond voedingspatroon met voldoende basisvoedingsmiddelen is daarom belangrijk. Op deze manier start al op jonge leeftijd de smaakontwikkeling en wordt de basis gelegd voor een gezond eetgedrag.

Bij het aanleren van een gezond voedingspatroon en smaakvoorkeuren spelen ouders een belangrijke rol (6,7). Voor het leren waarderen van veel basisvoedingsmiddelen zoals melk en melkproducten, groente, fruit en brood is het belangrijk dat een kind het voedingsmiddel herhaaldelijk krijgt aangeboden, ook als een kind het in eerste instantie afwijst (9). Een kind moet een nieuw voedingsmiddel soms wel tien keer proeven voordat het de smaak gaat accepteren (8). Voor melk en melkproducten, brood, rijst en pasta lijkt herhaaldelijk aanbieden zelfs nog belangrijker dan voor bijvoorbeeld groente of fruit (10). Daarnaast hebben kinderen een aangeboren preferentie voor zoete smaken (8) en kiezen zelf daarom sneller voor een zoet voedingsmiddel. Dit is een relevant gegeven kijkende naar het veranderde opvoedklimaat waarin het gebruikelijker is kinderen een eigen keuze te bieden. Melk ‘verliest’ het dan al snel van frisdrank of andere zoete producten.
Naast het jong aanleren van smaken is ook het jong aanleren van gezonde eetgewoonten belangrijk. Want eenmaal aangeleerde ongezonde eetgewoonten zijn later in het leven moeilijk te veranderen (4). Een eetgewoonte ontstaat door op een vast moment (bijvoorbeeld het ontbijt) op een vaste plek (bijvoorbeeld de eettafel thuis) steeds hetzelfde te consumeren (bijvoorbeeld melk). In het begin moet hier erg bewust bij worden nagedacht, maar na verloop van tijd wordt de eetgewoonte een automatisme (11,12). In de kinderjaren aangeleerde eetgewoontes gaan vaak het hele leven mee (3), en zijn daarom sterk bepalend voor het eetgedrag op latere leeftijd (4).

Ouders kunnen kinderen gezonde eetgewoontes aanleren (6). Bijvoorbeeld door ieder ontbijt en lunch aan de keukentafel het kind een glas melk voor te zetten en (vooral in het begin) positief te reageren wanneer het kind het opdrinkt. Of door iedere schooldag een stuk fruit voor in de pauze mee te geven. Het glas melk en een stuk fruit worden dan een normaal onderdeel van het dagelijkse voedingspatroon. Het eten van basisvoedingsmiddelen wordt op deze manier een gewoonte en geen onderwerp van discussie.

Cruciale rol ouders en professionals
Kortom, de gemiddelde inname van basisvoedingsmiddelen zoals melk en melkproducten, groente en fruit is bij kinderen in Nederland relatief laag. Het dagelijks drinken van 2 tot 3 glazen melk of het eten van 2 tot 3 porties melkproducten is binnen een basisvoeding bestaande uit onder andere 150-200 gram groente, 2 stuks fruit en 4-5 sneetjes brood een goede basis voor de inname van voldoende voedingsstoffen. Bovendien is het belangrijk dat kinderen al op jonge leeftijd een gezond eetpatroon krijgen aangeleerd. Naast een gezond basisvoedingspatroon is er ruimte voor smaakvariatie en eigen keuze. Ouders spelen hierin een cruciale rol, maar kiezen niet altijd voor de beste aanpak. Gezondheidszorgprofessionals zijn een belangrijke informatiebron voor ouders. Zij kunnen hen in de (op)voeding ondersteunen door het belang van basisvoeding te benadrukken.

Referenties

  1. Voedingscentrum (2011). Richtlijn Voedselkeuze. Voedingscentrum, Den Haag.
  2. Rossum, van, T.M., Fransen, H.P., Verkaik-Kloosterman, J., Buurma-Rethans, E.J.M. en Ocke, M.C. (2011). Voedselconsumptiepeiling 2007-2010. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.
  3. Schwartz, C., Scholtens, P.A.M.J., Lalanne, A., Weenen, H. en Nicklaus, S. (2011). Development of healthy eating habits early in life. Review of recent evidence and selected guidelines. Appetite, 57, 796–807.
  4. Neal, D.T., Wood, W., Wu, M. en Kurlander, D. (2011) The Pull of the Past: When do habits persist despite conflict with motives? Personality and Social Psychology Bulletin, 37(11), 1428-1437.
  5. Ocke, M.C., Rossum, van, C.T.M., Fransen, H.P., Buurma, E.M., Boer, de, E.J., Brants, H.A.M., Niekerk, E.M., Laan, van der, J.D., Drijvers, J.J.M.M. en Ghameshlou, Z. (2008). Voedselconsumptiepeiling bij peuters en kleuters 2005/2006. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.
  6. Scaglioni, S., Salvioni, M. en Galimberti, C. (2008). Influence of parental attitudes in the development of children eating behaviour. British Journal of Nutrition, 99(1), S22–S25.
  7. Mrdjenovic, G., en Levitsky, D. A. (2005). Children eat what they are served: The imprecise regulation of energy intake. Appetite, 44, 273-282.
  8. Mennella, J.A. (2014). Ontogeny of taste preferences: basic biology and implications for health. American Journal of Clinical Nutrition, doi: 10.3945/ajcn.113.067694.
  9. Cooke, L. (2007). The importance of exposure for healthy eating in childhood: A review. Journal of Human Nutrition and Dietetics, 20(4), 294-301.
  10. Fildes, A., Jaarsveld, van, C.H.M., Llewellyn, C.H., Fisher, A., Cooke, L. en Wardle, J. (2014). Nature and nurture in children’s food preferences. American Journal of Clinical Nutrition, doi: 10.3945/ajcn.113.077867.
  11. Neal, D.T., Wood, W., Labrecque, J.S. en Lally, P. (2012). How do habits guide behavior? Perceived and actual triggers of habits in daily life. Journal of Experimental Social Psychology,,48, 492-498.
  12. Wood, W., Tam, L. en Witt, M.G. (2005). Changing Circumstances, Disrupting Habits. Journal of Personality and Social Psychology, 88(6), 918–933.

 
Dit artikel verscheen in Voeding Nu nummer 10 van oktober 2014 op bladzijde 22

Reageer op dit artikel